Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Nedersaksisch

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

Het Nedersaksisch is een in Nederland en Duitsland officieel erkende streektaal die bestaat uit een groep niet-gestandaardiseerde Nederduitse dialecten. Deze worden voornamelijk gesproken in het noordelijke deel van Duitsland en in het noordelijke en oostelijke deel van Nederland (de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel, de Gelderse gewesten Veluwe en Achterhoek, en de Stellingwerven in het zuiden van Friesland).

Nederland erkent het Nedersaksisch officieel als streektaal en zegt er beperkte steun aan toe, zoals geformuleerd in hoofdstuk 2 van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Duitsland heeft het Europees handvest voor regionale en minderheidstalen geratificeerd (1998), in de Europese Unie is het echter een officieel erkende streektaal. De taalcode (ISO 639-2) van het Nedersaksisch is nds.

Aanduiding

De term "Nedersaksisch" werd tot in de jaren negentig van de 20e eeuw alleen gehanteerd door historisch taalkundigen en (vooral in de jaren vijftig) door een groep streektaalschrijvers en -activisten.[1] Sprekers van de Nedersaksische variëteiten refereerden aan hun dialect met de naam van een plaats of streek (Achterhoeks,Twents, Drents, Veluws, Elspeets enz.), of met de aanduiding Plat (ook Platduuts). Onder invloed van diverse streektaalbewegingen heeft de politiek het begrip overgenomen en uiteindelijk als streektaal erkend. Een uniforme cultuurtaal zit er nog lang niet in, mede doordat iedere poging van uniformering (spelling en woordenschat) als wezensvreemd voor de grote variëteit aan voornamelijk mondelinge dialecten wordt afgewezen.

Dialecten

Vanwege de grote verspreiding van het Nedersaksisch (oudtijds van Nimmersatt tot Blaricum) zijn er verschillende dialectvarianten ontstaan, die zich grosso modo in drie hoofdgroepen laten categoriseren:

  1. de oostelijke groep (Oost-Duitsland),
  2. de noordelijke groep (Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen, Groningen, Noord-Drenthe, Stellingwerf, de Kop van Overijssel) en
  3. de zuidwestelijke groep (Westfalen, Twente, Salland, Gelderland, Zuid-Drenthe).

In de Liemers wordt een Nederfrankisch dialect gesproken met Nedersaksische invloeden; in de Gelderse Vallei wordt een Hollands-Nedersaksisch overgangsdialect gesproken. Tot de oostelijke groep behoort ook het Plautdietsch, dat op geïsoleerde plaatsen in Oekraïne, Canada en in de Verenigde Staten nog wordt gesproken.

Zie ook hoofdstuk "Varianten van het Nedersaksisch".

In de middeleeuwen was het Nedersaksisch (Middelnederduits) een zeer prominente taal, die onder meer diende als officiële voertaal van de Hanze, maar in die hoedanigheid later door het Hoogduits werd verdrongen.

Expansie en neergang van het Nedersaksisch

In feite ontwikkelden zich in de Middeleeuwen drie algemene communicatietalen in het Duits-Nederlandse dialectcontinuüm:

  1. Hoogduits (waarvoor de Duitse dialecten van de deelstaten Saksen en Thüringen en de dialecten in het noorden van Bohemen toonaangevend waren),
  2. Nederlands (met aanvankelijk Brabants als toonaangevend dialect) en
  3. Oud-Nedersaksisch (met het dialect van Lübeck als toonaangevend dialect)

Het is hierbij verwarrend dat de naam "Nederduitsch" destijds zowel voor de tweede als de derde variant werd gebruikt.
Sinds de publicatie van de Bijbelvertaling van Luther begon het Oud-Nedersaksisch allengs meer en meer te wijken voor het Hoogduits.
In de 16e eeuw werd in de oostelijke delen van Nederland ook wel een tussenvorm tussen Nedersaksisch en (Vlaams-Brabants) "Nederdietsch" gepropageerd, onder de naam van "Oostersch", maar deze taalvorm kon de concurrentie met het Nederlands niet aan.

Dat het Nedersaksisch nog tot na de Middeleeuwen een "lingua franca" met een zekere expansiekracht is gebleven, blijkt uit het feit dat omstreeks 1500 de tevoren Friese dialecten sprekende Groningse Ommelanden onder invloed van de van oudsher Nedersaksische stad Groningen op het Nedersaksisch overgingen en dat een soortgelijk proces zich minder dan een eeuw later in Oost-Friesland herhaalde.

In de late Middeleeuwen oefende het Nedersaksisch een grote invloed uit op het Deens, en indirect ook op het Zweeds en het Noors, wat er in belangrijke mate toe heeft bijgedragen dat deze talen voor Nederlands- en Duitstaligen nog tamelijk gemakkelijk aan te leren zijn.

