Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Middeleeuwen

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Periodes uit de
westerse geschiedenis

Met middeleeuwen wordt de periode tussen oudheid en nieuwe tijd aangeduid in de geschiedenis van Europa.

De Europese geschiedenis wordt gewoonlijk in drie perioden onderverdeeld: oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd.

Gewoonlijk laat men de middeleeuwen rond 300 na Christus beginnen. Ten aanzien van het einde van de middeleeuwen bestaat grotere consensus. De meeste historici laten de Nieuwe Tijd kort voor 1500 beginnen.

Algemene karakteristiek

De middeleeuwse maatschappij en beschaving zijn ontstaan uit drie duidelijk te onderscheiden bronnen: de Grieks-Romeinse beschaving, de Kerk – die beide op het grondgebied van het Romeinse Rijk ontstonden of verder ontwikkelden – en Germaanse tradities, die door later het Rijk binnenvallende volkeren zijn meegebracht. Daarnaast hebben ook de Kelten invloed gehad op de middeleeuwse cultuur, maar het is vaak moeilijk deze aan te tonen. Deze invloeden kunnen zich op allerlei terreinen uiten: in landbouwmethoden, rechtsgewoonten of bijgeloof.

Begin en einde van de middeleeuwen

In de loop der tijd hebben historici verschillende jaartallen aangewezen als begin van de middeleeuwen. De voorkeur voor het ene of het andere jaartal wordt veelal bepaald door de invalshoek van waaruit iemand de gebeurtenissen beoordeelt. Gewoonlijk wordt de teloorgang van het West-Romeinse Rijk in de 4e en 5e eeuw na Christus en de daarmee samenvallende Grote Volksverhuizing aangenomen als de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen. Vanuit deze visie werden enkele belangrijke jaartallen naar voren geschoven die het einde zouden kunnen markeren van deze periode:

  • 284, het begin van de regering van keizer Diocletianus en het begin van het Dominaat, is een duidelijke breuk in de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Diocletianus verdeelde als eerste het rijk in een westelijk (Latijns) en een oostelijk (Grieks) deel. De grens volgde min of meer de taalgrens, dwars over de Balkan.
  • 313, het jaar waarin het christendom een toegestane godsdienst werd in het Romeinse Rijk, is zowel politiek als cultureel van belang.
  • vanuit economisch en sociaal standpunt wordt wel 375 genomen als het begin van de Grote Volksverhuizingen die voedseltekorten in de steden veroorzaken.
  • 378, het jaar waarin het christendom staatsgodsdienst werd.
  • 395, het jaar waarin definitief een einde kwam aan de politieke eenheid van het rijk.
  • 476, De laatste West-Romeinse keizer, Romulus Augustulus, werd afgezet door de Germaan Odoaker, wat het einde van het West-Romeinse rijk betekende.
  • 732, het jaar waarin de Arabische veroveringen Europa een halt toegeroepen werd in de Slag bij Poitiers. De verbreking van de culturele eenheid rond de Middellandse Zee ten gevolge van de islamitische veroveringen zou de beslissende gebeurtenis zijn die het begin van de middeleeuwen inluidde. Dit idee werd door Henri Pirenne gepubliceerd in zijn postuum in 1937 verschenen boek Mahomet et Charlemagne. Deze Pirenne-these heeft tot grote internationale debatten geleid, maar vindt tegenwoordig vrijwel geen aanhang meer.

Het bepalen van zoiets als 'het einde van de middeleeuwen' is evengoed aan discussie onderhevig:

  • 1453, het jaar van de val van het Byzantijnse Rijk, kan als politiek einde gelden. Het Ottomaanse Rijk zou nog eeuwenlang op de Balkan en rond de Middellandse Zee zijn invloed uitbreiden. Ook kwam er in dat jaar een einde aan de Honderdjarige Oorlog. De traditie heeft lange tijd een voorkeur gehad voor dit jaartal.
  • 1492, het jaar waarin Columbus Amerika ontdekte, is ook het jaar waarin een einde kwam de Spaanse Reconquista ten koste van het laatste islamitische rijk in West-Europa: Granada viel als laatste bolwerk in handen van de Spaanse koning Ferdinand II van Aragón.
  • de culturele en intellectuele Renaissance, waarin een nieuwe visie op de Klassieke Oudheid, de mens en de natuur ontstonden; in Italië begon die al in de 14e eeuw met de dichter Petrarca en de schilder Giotto.
  • op religieus vlak was 1517 van groot belang, het jaar van de breuk tussen de hervormde en Rooms-Katholieke kerk (stellingen van Maarten Luther).
  • 1566 is voor de Nederlanden een late, maar aanvaardbare grens. De beeldenstorm, waarmee de doorbraak van het calvinisme gepaard ging, zorgde in veel steden niet alleen op godsdienstig, maar ook op politiek vlak voor een breuk. Niet alleen raakte de Katholieke KKerk haar monopoliepositie kwijt, ook de macht van de koning kwam ter discussie te staan. De gewesten eisten hun uit de Bourgondische tijd stammende traditionele bestuurlijke autonomie op, nu niet alleen met betrekking tot belastingheffing en benoeming van bestuurders, maar ook op godsdienstig terrein.

