Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Aspergersyndroom

Uit Wikisage
(Doorverwezen vanaf Syndroom van Asperger)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het syndroom van Asperger oftewel Aspergersyndroom is een pervasieve ontwikkelingsstoornis, die vooral gekenmerkt wordt door beperkingen in de sociale interacties en een beperkt repertoire aan interesses en activiteiten. Anders dan bij de nauw verwante autistische stoornis is er geen sprake van vertragingen in de ontwikkeling van de taalvaardigheid op jonge leeftijd.

Schematische weergave van het beeld op/van de wereld door een autist,
in vergelijking met een Asperger en iemand zonder beide (normaal).

Geschiedenis

Het syndroom dankt zijn naam aan de Weense psychiater en kinderarts dr. Hans Asperger, die er in 1944 een proefschrift over schreef.[1] Daarin noemt hij zijn patiënten "kleine professors" vanwege hun intense belangstelling en hun formele taalgebruik.

Vrijwel gelijktijdig (in 1943) verscheen een artikel van Leo Kanner over autisme op jonge kinderleeftijd. Men neemt aan dat de beide auteurs zich niet van elkaars werk bewust waren.[2]

In tegenstelling tot het artikel van Leo Kanner over autisme dat in dezelfde periode geschreven werd, kreeg de publicatie van Asperger lange tijd weinig aandacht.

Terwijl het werk van Kanner, dat in de USA werd gepubliceerd, dadelijk internationale aandacht kreeg, werd het artikel van de Oostenrijker Asperger behalve bij de Duitstalige wetenschappers nauwelijks bekend. Ook een artikel door de Nederlandse kinderpsychiater Dirk Arnold van Krevelen, die in 1962 probeerde een onderscheid te maken tussen de „autistische psychopathie” van Asperger en het autisme zoals beschreven door Kanner, vond weinig weergalm.[3]

Aspergers werk werd pas in bredere kring bekend door de aandacht die de Amerikaanse Lorna Wing er in 1981 aan besteedde. In 1994 werd het syndroom opgenomen in het Amerikaanse Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM).[4]

Controverses

Al sinds Lorna Wing de eerste criteria publiceerde, bestaan er controverses over de classificatie en de status van het syndroom. Een belangrijke vraag hierbij is of het aspergersyndroom hetzelfde is als hoogfunctionerend autisme, een vorm van autistische stoornis waarbij geen mentale retardatie optreedt. Zou dit het geval zijn, dan is het volgens sommige wetenschappers niet nodig om het syndroom van Asperger als afzonderlijke aandoening in de classificatiesystemen op te nemen. Een studie uit 1997 concludeerde bijvoorbeeld dat de kinderen die Hans Asperger beschreef, volgens de criteria van het DSM niet het syndroom van Asperger, maar een autistische stoornis hadden.[5]

Veel wetenschappers beschouwen Asperger inmiddels als een vorm van hoogfunctionerend autisme.[6]

Zo schreef Lorna Wing in 1998: "Asperger syndrome and high-functioning autism are not distinct conditions".[7]neuropsychologisch onderzoek deed echter weer andere gezichtspunten ontstaan. Uit onderzoek naar Non-verbal Learning Disabilities (NLD) bleek namelijk dat mensen met NLD en Aspergers een sterk overeenkomend neurologisch profiel hebben.[8] Dit zou kunnen betekenen dat Asperger en autisme neurologisch gezien verschillende aandoeningen zijn.

Baron-Cohen

Nog meer dan andere stoornissen uit het autismespectrum blijkt Asperger meer voor te komen bij mannen dan bij vrouwen.

Soms wordt het wel omschreven als "extreem mannelijk" gedrag, bijvoorbeeld door Simon Baron-Cohen in zijn boek The essential difference (2003). Mensen met Asperger zijn sterk gericht op technische details en resultaten (systematiseren) en juist weinig op contact en samenwerking (empathiseren), iets wat in de hersenen aan te wijzen is (zie amygdala); in het algemeen wordt het eerste als typisch mannelijk, het tweede als typisch vrouwelijk beschouwd. Er zijn echter ook personen met het aspergersyndroom die zich overmatig hebben gespecialiseerd in 'nonverbale communicatie' en het herkennen van menselijke emoties. Gedrag en houding kunnen dan met grote perfectie worden geïmiteerd zonder dat het bijbehorende affectie aanwezig is. Zelfs de (micro-)oogexpressies kunnen worden geïmiteerd. Op die manier worden eigen tekortkomingen onbewust gecompenseerd door een onbewuste alertheid, waarbij opvallende kenmerken automatisch opvallen / herkend wordt. Wegens die onbewuste herkenning van zowel bewuste als onbewuste uitingen, bewegingen of bepaalde trekjes, wordt datgene wat opvalt in het onderbewustzijn en in eerste instantie in het korte termijngeheugen verwerkt/onthouden. Omdat het denken en handelen door het onderbewustzijn (intuïtief) wordt bepaald en rechtstreeks wordt gestuurd, kan men dan op een later moment, wanneer de situatie dit vereist, terstond die betreffende uiting, beweging, trekjes enz. laten plaatsvinden, wat dan naadloos aansluit bij het daadwerkelijke gedrag en het doen en laten van persoon met het aspergersyndroom. Terwijl die onbewuste uiting plaatsvindt, dringt dit door tot het bewustzijn. In wezen is dit níet een vorm van theatraal gedrag maar juist een uiterst ongedwongen gedrag dat ook uiterst eigen overkomt, wat dus grotendeels zo is, maar enigszins ook niet. Ten aanzien van het extreem mannelijke gedrag, waar Cohen over sprak, zijn trekjes die (in het algemeen) een mannelijke indruk maken, eerder overgenomen dan minder mannelijke eigenschappen/uitingen/gedragingen. Hierbij kan men denken als een stoer, attent, mannelijk bewegend, alert, snel in reacties / interacties, verstandig denkend/handelend, open, goedaardig, zelfverzekerd, charmant enz. Soms worden andere mannelijke personen in de directe omgeving zich bewust van dit gedrag en gaan ze de manieren van doen van de persoon met het aspergersyndroom overnemen.

Overigens spreekt Baron-Cohen niet van een stoornis, maar van een cognitieve stijl, met zijn eigen kwaliteiten, waar niet noodzakelijk iets aan verbeterd hoeft te worden.

Asperger en het autismespectrum

Asperger wordt tot het autismespectrum gerekend. Net als bij de andere stoornissen uit dit spectrum is er sprake van een onhandige motoriek, moeite met het inschatten van sociale situaties, gebrek aan inlevingsvermogen, moeite met veranderingen, een neiging tot vaste gewoonten, een voorkeur voor bezigheden en interesses met sterk herhalende of systematische elementen, neiging tot obsessief gedrag en makkelijk opgaan in een fantasiewereld.