Teloorgang

De Nedersaksische streektaal wordt volgens dr. Geert Driessen van onderzoeksbureau ITS in Nijmegen (onderdeel van de Radboud Universiteit) anno 2006 nog door circa vijfentwintig procent van de volwassenen gesproken. Slechts vier procent van hun kinderen beheerst de streektaal nog. Het schaamtegevoel voor het "platproaten" heeft in de hand gewerkt dat ouders het de jongeren niet geleerd hebben. Boersheid en daarbijhorende domheid geven de streektaal ten onrechte een slecht imago.

Enkele karakteristieken

(Noot: deze kenmerken zijn opgeschreven door een moedertaalspreker van het Sallands met Oost-Veluwse en Drentse wortels. Alles wat wordt genoemd is derhalve Nedersaksisch, maar hoeft niet voor alle dialecten te gelden (of zelfs maar een weergave van "zuiver" Sallands te zijn). Het Gronings vormt de grootste uitzondering op veel van deze regels.

Fonetiek

  • Behoud van de /l/ in -ol(d/t)- clusters waar het Nederlands diftongeert naar ou (old = oud, kold = koud, holt = hout, zie ook plaatsnamen als Holten, Oldenzaal en Steenwijkerwold). In het Veluws wordt echter de /ou/ gebruikt (koud, hout etc.)
  • De in de middeleeuwen ook in het Nederlands nog aanwezige /i/ is nog niet verbreed naar ij (kiekn = kijken)
  • Een -n of -ng aan het eind van een lettergreep wordt genasaliseerd, wat wil zeggen dat de nasale medeklinker zelf niet echt wordt uitgesproken maar min of meer deel uitmaakt van de voorafgaande klanken, zoals dit op grote schaal in de geschiedenis van het Frans is gebeurd. Dit verschijnsel strekt zich ook uit tot gevallen als 'jaagn' (jagen), dat als /ja:əŋ(n)/ wordt uitgesproken
  • Intervocalische z, g, v vallen weg met verlenging van de voorgaande klinker (wezen → /wên/, wagen → /wa:əŋ/, Deventer → /Dêmter/). Merk op dat de verdwenen medeklinker wel invloed uitgeoefend heeft op de medeklinker die volgt: de -n van 'wagen' wordt door de -g- een /ŋ/, de -n- van 'Deventer' wordt door de -v- een /m/.
  • Nederlands 'er' → Nedersaksisch 'ar' (barg = berg, karke = kerk); Nederlands 'ui' → Nedersaksisch 'uu' of 'oe' → (boek = buik, roete = ruit, uut = uit). Het Veluws (vooral het West-Veluws) geldt als uitzondering op deze regel, in plaats van de korte /a/-klank wordt de lange /aa/-klank gebruikt (baarg, kaark)
  • Een -r- aan het eind van een woord of vóór een -t- verliest zijn stem en wordt tot een soort -h-, net als in (Brits) Engels (sport /spoht/, doar /do:əh/)

Grammatica

Naamwoorden

  • Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, vooral die met een eenlettergrepige stam, behouden in het enkelvoud een uitgang op -e (karke [v] vs. barg [m]). In het Veluws is dit niet het geval (kaark en baarg) in sommige dialecten zegt men echter wel 'schoele' of 'grege'.
  • Zelfstandige naamwoorden met een o, oo of oe in de stam krijgen een umlaut in het verkleinwoord (hoed → huudtien of heudjen, hond → höndtien of hundjen, boek → buukien of beukske, bok → bökkien)
  • Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden krijgen een umlaut (holt → höltn = hout, houten)

Voornaamwoorden

  • Objectsvorm van het persoonlijk voornaamwoord wordt veelal gebruikt in plaats van 'zich' (hee wast 'm = hij wast zich)
  • Net als in het Oudsaksisch en Oudengels wordt in sommige streken 'hee' voor zowel 'hij' als 'zij' (ev.) gebruikt. Dit kan soms tot verwarring leiden: wie wast wie in 'hee wast 'm'? Hij zich? Hij hem? Of zij hem?

Werkwoorden

  • De onvoltooid tegenwoordige tijd van het regelmatige werkwoord gaat in de zuidelijke Nedersaksische dialecten uit op -t in alle personen behalve de eerste enkelvoud: ik warke, ie warkt, hee warkt; wy warkt, ule warkt, zy warkt (ik werk etc.). In de noordelijke dialecten is dit in de genoemde gevallen altijd -n. In het Gronings is het ik waark, doe waarkst, hai waarkt, wie waarken, joe waarken, sai waarken. Deze isoglosse heet Eenheids-pluralislijn of Rijn-IJssellinie.
  • De infinitief kent altijd de uitgang -n (kykn = kijken), die onder invloed van de laatste medeklinker van de stam van het werkwoord kan worden uitgesproken als /m/ na een labiaal (loopn) of /ng/ na een gutturaal (jaegn)
  • De derde persoon enkelvoud o.t.t. van een sterk werkwoord krijgt geen -t uitgang, maar wordt gevormd door de stamklinker te verkorten (kiekn → hee kik = hij kijkt)

