Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Romeinse kalender

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De oude Romeinse of Latijnse kalender bestond uit meerdere plaatselijke maankalenders, die in de tijd van het Romeinse koninkrijk en de Romeinse republiek steeds weer gewijzigd werden en aangepast werden aan het principe van een lunisolaire kalender, tot door de kalenderhervorming van Julius Caesar en Augustus

De oorsprong van de talrijke kalenderhervormingen is niet helemaal duidelijk, maar de vorm, stijl en lengte van de schrikkelmaanden tonen duidelijk Etruskisch-Latijnse kenmerken, waarbij de Etruskische invloed in de vroege tijd domineert.[1]

Oorsprong

Volgens de Romeinse legenden werd hun kalender uitgedacht door Romulus, de mythische stichter en eerste koning van de stad in het jaar 753 v. Chr. Anders dan de gebruikelijke maankalenders, had de kalender 10 maanden: zes maanden van 30 dagen en vier maanden van 31 dagen. De maanden van 31 dagen heetten ’vol’ (pleni); de maanden met 30 dagen noemde men hol ’cavi’. Het jaar was in totaal slechts 304 dagen lang. Dit waren exact 38 nundinale cycli. (Zie nundinae.)

Ovidius schreef dat koning Romulus beter overweg kon met zwaarden dan met sterren, en raadt dat de bedoeling misschien was dat het jaar zo lang als een zwangerschap zou duren, of dat het te maken had met Romulus’ eerbied voor het getal tien, „omdat dit het aantal vingers is waarop we kunnen rekenen”.[2]

Volgens Livius zou Romulus’ opvolger, koning Numa Pompilius, rond 700 v. Chr. twee maanden toegevoegd hebben aan de kalender: januarius en februarius.[3][4] Censorinus beschreef dat er vijftig dagen werden toegevoegd en dat van de dagen van dertig dagen een dag werd afgenomen om de twee wintermaanden januarius en februarius te vormen, die beide 28 dagen lang waren.[5] Dit bracht de lengte van het jaar op 354 dagen, de normale lengte van een maanjaar van twaalf maanmaanden. Wegens een bijgelovige vrees van de Romeinen voor even getallen, voegde men liever nog een dag toe aan januari om de som op 355 dagen per jaar te brengen.

I Martius
II Aprilis
III Maius
IV Iunius
V Quinctilis (Quintilis)
VI Sextilis
VII September
VIII October
IX November
X December
XI Ianuarius
XII Februarius
Mercedonius
(Mensis intercalaris)
(schrikkelmaand)
Namen van de maanden vóór
Julius Caesars hervorming. Vanaf 153 v.Chr. begon men het jaar met januari.

Indeling

Maanden

Het oude Romeinse jaar begon met de aan Mars gewijde maand maart. Dit hoort men nog steeds aan de namen van de maanden „september” (zevende maand), „oktober” (achtste maand), „november” (negende maand) en „december” (tiende maand) voortbestaat. Juli en augustus heetten vroeger Quinctilis (Quintilis) (vijfde maand) en Sextilis (zesde maand), maar werden later naar Julius Caesar en Augustus genoemd.

Dagen van de maand

In de Romeinse tijd werd een datum aangegeven door het aantal dagen te noemen dat nog restte voor de Kalendae, de Nonae of de Idus.

  • de Kalendae was de eerste dag van de maand
  • de Nonae was de vijfde dag van de maand of de zevende in de maanden maart, mei, juli en oktober)
  • de Idus was de 13e dag van de maand of de 15e in de maanden maart, mei, juli en oktober

Vanaf deze punten telde men de dagen terug. Ook de begin- en einddagen van de maand werden meegeteld. Zo werd bijvoorbeeld 13 oktober „ante diem III Id. Oct.” en 30 oktober „a.d. III Kal. Nov.” Maar de dag net voor een Kalendae, een Nonae of een Idus werd niet a.d. II genoemd: hiervoor gebruikte men het woord „pridie” (voordag). 31 oktober werd bijvoorbeeld „pridie Kal. Nov.” (i.e. de dag voor de Kalendae van november).

Schrikkelmaand

De Pontifex Maximus, de hogepriester van de Romeinse godsdienst, moest in februari aanwezig zijn in Rome om te beslissen of er dat jaar een schrikkelmaand zou worden toegevoegd.

Tot de Juliaanse kalenderhervorming in 46/45 v. Chr. was de Romeinse kalender als volgt opgebouwd:

Dag Romeinse maand van voorbeeld Maius
29 dagen 28 dagen 31 dagen
Jan., Apr., Jun.,
Sext., Sept., Nov., Dec.
Feb. Mar., Mai.,
Quint., Oct.
korte vorm Latijnse lange vorm
(ablativus temporalis)
1 kalendae Kal. Mai. Kalendis Maiis
2 IV VI a. d. VI Non. Mai. ante diem VI (sextum) Nonas Maias
3 III V a. d. V Non. Mai. ante diem V (quintum) Nonas Maias
4 pridie IV a. d. IV Non. Mai. ante diem IV (quartum) Nonas Maias
5 nonae III a. d. III Non. Mai. ante diem III (tertium) Nonas Maias
6 VIII pridie prid. Non. Mai. pridie Nonas Maias
7 VII nonae Non. Mai. Nonis Maiis
8 VI VIII a. d. VIII Id. Mai. ante diem VIII (octavum) Idus Maias
9 V VII a. d. VII Id. Mai. ante diem VII (septimum) Idus Maias
10 IV VI a. d. VI Id. Mai. ante diem VI (sextum) Idus Maias
11 III V a. d. V Id. Mai. ante diem V (quintum) Idus Maias
12 pridie IV a. d. IV Id. Mai. ante diem IV (quartum) Idus Maias
13 idus III a. d. III Id. Mai. ante diem III (tertium) Idus Maias
14 XVII X pridie prid. Id. Mai. pridie Idus Maias
15 XVI IX idus Id. Mai. Idibus Maiis
16 XV VIII XVII a. d. XVII Kal. Iun. ante diem XVII (septimum decimum) Kalendas Iunias
17 XIV VII XVI a. d. XVI Kal. Iun. ante diem XVI (sextum decimum) Kalendas Iunias
18 XIII VI XV a. d. XV Kal. Iun. ante diem XV (quintum decimum) Kalendas Iunias
19 XII V XIV a. d. XIV Kal. Iun. ante diem XIV (quartum decimum) Kalendas Iunias
20 XI IV XIII a. d. XIII Kal. Iun. ante diem XIII (tertium decimum) Kalendas Iunias
21 X III XII a. d. XII Kal. Iun. ante diem XII (duodecimum) Kalendas Iunias
22 IX pridie XI a. d. XI Kal. Iun. ante diem XI (undecimum) Kalendas Iunias
23 VIII terminalia X a. d. X Kal. Iun. ante diem X (decimum) Kalendas Iunias
24 VII VI IX a. d. IX Kal. Iun. ante diem IX (nonum) Kalendas Iunias
25 VI V VIII a. d. VIII Kal. Iun. ante diem VIII (octavum) Kalendas Iunias
26 V IV VII a. d. VII Kal. Iun. ante diem VII (septimum) Kalendas Iunias
27 IV III VI a. d. VI Kal. Iun. ante diem VI (sixtmum) Kalendas Iunias
28 III pridie V a. d. V Kal. Iun. ante diem V (quintum) Kalendas Iunias
29 pridie IV a. d. IV Kal. Iun. ante diem IV (quartum) Kalendas Iunias
30 III a. d. III Kal. Iun. ante diem III (tertium) Kalendas Iunias
31 pridie prid. Kal. Iun. pridie Kalendas Iunias

Nundinae

De week van zeven dagen was in de Romeinse tijd niet bekend, maar werd, samen met de namen van de weekdagen pas omstreeks 400 na Christus in Europa ingevoerd.

In de Romeinse republiek was wel een nundinae gebruikelijk. Letterlijk betekent dit negendagig, wat enigszins verwarrend kan lijken, aangezien de Romeinen hiermee een cyclus van acht dagen bedoelden. De cyclus was opgebouwd rond een marktdag. Op deze marktdag kwamen de mensen van het platteland met hun goederen naar de stad, en kochten de stedelingen levensmiddelen voor acht dagen. Deze nundinale cyclus werd uiteindelijk door de oudere zevendaagse cyclus vervangen. De zevendaagse week en de nundinale cyclus bestonden enige tijd naast elkaar.

Fasti en nefasti

De Romeinse kalender bevatte een opsomming van fasti en nefasti, geluksdagen en ongeluksdagen. Ondernemingen werden bij voorkeur op een geluksdag begonnen en het gold als een stommiteit of zelfs een affront om een belangrijke onderneming op een nefastus te beginnen. Zo roept Aulus Vitellius bijvoorbeeld de toorn van Publius Cornelius Tacitus over zich af door zichzelf op de dag van de nederlaag tegen de Galliërs in Allia tot Pontifex Maximus uit te roepen.

Jaartelling

In tijd van de vroege Romeinse republiek werden de jaren niet geteld, maar naar de regerende consul genoemd. Sind de vierde eeuw voor Christus werd een jaartelling gebruikelijk vanaf de inwijding van de Jupitertempel in het jaar 507 v. Chr. Pas later begon men te rekenen „vanaf de stichting van de stad Rome” (Latijn: ab urbe condita, a. u. c.), waarvoor men men 753 v. Chr. als jaar nam. In het Romeinse keizerrijk werden de jaren bijkomend per Anno Diocletiani (A. D.) geteld, dus sinds de regeringsovername door keizer Diocletianus. Deze afkorting mag niet worden verward met de identieke afkorting, die sinds 525 n. Chr. gebruikelijk werd voor Anno Domini (A. D.) („jaar onzes Heren”). Verder stond a. d. in de Romeinse kalender voor ante diem, „dagen voor”.

Hervormingen

Jaarbegin

Oorspronkelijk begon het jaar van de Romeinse kalender op 1 maart. In het jaar 153 v.Chr. werd het begin van het jaar naar 1 januari verschoven. De maanden met de namen van telwoorden (Quintilis lat. „de vijfde”, Sextilis lat. „der zesde”, September, lat. „de zevende”, October, „de achtste”, November, „de negende”, December, „de tiende”) werden hierdoor losgekoppeld van de rangorde waaraan ze hun naam te danken hadden.

Juliaanse kalenderhervorming

In de tijd van Gaius Julius Caesar was de discrepantie tussen de maankalender en de seizoenen zo groot geworden dat Caesar de kalender hervormde en deze op de lengte van een zonnejaar liet baseren. Op enkele correcties na, die door paus Gregorius XIII als de gregoriaanse kalender werden ingevoerd, is de basis van de juliaanse kalender tot op heden in gebruik.

Weblinks