Belangrijke verschillen met klassiek autisme zijn de praktisch normale taalontwikkeling, de normale of zelfs hoge intelligentie en de normale neiging contacten met anderen te leggen. Het syndroom van Asperger wordt om deze redenen vaak tot het mildere eind van het autismespectrum gerekend. Vaak worden iemand met het syndroom van Asperger als een normaal begaafd persoon beschouwd, maar meestal als iemand die wat excentriek, wereldvreemd of een einzelgänger is.

Het stellen van een eenduidige diagnose wordt soms bemoeilijkt door de grote verschillen in de symptomen per diagnose en door de verschillen in methodes en instrumenten om het syndroom van Asperger vast te stellen. Naast de Amerikaanse diagnosecriteria van het DSM-IV, zijn er ook die van de Wereldgezondheidsorganisatie (ICD-10), de Szatmari diagnostische criteria, de criteria van Gillberg en de criteria die Tony Attwood hanteert.

(Zie ook de afbeelding.)

DSM-criteria

Het DSM-IV geeft de volgende criteria (299.80):

  • A. Kwalitatieve tekortkomingen in de sociale interactie, wat blijkt uit minimaal twee van de volgende criteria:
    1. Duidelijke tekortkomingen in meerdere vormen van niet-verbaal gedrag, bijvoorbeeld rechtstreeks oogcontact, gelaatsexpressie, lichaamshouding en gebaren in sociale context.
    2. Onvermogen tot het aangaan van relaties met leeftijdgenoten die passend zijn bij het niveau van ontwikkeling.
    3. Ontbreken van het spontaan delen van vreugde, interesses of prestaties met anderen (bijvoorbeeld geen voorwerpen tonen, geven of aanwijzen).
    4. Gebrek aan sociale of emotionele wederkerigheid.
  • B. Beperkte herhaalde en stereotiepe gedragspatronen, interesses en activiteitenpatronen, wat blijkt uit minimaal één van de volgende criteria:
    1. Overheersende preoccupatie met een of meer stereotiepe en beperkte interessepatronen die afwijkend is in intensiteit of aandachtsgebied.
    2. Duidelijk inflexibel vasthouden aan niet-functionele routinehandelingen of rituelen.
    3. Stereotiep en herhaald motorisch gedrag (bijvoorbeeld fladderen of draaien van handen of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam).
    4. Duidelijke preoccupatie met onderdelen van voorwerpen.
  • C. De aandoening leidt tot klinisch significante tekortkomingen op sociaal of beroepsmatig gebied of op andere belangrijke terreinen.
  • D. Er is geen klinisch significante achterstand in de taalontwikkeling (bijvoorbeeld woorden op tweejarige leeftijd, zinnen op driejarige leeftijd).
  • E. Er is geen klinisch significante achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van zelfhulpvaardigheden, aanpassingsgedrag (sociale interactie niet meegerekend) en de nieuwsgierigheid naar de omgeving.
  • F. Er is niet voldaan aan de criteria voor een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie.

Cijfers

Cijfers over het voorkomen van Asperger hebben meestal betrekking op kinderen.

Voordat de diagnose Asperger werd erkend, en alleen naar klassiek autisme werd gekeken, heette 1 op de 2200 mensen autistisch. Sinds de term autismespectrumstoornis steeds meer aanvaard raakt wordt aangenomen (onder meer door het Vlaamse Autisme Centraal) dat 1 op de 1000 mensen klassiek autisme heeft en 1 op de 200 mensen een stoornis in het autistische spectrum heeft. Het Nederlandse Landelijke Netwerk Autisme neemt aan dat ongeveer 1 op de 400 mensen autistisch zijn, waarvan 25% vrouwelijk is.

Kenmerken

Sociale beperkingen

Mensen met het syndroom van Asperger kunnen binnen de sociale context moeilijk "tussen de regels" lezen. Het besef van wat sociaal aanvaard is, is vaak niet intuïtief. Daardoor vindt men niet altijd de juiste toon of mimiek om de eigen emotionele toestand te uiten. Het vermogen om letterlijke en figuurlijke taal uiteen te houden en om iemands lichaamstaal te lezen is beperkt, evenals de theory of mind, zoals dat voorkomt bij veel vormen van autisme. Het juist inschatten wanneer het woord kan worden genomen in een gesprek, en wanneer niet, is vaak slecht ontwikkeld. Algemeen bekende metaforen zijn voor mensen met Asperger vaak moeilijk te begrijpen, terwijl de eigen metaforen juist voor de omgeving dikwijls onbegrijpelijk zijn. Dit alles maakt dat gesproken kan worden van een, soms sterk, verminderd vermogen tot empathie.

Ten opzichte van mensen met klassiek autisme leren mensen met het syndroom van Asperger veel geraffineerder met hun beperkingen om te gaan. Men weet ze vaak goed te camoufleren. Geholpen door de meestal goed ontwikkelde verbale vaardigheden worden de aanwezige sterke kanten ten volle uitgebuit. Ook het spelen met niet-letterlijk taalgebruik is te leren. De beperkingen zijn dus door inzet van het verstand en oefening in de loop van jaren vaak deels te compenseren. Men leert dan gedurende de adolescentie wat gemakkelijker met andere mensen om te gaan. Hierdoor, en vanwege de beperkte wetenschappelijke informatie die beschikbaar is over de aandoening, wordt de handicap door hulpverlening en omgeving nogal eens onderschat.

Met lees– en schrijfvaardigheid presteren mensen met Asperger gemiddeld of bovengemiddeld. Wat sociale vaardigheden betreft loopt kennisverwerving meestal vóór op de sociale ontwikkeling en de praktische vaardigheden. Psychologen meten vaak een groot verschil tussen IQ en EQ. Meestal is het IQ normaal of bovengemiddeld en is het EQ onder het gemiddelde. Als iemand met Asperger in staat is zich minder te concentreren op z'n intellect en intelligentie heeft dit soms een gunstige werking op de sociaal-emotionele vaardigheden. Echter zijn er ook mensen met het aspergersyndroom die juist een zéér ontwikkeld EQ hebben.

Drukke sociale gebeurtenissen zijn voor iemand met Asperger vaak onaangenaam; een activiteit is belastend en inspannend in plaats van ontlastend en ontspannend zoals dat voor iemand zonder het syndroom van Asperger zou zijn. Van daaruit kan zich dan logischerwijs stress, onzekerheid of angst ontwikkelen. Veel mensen met Asperger uiten wel de wens om een sociaal leven te hebben, maar negatieve ervaringen als gevolg van hun sociaal (on)vermogen zorgen er in veel gevallen voor dat men op dat gebied grote beperkingen voelt.