Varianten van het Nedersaksisch

Over de indeling van het Nedersaksisch bestaat geen eenstemmigheid. Bovendien lopen veel dialectgebieden over de grens door; het Gronings vormt met het Oostfries één dialectgebied, het Twents en het Achterhoeks sluiten aan bij het Westfaals. Dit geldt ook voor provinciegrenzen; het Veenkoloniaals wordt gesproken in de Groninger Veenkoloniën, maar ook in het noordelijke deel van de Drentse Veenkoloniën. Dit zijn dan de Drentse Monden. Dit wordt verklaard door de migratie van veenarbeiders vanuit Groningen. Van Barger-Compascuum en Zwartemeer tot en met Veenoord spreekt men varianten van het Zuid-Drents, veelal met invloeden vanuit Emsland. Interessant is ook het verschil tussen plaatsen waar men verwantschap zou verwachten door de naam; Weerdinge (Drents) en Nieuw-Weerdinge (Veenkoloniaals) of Schoonebeek (protestant-christelijk en Drents) en Nieuw-Schoonebeek (rooms-katholiek en Drents met veel Emslandse invloeden).

Nederland

Hoofdartikel.png Zie Nederlands Nedersaksisch voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Dialectkaart van Jo Daan

De onderstaande indeling is gebaseerd op de dialectkaart van Jo Daan[2]

Toelichting

De indeling van Jo Daan wordt het meest gehanteerd door de Nedersaksische streektaalorganisaties. De indeling die door de meeste mensen gebruikt wordt, verschilt hier wel wat van. Zo wordt het Westerkwartiers tot het Gronings gerekend, het Twents-Graafschaps tot het Twents en de Gelders-Overijsselse dialecten worden als aparte dialecten beschouwd. Het Noord-, Midden- en Zuid-Drents worden vaak gezien als dialecten van het Drents, in plaats van dat het Noordenvelds tot het Gronings gerekend wordt, en het Midden- en Zuid-Drents als aparte dialecten beschouwd worden.

Indeling

Duitsland

Het West-Nedersaksische gebied is ongeveer het oude Saksische woongebied uit de tijd van voor de oostkolonisatie. Het Oost-Nederduitse gebied is ontstaan door de oostkolonisatie in de Middeleeuwen. Hier zijn de dialecten sterker vermengd dan in het West-Nedersaksische gebied. Doordat er ook Nederlandstalige kolonisten waren, zijn er in sommige Oost-Nederduitse dialecten ook Nederlandse invloeden te bespeuren.[3]

Het belangrijkste verschil tussen het West-Nedersaksisch en het Oost-Nederduits zijn de uitgangen van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd (praesens). Het West-Nedersaksisch heeft over het algemeen een uitgang op -et, het Oost-Nederduits op -en. Bijvoorbeeld: wi, gi, se hebb(e)t in het West-Nedersaksisch, wi, gi, se hebben in het Oost-Nederduits.[3]

Taalvoorbeelden

Gebed: Onzevader

(Platt, Nedersaksen/Sleeswijk-Holstein)

Unse Vader in' Himmel!
Laat hilligt warrn dienen Namen.
Laat kamen dien Riek.
Laat warrn dienen Willen so as in'n Himmel,
so ok op de Eerd.
Uns' dääglich Brood giff uns vundaag.
Un vergiff uns unse Schuld,
as wi di vergeben hebbt,
de an uns schüllig sünd.
Un laat uns nich versöcht warrn.
Mak uns frie vun dat Böse.

(NB bovenstaande versie geldt niet voor het gehele genoemde gebied, regionale variaties zijn eerder regel dan uitzondering)

Lied: Ain boer wol noar zien noaber tou

(lied; elke twee regels worden 1 keer herhaald - Gronings)

Ain boer wol noar zien noaber tou
Hai, boer, hai!
Zien wief dai wol met hom goan
Dom, dom, dom, dai!
Nee, wief, doe most toeze bliev'n
Hai, boer, hai!
Most spinn'n en naai'n van
Dom, dom, dom, dai!
Dou boer weer in hoeze kwam
Hai, boer, hai!
Zee'e: Wief, wat hestoe wel doan
Dom, dom, dom, dai!
Moar 't wief kreeg tou bèrre stok
Hai, boer, hai!
En sloug hom dou op zien kop
Dom, dom, dom, dai!
En boer gong noar zien noaber kloag'n
Hai, boer, hai!
Mien wief het mie op kop sloag'n
Dom, dom, dom, dai!
En noaber zee: Net ziezo,
Hai, boer, hai!
Mien wief dai dut krek ziezo
Dom, dom, dom, dai!

Externe links

Bronnen

  1. º Zo had het in Groningen opgerichte literaire tijdschrift 't Swieniegeltje (1954-1959) een tijdlang de ondertitel 'Nedersaksisch tiedschrift'.
  2. º http://neon.niederlandistik.fu-berlin.de/langvar/dialects/dialectmapdaan/image_view_fullscreen
  3. 3,0 3,1 Willy Sanders, Sachsensprache, Hansesprache, Plattdeutsch, Göttingen 1982, ISBN 3-525-01213-6; p. 74-76