Opgaan in afwijkende interesses

Mensen met het syndroom van Asperger kunnen intense preoccupaties koesteren. De precieze interesse verschilt per persoon; vaak is deze sterk gespecialiseerd en maakt op buitenstaanders een willekeurige indruk. Verzamelwoede komt veel voor: niet alleen van postzegels, maar ook ongebruikelijke soorten objecten zoals ventieldopjes. Ook het verzamelen van encyclopedische kennis over uiteenlopende onderwerpen komt veel voor. Kenmerkend voor Asperger (en autisme in het algemeen) is niet zozeer wat de precieze interesse is, maar vooral de intensiteit waarmee men zich ermee bezighoudt.

Hans Asperger noemde de kinderen met het syndroom van Asperger die hij observeerde, ‘professortjes’ omdat hij vaststelde dat de 13-jarige patiënten een even uitgebreid en genuanceerd beeld hadden over hun onderzoeksgebied als professoren. Maar typerend is dat het overzicht vaak ontbreekt. Ook sprak Hans Asperger over intelligentie-automaten, vanwege het idee dat deze patiënten alles met hun intelligentie doen, en hun gevoelsleven weggedrukt wordt en daarom niet of nauwelijks aanwezig lijkt te zijn. Ze werken letterlijk met een input en output met daartussen een (gecompliceerde) logische programmering met wat er telkens met de input moet worden gedaan, net zoals een automaat of robot.

Het is gewoonlijk wel zo dat iemand met het syndroom van Asperger gedurende zijn kindertijd een paar keer van interesse wisselt. In de puberteit komt de definitieve interesse gewoonlijk vast te liggen. Opvallend is wel dat een groot aantal Asperger-mensen hierbij vaak voor technische, wetenschappelijke, systematische, en bèta-vakgerelateerde interesses kiezen; vaak typische 'mannen-interesses'.

Dergelijke interesses bieden een kunstmatige geordende wereld, die iemand met Asperger respijt geeft van de onvoorspelbare en onhandelbare wereld van alledag. Het geeft een doel, uitdaging en bevrediging waarvan men de regie volledig zelf in de hand heeft. Het verslavende en verlossende effect is wel enigszins te vergelijken met dat van verslavende middelen. Mensen met het syndroom van Asperger hebben het moeilijk met de zingeving van hun leven, en religies zijn vaak moeilijk vanwege de grotere neiging naar het wetenschappelijke en de vaak rationele ingesteldheid van de persoon met Asperger. Meestal zijn ze dan ook beelddenker.

Kinderen en adolescenten met het syndroom van Asperger hebben doorgaans weinig geduld voor wat zich buiten hun interesses afspeelt. Op school worden ze gezien als hoogbegaafd omdat ze duidelijk beter presteren dan hun leeftijdgenoten in hun interessegebieden. Bij een aanzienlijk deel van mensen met het syndroom van Asperger ligt het IQ ver boven het gemiddelde. Anderen daarentegen zijn gemiddeld begaafd, maar zijn hypergemotiveerd om kennis op te doen.

De combinatie van beperkte sociale vaardigheden en intense belangstelling voor een bepaald gebied kan leiden tot ongebruikelijk gedrag. Dit wordt vaak beschreven als preoccupaties of stereotiep gedrag.

Volwassenen ontwikkelen echter meer tolerantie om te diversifiëren en de wereld en haar bevolking te verkennen.

Grote gedrevenheid, geduld en sterke fixatie en concentratie op het willen oplossen van een bepaald probleem, het willen begrijpen van een complex geheel of het willen bereiken van een bepaald beoogd doel, kunnen ook bijzondere resultaten of prestaties opleveren. Grote prestaties werden geleverd door mensen met een cognitieve stijl die sterk aan het syndroom doet denken.[9]

Zeker is dat het aspergersyndroom niet altijd een handicap is, maar ook zijn positieve kanten kent.[10] Het is niet ongebruikelijk dat mensen met het syndroom van Asperger hun beroep maken van de onderwerpen waar ze veel van af weten en waarin ze zich gespecialiseerd hebben.

Dwangmatig handelen

Veel mensen met Asperger hebben moeite realistische eisen aan zichzelf te stellen. Vaak wordt een interesse of handeling gekozen die te hoog gegrepen is. De belangstelling voor het onderwerp is in grote mate aanwezig, maar het overzicht, het inzicht in de essentie, ontbreekt. In praktische aangelegenheden leidt dat tot gepruts: uren onder de motorkap van een auto liggen zonder vuile handen te krijgen, of dagenlang met het aansluiten van een cd-speler bezig zijn zonder het beoogde resultaat. Meestal bestaat er geen plan B; de hulp van anderen inroepen is al helemaal geen optie. Extreem doorgevoerd kan dit gedrag leiden tot sociale gedragsstoornissen en emotionele afzondering. Verder is ook het obsessief en dwangmatig schoonhouden van bijvoorbeeld de auto, de verzameling tinnen soldaatjes of de audioapparatuur typerend.

Anderzijds kan de enorme gedrevenheid, geduld en extreme fixatie en concentratie op het oplossen van een bepaald probleem, het willen begrijpen van een complex geheel of het willen bereiken van een bepaald beoogd doel, bijzondere resultaten of prestaties opleveren. Van diverse uitvinders en wetenschappers (bv. Albert Einstein en Isaac Newton) wordt daarom wel vermoed dat ze aan de stoornis geleden hebben.

Bijzonder taalgebruik

Mensen met het syndroom van Asperger staan reeds in hun kinderleeftijd bekend om hun pedante manier van spreken. Hun taalgebruik is vaak opvallend formeel en barok voor de gegeven situatie; ook komen ze vaak autoritair over, door de stelligheid van hun uitspraken en vaak een eentonige uitspraak. Mensen met het syndroom van Asperger kunnen vaak heel erg lang over hun specialisme blijven praten (dit wordt fiepen genoemd), terwijl de ander er eigenlijk al geen interesse meer voor toont. Het syndroom wordt in het Engelse taalgebied dan ook soms het Little Professor Syndrome genoemd.[11] Zij kunnen echter uitblinken in spelling en genieten van dictees en van het uitleggen van spelling- en grammaticaregels, ze kunnen lezen en voorlezen als kinderen die jaren ouder zijn; dit alles staat los van de inhoud van de tekst, die ze misschien niet eens begrijpen (hyperlexie).

De mens met Asperger wekt met zijn manier van spreken vaak hilariteit, of juist dodelijke ernst; dit kan de aanzet zijn tot een imago als grappenmaker, waarbij de nadruk vaak zal liggen op taalgrappen (woordspeling, woordspel, kreupelrijm, satire) en absurde humor; juist niet op serieuze kritiek of op situationele humor waarbij interactie tussen mensen van belang is.

Hoewel mensen met het syndroom van Asperger over het algemeen geen stoornis in hun taalontwikkeling en spraak hebben, kunnen zij wèl grote moeite hebben om een gesprek gaande te houden. Het kan voorkomen dat ze even niets meer weten te zeggen en dat ze niet of slecht uit hun woorden kunnen komen. Dit kan sterk afhangen van de situatie en het gespreksthema. Wanneer iemand met het syndroom van Asperger gewoon over koetjes en kalfjes moet praten zal hij sneller vastlopen dan wanneer het gaat over een van z'n interessegebieden of een ander zakelijk onderwerp. Mensen met het syndroom van Asperger vinden het dan soms ook erg wonderlijk dat neurotypische (op psychisch-neurologisch gebied ’typische’ doorsnee) mensen zomaar heel gemakkelijk over vrije onderwerpen kunnen praten en daarbij voortdurend uit de losse pols het gesprek op gang weten te houden.

De gesproken taal is voor hen vrijwel hetzelfde als de geschreven taal. Soms komt het voor dat ze eerder monologen dan dialogen houden en bijvoorbeeld hardop tegen zichzelf praten in plaats van tegen een ander. Ook het praten tegen voorwerpen kan wel eens voorkomen. Uiteraard weet de persoon met Asperger dat het voorwerp niets terugzegt en is het besef van de realiteit niet verstoord.

Ze spreken soms monotoon en zonder modulatie, waardoor geen verschil wordt gemaakt tussen ernstige en humoristische uitspraken. Echolalie evenals palilalie komen eveneens voor bij mensen met het syndroom van Asperger, alsook bij anderen uit het autismespectrum. Toch geven kinderen met het syndroom van Asperger vaak blijk van gevorderde mogelijkheden op vlak van taal in vergelijking met hun leeftijdgenoten.

Emotionele bijzonderheden

Iemand met het syndroom van Asperger heeft het soms moeilijk emoties van anderen te plaatsen, in het bijzonder de subtiele boodschappen door gelaatsuitdrukkingen, oogcontact en (intiem) lichamelijk contact. Ze zijn vaak sterk egocentrisch, maar lang niet altijd egoïstisch.

Mensen met het syndroom van Asperger zijn vaak emotioneler dan anderen, maar het vermogen om deze emoties te kanaliseren en op een maatschappelijk aanvaardbare manier te uiten, ontbreekt. Bedoelingen opnemen en de vorm om hun eigen bedoelingen te uiten, is bij mensen met het syndroom van Asperger moeilijk te realiseren. Veel mensen met het syndroom van Asperger kunnen dit goed inzien en beseffen terdege wanneer iets aanvaardbaar of juist afwijkend overkomt. Hierdoor zijn ze vaak in staat alternatieve strategieën te vinden en geven zij, in tegenstelling tot mensen met autisme, dikwijls blijk van gevorderde mogelijkheden om gepast en ogenschijnlijk normaal naar anderen te reageren.

Een persoon met het syndroom van Asperger kan, wanneer zaken op een onverwachte manier gaan, last krijgen van emotionele spanning. Terugtrekking, vluchtgedrag, kwaadheid, agressie, paniek of een huilbui kan dan bij sommigen het gevolg zijn. Voor de buitenwereld zijn deze autistische reflexen en uitingen niet altijd te begrijpen. Daar waar neurotypischen juist op mensen afstappen, communiceren en heftig in gesprek gaan wanneer ze een probleem hebben, vluchten de mensen met het syndroom van Asperger juist weg van deze andere mensen en kunnen soms totaal onbereikbaar worden. Bij telkens terugkerende of blijvende problemen bij een persoon met het syndroom van Asperger kan een groot wantrouwen, achterdocht of onherstelbare haat ontstaan naar de niet-autistische buitenwereld.

Het merendeel van de wetenschappelijke informatie over het syndroom van Asperger heeft betrekking op kinderen. Over hoe het syndroom bij volwassenen tot uitdrukking komt, hebben we momenteel meer vermoedens dan harde feiten, onder andere omdat het syndroom voor een niet-Asperger moeilijk te begrijpen is. Men veronderstelt dat de meeste mensen met het syndroom van Asperger na verloop van tijd met de symptomen leren omgaan. Het verkrijgen van inzichten over de emotionele intelligentie is dan ook meestal bepalend of iemand met het aspergersyndroom eigen of andermans gevoelens en/of emoties goed begrijpt. In enkele gevallen is juist sprake van extreem véél inzichten qua mensenkennis, maar dat houdt ook dikwijls verband met overgevoeligheid, wat als de keerzijde van de medaille gezien kan worden.

Met uitzondering hebben Aspergers dus wél een volledig (in de breedte) ontwikkelde meervoudige intelligentie (dus óók de emotionele intelligentie), waarbij het bewustzijn en onderbewustzijn (inclusief gevoelens en herinneringen) nagenoeg één zijn, wat waarnemingen gevolgelijk doet herkennen binnen het geheel van de werkelijkheid die dan letterlijk volledig wordt begrepen (is zónder woorden, en alleen wat begrepen is, wat de begrippen samenhang geeft). Er is dan een onbewuste alertheid die automatisch (intuïtief) let op opvallende kenmerken (mensen zónder een vorm van autisme hebben een alertheid naar bewuste beredeneringen gevolglijke, bijbehorende begrippen), waaronder (nog) onbekende verschijnselen en begrippen erover, welke meestal al terstond een bepaald begrip duidelijk maken dat intuïtief bewust wordt. Het gehele gebeuren speelt zich af binnen fracties van seconden. Vanwege dat introspectie dan een samenwerking is van zowel het bewuste als het onbewuste binnen het eigen brein, alsook extraverte perspectieven zich ontwikkelen, worden eveneens bewuste én ook onbewuste verschijnselen, uitingen en gedrag van anderen opgevallen en herkend en vervolgens begrepen. Dit volledig begrijpen is al zo als kind, vanwege dat binnen het brein de woordelijke beredeneringen, die dus belemmerend zijn ten aanzien van het begrijpen, simpelweg niet aangeleerd worden, met andere woorden eenvoudigweg overgeslagen (wel de betreffende begrippen temeer). In principe zijn woordelijke beredeneringen slechts ontstaan, bedoeld en ontwikkeld dan wel aangeleerd ter communicatie tussen personen onderling danwel tussen communicatiemiddelen en personen. Echter hebben de woordelijke beredeneringen zich in het algemeen meester gemaakt over het denken van mensen, wat het verkrijgen van een groter begrip onbegrepen veel belemmert. Blijkbaar is deze erfelijke aanleg alleen het geval bij mensen met het Aspergersyndroom, maar is die begrijpende manier van denken wel aan te leren bij mensen zonder dit syndroom, door een kind van begin af aan hetgeen te begrijpen valt van wat duidelijk gemaakt moet worden, zo duidelijk mogelijk te laten begrijpen alvorens de betreffende woorden aangeleerd worden, waarmee men het groter, gedetailleerder, samenhangender begrip, dat inmiddels aangeleerd was, kan communiceren, maar wat slechts een uiterst toegespitste omschrijving van het bedoelde begrip is. Ondanks dat woorden niet gehanteerd worden binnen het denken, zal er bij een in de breedte ontwikkelde m.i. wel een groot vocabulaire aanwezig zijn, dat tijdens bijvoorbeeld een gesprek wel vloeiend en zonder oponthoud de aanzienlijk snellere gedachten kan doen uiten. Ook kan tijdens het spreken (in een gesprek) over iets anders gedacht worden, wat zéér kortstondige momenten zijn, en wat een reactie, interactie of mogelijk een anticipatie is die op een natuurlijke wijze terstond in het gesprek verwerkt kan worden. Aspergers die zich wél in beide perspectieven van de e.i. hebben kunnen ontwikkelen, nemen veelal kleine gedragingen, bewegingen, houdingen e.d. die als positief herkend worden van/bij andere personen over, en maken ze onbewust eigen, en waar ze zich vaak wéér bewust van worden als ze bezig zijn het onbewust reeds te uiten (intuïtief gedrag).

Diverse kenmerken

Mensen met het syndroom van Asperger hebben een diversiteit aan zintuiglijke, ontwikkelings- en psychologische bijzonderheden. Fijne motorische vaardigheden kunnen bijvoorbeeld vertraagd zijn, en er kan sprake zijn van een merkwaardige manier van lopen of een gepreoccupeerde manier van vinger-, hand-, arm- of beenbewegen. Typerend is ook dat motivatie een erg belangrijke rol speelt. Wanneer iemand met het syndroom van Asperger een bepaalde sport of muziekinstrument tot zijn interesse maakt kan hij op zo'n deelgebied wèl uitblinken. Het valt verder op dat wat sport en spel betreft vooral voor individuele en solistische activiteiten gekozen wordt.

Veel mensen met het syndroom van Asperger denken heel concreet en zijn beelddenkers. Alles wat visueel wordt waargenomen wordt bijna letterlijk als foto's en video's opgeslagen. Ook het ruimtelijk inzicht is vaak zeer sterk ontwikkeld. Dit gaat enkel op wanneer de persoon het overzicht van de situatie of omgeving ziet. In een nieuwe omgeving kan iemand met het syndroom van Asperger soms helemaal verdwalen en wanneer er geen duidelijke plattegrond is in paniek raken. Sommigen kunen weliswaar heel goed kaartlezen, maar wanneer de werkelijkheid in een klein detail afwijkt van de kaart, kan dit grote verwarring, paniek of frustratie veroorzaken. Anticiperen en dingen rustig op creatieve wijze oplossen is een houding die niet vanzelf gaat maar die aangeleerd moet worden.

Ook het (langetermijn) geheugen werkt soms anders bij mensen met Asperger. Veel neurotypische mensen herinneren zich de dingen van vroeger vaak in een globale trant, als een verhaal. Mensen met het syndroom van Asperger onthouden soms minder de gebeurtenissen in een totaal-verhaaltje, maar eerder in losse opeenvolgingen van zeer gedetailleerde scènes. Ze kunnen zich dan gebeurtenissen of details herinneren in een mate die neurotypische mensen opmerkelijk vinden.

Veel mensen met het syndroom van Asperger voelen zich aangetrokken tot orde en routine, terwijl verandering in die routines en vaststaande ordes bij sommigen angstaanvallen of irritatie kan veroorzaken. Er zijn er echter ook die juist heel onregelmatig leven en heel moeilijk routines kunnen inbouwen in hun leven.

Overgevoeligheid voor tast, geluiden en smaken komt soms voor. In principe kunnen alle zintuigen beter werkzaam zijn (hersenen), zoals i.p.v. ongeveer 20 beeldjes per seconde ongeveer 32 beeldjes per seconde te zien of door ultrasound kunnen horen. Deze tot overprikkeling leidende overgevoeligheid maakt dat men zich slechter kan concentreren. De gevoeligheid voor onregelmatige prikkels is vaak groter dan voor regelmatige. Sommigen zijn zelfs extreem gevoelig voor harde geluiden of sterke geuren, of houden er niet van aangeraakt te worden. Het tikken van een klok of het druppelen van water kan tot razernij leiden. Te fel of knipperend licht zoals tl-verlichting en te felle kleuren kunnen voor sommigen letterlijk een marteling zijn, maar de meeste personen met het aspergersyndroom zijn hiervoor niet zo extreem gevoelig. Wel hebben velen bijvoorbeeld moeite om in een lawaaiige omgeving geluid te filteren, waardoor ze andere mensen in een lawaaiige omgeving niet goed kunnen verstaan.

Ook onderprikkeling is mogelijk, men reageert dan niet of nauwelijks op bepaalde prikkels, soms zelfs niet op hevige pijnprikkels. Dit komt echter vaker voor bij andere stoornissen in het autismespectrum.

Daarnaast kunnen mensen met het syndroom van Asperger te maken hebben met perifere problemen, zoals klinische depressie, oppositioneel-opstandige gedragsstoornis, syndroom van Gilles de la Tourette, angststoornissen (met name obsessief-compulsieve stoornis en fobieën). Er zijn ook Aspergers die gediagnosticeerd worden met dysgrafie, dyspraxie, dyslexie of dyscalculie. Mensen met het syndroom van Asperger vertonen soms kenmerken van depressie als gevolg van de matige communicatie met, en het onbegrip van, de buitenwereld.

Gevolgen van het syndroom van Asperger

Kindertijd

Mensen met het syndroom van Asperger ervaren vaak problemen in de sociale relaties met leeftijdgenoten. In hun kindertijd zijn het dikwijls de 'studiebollen zonder vrienden', (als ’nerds’ beschouwd) die vaak alleen spelen en weinig bezig zijn met vriendjes maken, of dit wel proberen, maar zonder resultaat. Typische scenario's zijn bv. het alleen rondlopen op het schoolplein, altijd in de eigen gedachten verzonken zijn en altijd met enkel de eigen interesses bezig zijn, soms met en soms zonder eventueel geïnteresseerde toeschouwers om hem heen. Soms wordt met verbazing naar kinderen met het aspergersyndroom gekeken hoe goed ze 'zichzelf kunnen vermaken' zonder hulp of meedoen van anderen. Ook komt het soms voor dat een kind met het aspergersyndroom een gefantaseerd vriendje voor zichzelf creëert, in een eigen fantasiewereld of in de echte wereld (bv. een bepaalde knuffel, een huisdier of een object behorend bij z'n hobby/interesse).

Ook worden ze in hun kindertijd en adolescentie vaak het lijdend voorwerp van menig plagerij en pesterij op school door hun afwijkend gedrag, taal, interesses en hun beperkte mogelijkheden om sociaal aangepast gedrag te vertonen, en niet of op onverwachte wijze op non-verbale signalen te reageren. Vaak zijn mensen met het syndroom van Asperger zich niet bewust dat ze gepest worden of werden, en geloven dat hun pesters hun vrienden zijn, terwijl anderen meteen zien dat deze vrienden achter hun rug hem uitlachen. Anderzijds zijn er ook veel Aspergerkinderen of -jongeren die in hevige en diepe depressies raken omdat ze bijna doodgepest worden. Ook wordt tegenwoordig in onze huidige maatschappij soms standaard van de kinderen verwacht dat ze zichzelf sociaal weerbaar maken, van zich af leren bijten en op de juiste manier voor zichzelf op leren komen. Door het vaak zwakkere EQ van de leerling met Asperger zijn dit juist net de dingen die ze niet, slecht of matig ontwikkelen. Aangezien ze vaak meer in hun eigen wereld leven en vaak meer met zichzelf bezig zijn dan met anderen, hebben ze minder interesse in de buitenwereld en zullen ze zich logischerwijs niet zoals anderen 'automatisch' met de wereld om hen heen gaan bezighouden. Vaak denken ze dat alles gebaseerd is op het leren in de les, en ontbreekt het besef dat sommige dingen nou eenmaal niet op school voorgedragen worden, maar al nadenkend tijdens het leven vanzelf in gedachten ontdekt, geleerd of uitgevonden moeten worden.

Daarenboven nemen deze kinderen dingen vaak extreem letterlijk en hebben het moeilijk om sarcasme en cynisme op te pikken. Het kan zijn dat iemand met het syndroom van Asperger denkt dat iemand een grap maakt, terwijl die het ernstig bedoelt (of andersom, dat een grap serieus opgevat wordt). Kinderen of tieners met het syndroom van Asperger kunnen vaak niet onderscheiden wat er nou net verkeerd is gegaan en waarom. Zij die zich wel bewust zijn van fouten, hebben dat heel vaak pas later door. Toch is het ook mogelijk voor iemand met het syndroom van Asperger om het sarcasme te zien, maar gewoon simpelweg te negeren, en zo conflict te vermijden.

Kinderen met het syndroom van Asperger zijn, in tegenstelling tot andere kinderen uit het autismespectrum, aanvankelijk heel actief sociaal zoekend. Naarmate hun beperkte sociale vaardigheden hun tegenslagen opleveren, zullen ze zich terugtrekken en uiteindelijk mogelijk antisociaal gedrag vertonen.

De combinatie van beperkingen en uitzonderlijke mogelijkheden die deze camoufleren kan soms leiden tot problemen met leraren of directie of medeleerlingen (gepest of verstoten worden). Sommige mensen met het syndroom van Asperger negeren of beseffen soms niet hun autoriteit, omdat dit een sociale conventie is. Ze behandelen iedereen dan een beetje hetzelfde, los van hun sociale positie. Sommige kinderen met het syndroom van Asperger gaan bij leraren vaak door voor probleemleerling. De beperkte tolerantie voor ordinaire opdrachten zonder uitdaging maken dat een kind met het syndroom van Asperger een lagere frustratiedrempel heeft en arrogant en ongedisciplineerd kan overkomen. Het kind zelf kan als gevolg daarvan agressie-aanvallen en vluchtgedrag vertonen.

Veel mensen met het syndroom van Asperger hebben een extreem moreel gevoel, en zullen minder snel geneigd zijn om dingen te doen die niet mogen en juist wel respect hebben voor gezaghebbenden zoals leraren en directie. Het komt vaak voor dat ze een voorbeeldleerling zijn omdat ze zich (meer dan anderen) aan de regels houden en goede resultaten halen. Dit extreme morele besef kan ook juist tot uiting komen wanneer de Asperger-leerling doorgaat als probleemleerling met veel gedragsproblemen. Bijvoorbeeld door spontaan strafregels te gaan schrijven of op eigen initiatief naar de directeur te stappen en overdreven te gaan biechten. Ze motiveren het vaak zo dat ze de straf verdienen en hebben soms ook een sterk of wat overdreven rechtvaardigheidsgevoel.

Hoewel het leren op school vaak geen probleem is, kunnen er wel problemen ontstaan bij bijvoorbeeld stages of opleidingen met weinig structuur zoals lesmethoden waarin niet klassikaal les wordt gegeven. Bij dergelijke lesmethoden worden scholieren aan hun lot over gelaten, ze moeten zelf studeren en naar de leraar stappen wanneer ze een probleem hebben. De stap om naar de leraar te stappen, kan voor veel mensen met het syndroom van Asperger een te grote stap zijn en ook de ontbrekende structuur kan voor problemen zorgen. Ook de meer praktische kanten van het leren kunnen soms een obstakel vormen. Veel jongeren met het syndroom van Asperger hebben bijvoorbeeld meer moeite met het leren autorijden, en halen daarom bijvoorbeeld hun rijbewijs later dan veel anderen. Veel bestuurders met Asperger kunnen bijvoorbeeld heel moeilijk tegelijk een gesprek houden terwijl ze aan het rijden zijn, en rijden het liefst alleen. Juist het (drukke) verkeer wordt als een onvoorspelbare en chaotische buitenwereld ervaren waar ze zich niet in thuis voelen.

Volwassenheid

Algemeen

Veel mensen met het Aspergersyndroom zullen zich oppervlakkig gezien, net zo ontwikkelen als ieder ander. Pas als nauwkeurig naar zo'n persoon gekeken wordt of als de persoon uitgebreid psychologisch onderzocht wordt, zal blijken dat er iets aan de hand kan zijn. Mede hierdoor krijgen veel mensen met asperger relatief laat een juiste diagnose. Maar ook komt het voor dat alleen het kennis krijgen van de betekenis van het Aspergersyndroom of autisme al genoeg is om te ontdekken dat een persoon het syndroom van Asperger heeft. Een oorzaak voor late onderkenning is de grote onbekendheid van de stoornis in de maatschappij; ook onder medici en andere hulpverleners. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld ADHD, waar bijna iedereen enige kennis van heeft. Informatieverspreiding over het syndroom van Asperger is dus erg belangrijk.

Het komt regelmatig voor dat een persoon met Asperger een zelfdiagnose doet aan de hand van boeken of informatie van internet. Sommige mensen met Asperger hebben teleurstellende ervaringen door de blijkbare onkennis en onkunde van psychiatrische en medische hulpverleners. Het kan ook voorkomen dat iemand officieel of onofficieel met het label syndroom van Asperger wordt beplakt, terwijl deze mens zelf niet of nauwelijks problemen in zijn ontwikkeling heeft ervaren, zie bijvoorbeeld Bill Gates. Hieruit blijkt ook dat het syndroom van Asperger niet altijd een ernstige handicap of stoornis hoeft te betekenen, soms is juist het tegendeel het geval.

Veel mensen met het Aspergersyndroom erkennen hun beperkingen en proberen zich er aan aan te passen. Het lukt volwassenen met het syndroom van Asperger dikwijls zelf hun aanpassingsproces te regelen, zonder behandeling of begeleiding. Ze ervaren evenwel vaak dezelfde problemen als veel mensen met autisme. Het verschil is dat mensen met asperger op volle toeren hun -hoge- intelligentie gebruiken om hun aanpassingsproces vorm te geven, in tegenstelling tot lager functionerende autisten die soms levenslang hulpbehoevend en onaangepast blijven, èn in tegenstelling tot neurotypische (doorsnee aangepaste) mensen die bij hun aanpassingsproces zowel sociaal-emotionele vaardigheden als intelligentie gebruiken. Een gevolg is dat menig Asperger intellectueel verder ontwikkeld is dan de neurotypische mensen.

Mensen met het Aspergersyndroom kunnen zeer in hun specifieke interesses opgaan en hier erg bedreven in zijn, terwijl ze altijd moeite blijven houden met eenvoudige dingen zoals het huishouden. Soms is er zelfs sprake van inertie. De vaat doen vergt dan bijvoorbeeld veel moeite, wat soms de indruk geeft dat iemand met het syndroom van Asperger lui is. Velen maken daarom gebruik van een dagschema dat hun het leven vergemakkelijkt.

Mede door hun superieure aanpassings- en camouflagetechnieken, zijn er mensen met Asperger die zich niet realiseren dat ze voldoen aan de criteria voor dit syndroom. Door voorlichting en kennisoverdracht wordt deze groep wel steeds kleiner. Er komt geleidelijk aan wat meer begrip, aandacht en respect voor een groep mensen die vroeger vooral werd gezien als 'zonderling', 'niet-sociaal', 'eenzelvig' of 'contactgestoord'. Sommigen met Asperger hebben, tegengesteld tot andere Aspergers, een emotionele intelligentie die juist zéér ontwikkeld is, waarbij het begrijpend denken dus ook alles herkent op het persoonlijke vlak aangaande anderen en zichzelf. Deze automatische herkenning is al als kind aanwezig, vanwege dat van het begin af aan géén rechtlijnige, woordelijke beredeneringen gebruikt worden binnen het denken, wat tot gevolg heeft dat eveneens géén belemmeringen gevormd worden ten aanzien van het verkrijgen van een groter en vooral zekerder begrip van/over alles (alles wordt letterlijk immers begrepen zonder woorden). Aspergers welke wel hun e.i. ontwikkeld hebben, hebben veelal ook hun eigen tekortkomingen of typische Asperger-eigenschappen zodanig weten aan te passen, dat het zelfs geperfectioneerd kan zijn tot hetgeen iemand zonder Asperger mogelijk tot voorbeeld zal nemen. Zo kan er bijvoorbeeld als kind een zeer verlegen karakter van invloed zijn, die naar mate de volwassenheid vordert, tot zeer zelfverzekerd veranderd worden.

Van mensen die tot het autismespectrum behoren is het algemeen bekend dat ze veelal over veel spierkracht beschikken, zo ook die met het Aspergersyndroom. Vanwege dat ze zich sowieso goed op dingen kunnen concentreren, is dat ook het geval met een uitspatting (intuïtief, door het begrip van het moment) van kracht, waarop eveneens zeer geconcentreerd kan worden. Hoe meer hierbij emoties hun doorslag hebben, hoe meer kracht er vrij kan komen (niet ingehouden wordt), veelal als er sprake is van woede of angst. Wanneer gefocust kan er ook een uiterst snel reactievermogen zijn, wat dan accelereert.

Huisvesting

Wat betreft huisvesting zijn de meeste volwassen personen met het syndroom van Asperger in staat om (volledig) zelfstandig te wonen, hoewel sommigen (tijdelijk of gedeeltelijk) kiezen voor bepaalde externe ondersteuning, zoals begeleid wonen, interieurverzorging, administratie, financiën, etc., of zo lang mogelijk in het ouderlijk huis blijven wonen. Dit kan soms enkele praktische voordelen hebben voor de persoon met Asperger op o.a. financieel gebied en persoonlijke ontlasting. Met name het begin van zelfstandig wonen kan enige spanningen bij een persoon met Asperger teweeg brengen omdat hij als het ware nog 'ingewerkt' moet worden in het beheren van een huishouden, en het lastig kan zijn om op eigen initiatief dingen uit te gaan zoeken, te gaan telefoneren, dingen te gaan regelen etc. Daarnaast heeft iemand met het syndroom van Asperger soms meer moeite met nieuwe omgevingen en veranderingen van leefsituaties, waardoor soms (sterke) heimwee kan ontstaan. Zodra een persoon met Asperger eenmaal een zekere routine heeft aangeleerd, is het vaak ineens appeltje eitje en stelt de moeilijkheidsgraad niet zoveel meer voor. Routine, herhaling, kennis van zaken hebben en het weten en beheersen van dingen zorgt altijd voor meer rust in het hoofd van iemand met het syndroom van Asperger. Beschermd wonen of 24-uurs 1-op-1 begeleiding komt (in tegenstelling tot bij klassieke autisten) bij Aspergerpatiënten niet zoveel voor.

Werk

Mensen met het aspergersyndroom zijn niet gedoemd te lijden. De interesses in hun kindertijd kunnen hun mogelijk een betaalde baan opleveren, al blijven de sociale beperkingen vaak een niet te onderschatten drempel tot slagen. Ondanks hun vaak geleerde taalgebruik, veel algemene kennis en normale tot hoge intelligentie, ondervinden veel mensen met Asperger grote moeilijkheden om een betaalde baan te krijgen en te behouden. Ze kunnen een opleiding met succes afronden, maar scoren vaak onvoldoende op een sollicitatiegesprek of persoonlijkheidstest, of ervaren, als ze desondanks toch de betrekking krijgen, veel misverstanden of pestgedrag op het werk. Ook worden ze dikwijls ontslagen zonder dat ze goed begrijpen waarom .

Veel mensen met Asperger zijn dan ook werkloos of werken op een beschutte (Vlaanderen) of sociale (Nederland) werkplaats of hebben een soortgelijke dagbesteding. Ook werken veel mensen met asperger deeltijd i.p.v. voltijd, en/of zijn ze in een aantal gevallen gedeeltelijk of volledig arbeidsongeschikt verklaard. Een obstakel is vaak de onbewuste alertheid die vaak alles opvalt van/aan of rondom het doen-en-laten van een collega, wat dan weer z'n doorslag heeft in het eigen gedrag of mogelijk weer in de ander z'n gedrag. Vanwege dat niet op een beredenerende manier gedacht wordt maar op een begrijpende manier, kan er al snel een bepaald begrip ontwikkelen dat een voortzetting van het werk onmogelijk maakt, vanwege een teveel aan storende input tezamen met de overgevoeligheid die er al was.

In werksituaties zijn het vaak gedreven en soms harde werkers, in de zin dat ze niet of weinig kletsen met andere collega's, zich niet af laten leiden door het (sociale) gebeuren om hen heen en hierbij vaak gewoon stug doorgaan met werken, zonder onderbrekingen. Wanneer het werken vooral fysieke/motorische en/of veel wisselende handelingen betreft, kan soms inertie of onhandigheid optreden. Een aantal mensen met asperger trainen hierbij soms voortdurend zichzelf om hun zwakke plekken te verbeteren en te verbergen. Dit trainen kost hun soms meer tijd en moeite dan bij neurotypischen. Veel mensen met asperger gaan voor kwaliteit en perfectie, maar minder voor kwantiteit en snelheid.

Relaties

Mensen met het aspergersyndroom missen in meer of mindere mate de verfijnde vaardigheden die bij het leggen en onderhouden van relaties nodig zijn. Velen van hen ervaren grote moeilijkheden bij het vinden van een levensgezel, of raken gescheiden om tal van redenen buiten hun wil. Velen zijn een groot deel van hun leven alleenstaand en het hebben van een relatie is meer uitzondering dan regel. Dat kan een bewuste keuze zijn, maar vaker is men onvrijwillig celibatair. Juist bij mildere vormen van het aspergersyndroom komt de contactstoornis vooral tot uiting op het gebied van (intieme) relaties, liefde is immers niet logisch en analyseerbaar. Ook zijn er nogal eens informatieverwerkingsproblemen bij onder andere intimiteit, seksualiteit en aanrakingen, waardoor de partner teleurgesteld kan raken, miscommunicaties/misvattingen ontstaan, en de partner zelfs kan denken dat de persoon met Asperger misschien niet eens behoefte heeft, terwijl dat wel zo is.

Zelfs tot op latere leeftijd hebben veel mensen met het syndroom van Asperger het gevoel dat ze niet behoren tot de wereld rondom hen. In Amerika wordt het daarom wel eens gekscherend Wrong Planet Syndrome genoemd. Vele volwassenen met het syndroom van Asperger leven als individualisten en hebben zich er min of meer mee verzoend dat ze voor de rest van hun leven alleen zullen blijven.

Door het leiden van een vereenzaamd bestaan ervaren mensen dikwijls emotioneel gezien een lagere levenskwaliteit. Dit kan bij sommigen leiden tot moeilijkheden bij de zelfacceptatie, frustratie en depressie. De onbekendheid met de stoornis in de maatschappij, de onderschatting en het niet waarnemen van de problematiek zijn belangrijke oorzaken waardoor mensen met deze aandoening zich blijvend onbegrepen voelen en soms ten einde raad kunnen raken. In extreme gevallen kan het komen tot ernstige verwaarlozing of de wens een eind aan het eigen leven te maken.

Er zijn echter ook volwassenen met het syndroom van Asperger die wel degelijk trouwen, kinderen krijgen, een gelukkig gezinsleven ervaren, een universitaire titel krijgen en een goed betaalde baan hebben. Hiervoor is veel zelfkennis nodig, een focus op de eigen mogelijkheden, en aanpassingen aan en door de omgeving.

Ondersteuning

In Nederland

In Nederland zijn er diverse instanties waar mensen met een autistische stoornis terecht kunnen voor begeleiding of lotgenotencontact. Naast officiële instanties zoals de GGZ zijn er verenigingen als Personen uit het Autisme Spectrum (PAS) (welke zich richt op normaal begaafde volwassenen (18+) met autisme) en de Nederlandse Vereniging voor Autisme (welke zich vooral richt op ouders met autistische kinderen). De stichting AutSider biedt de mogelijkheid online te communiceren met mensen met een autistische stoornis via onder andere een Internet forum en een chatkanaal.

In Vlaanderen

In Vlaanderen kan een middelbare scholier met het aspergersyndroom rekenen op de steun van het geïntegreerd onderwijs. Dit houdt in dat er tot twee lesuren per week vrijgemaakt worden voor een GOn-begeleider. Daarnaast kan men bijvoorbeeld extra tijd voor een examen krijgen, een examen apart maken en informatie krijgen over relaties aangaan met leeftijdsgenoten.

Zie ook

Bronverwijzingen

  1. º Hans Asperger, Die „Autistischen Psychopathen“ im Kindesalter. In: Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheiten. Bd. 117, 1944, p. 73–136.
  2. º Christian Schanze, Psychiatrische Diagnostik und Therapie bei Menschen mit Intelligenzminderung, Schattauer, Stuttgart 2007, ISBN 978-3-7945-2422-8, p. 160
  3. º Dirk Arnold van Krevelen, The psychopathology of autistic psychopathy, in: Acta Paedopsychiatrica, 1962, Band 29, p. 22–31
  4. º Lorna Wing, The Relationship Between Asperger’s Syndrome and Kanner’s Autism, in: U. Frith (uitg.): Autism and Asperger Syndrome, Cambridge University Press, Cambridge 1991, p. 93–121
  5. º Miller, J. N., & S. Ozonoff Did Asperger’s cases have Asperger Disorder? A research note. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 1997, 38, 247-251
  6. º Klin A., Volkmar F. R., Sparrow S. S., Cicchetti D. V., Rourke B. P., Validity and neuropsychological characterization of Asperger syndrome: convergence with nonverbal learning disabilities syndrome., Journal of Child Psychology and Psychiatry. 1995 oct. 36(7):1127-40.
  7. º Lorna WIng, The History of Asperger Syndrome, 1998, p. 23.
  8. º Helen L. Gunter, Mohammad Ghaziuddin en Hadyn D. Ellis, Journal of Autism and Developmental Disorders, Volume 32, Number 4, 263-281: Asperger Syndrome: Tests of Right Hemisphere Functioning and Interhemispheric Communication
  9. º Michael Fitzgerald, The Genesis of Artistic Creativity — Asperger’s Syndrome and the Arts, Jessica Kingsley Publishers.
  10. º Jennifer Copley, 15 augustus 2008, Positieve kanten van het syndroom (vertaling 24 februari 2010)
  11. º The New York Times Magazine: The Little Professor Syndrome