Traditioneel werd lange tijd het begin van de renaissance in de veertiende en vijftiende eeuw gezien als het einde van de middeleeuwen. Sommigen zien de grote ontdekkingsreizen naar het Indië en Amerika in de late vijftiende eeuw als het einde van de middeleeuwen. Men zou kunnen stellen dat de door de Renaissance ingezette mentaliteitsverandering de ontdekkingsreizen mogelijk heeft gemaakt. Deze reizen werden echter vooral ondernomen om het monopolie van het Ottomaanse Rijk op de handel tussen Europa en Azië te omzeilen, nadat dit rijk alle landen in het oostelijke Middellandse Zeegebied verenigd had en de specerijen uit Azië letterlijk peperduur werden.

De middeleeuwen worden vaak onderverdeeld in drie kleinere periodes:

  • Vroege of donkere middeleeuwen: 4e eeuw10e eeuw, worden gekenmerkt door het verval van het Romeinse Rijk, toenemende barbarisering en verschillende invasies, zowel van Germaanse stammen als van enkele steppevolkeren. De vroege middeleeuwen eindigen na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote, die de feodaliteit heeft geïntroduceerd. Er ontstaan kleine lokale vorstendommen.
  • hoge of volle middeleeuwen: 10e eeuw – 13e eeuw, worden gekenmerkt door het belang van de feodale structuren. Gaandeweg begint het centraal gezag zich te herstellen. De paus en de Duitse keizer zijn de belangrijkste machten. De Europese staten richten zich buiten Europa voornamelijk op het Midden-Oosten: dit is de tijd van de Kruistochten. In economisch en cultureel opzicht is dit een bloeiperiode.
  • Late middeleeuwen: 13e eeuw – 15e eeuw. De kennis meegebracht uit de kruistochten en opgedaan in de strijd tegen Arabische invallen in Spanje brengt een langzame overgang naar de nieuwe tijd. De Europese rijken richten hun aandacht buiten Europa op het Oosten. Door de opkomst van rijke steden vermindert de greep van het feodale systeem. De Zwarte Dood bereikt Europa: hele streken raken ontvolkt door de ziekte.

Herkomst van de benaming

De middeleeuwen danken hun naam ("middel-eeuwen", tussentijd) aan het feit dat men deze periode tijdens de Renaissance als een tussenperiode beschouwde.

West-Europa was immers na de ondergang van het Romeinse Rijk afgesneden van de klassieke cultuur en het kwam daar pas weer mee in aanraking tijdens de Kruistochten. De Arabieren hadden heel wat geschriften van klassieke schrijvers bewaard. Door de achteruitgang en de bedreiging door de Turken van het Byzantijnse Keizerrijk trokken Byzantijnse geleerden naar het veiliger Italië en namen de door hen verzamelde kennis uit de Oudheid mee die in Constantinopel bewaard was gebleven. Ook de plundering van Constantinopel door de kruisvaarders in 1204 bracht naast een aanzienlijke materiële buit ook veel in het Westen verloren gegane kennis, kunst, muziek en cultuur terug naar Europa.

Door hernieuwde kennismaking met deze antieke literatuur, filosofie, kunst, muziek en cultuur in het algemeen werden het Humanisme en de Renaissance feitelijk mogelijk gemaakt. Petrarca (ca. 1300) noemde deze periode de tijden van tenebrae (duisternis) en vanaf 1469 werd voornamelijk de term media tempestas (tussentijd) gebruikt.

Pas in de 17e eeuw (Christoph Keller en Georg Horn) werd de term medium aevum ('middeleeuwen') gemeengoed. Het kreeg een officiële status met het verschijnen van Glossarium mediœ et infimœ latinitatis van Du Cange in 1678. In 1698 verscheen van Christoph Cellarius de eerste geschiedenis van de middeleeuwen, Historia Medii Aevi.

Overigens wordt de term 'middeleeuwen' vooral toegepast op de geschiedenis van West-Europa na de val van het Romeinse Rijk. In bijvoorbeeld Oost-Europa wordt de term niet gebruikt voor de eigen geschiedenis: men is daar van mening dat het Romeinse Rijk pas gevallen is met de inname van Constantinopel in de 15e eeuw. Dus is er geen periode aan te wijzen als 'middeleeuwen' tussen de ondergang van het keizerrijk en de 'nieuwe tijd'.

In andere delen van de wereld zoals in China, India of de Arabische wereld spreekt men nooit over een 'middeleeuws' tijdperk in de eigen geschiedenis.

Het veranderende landschap

Al in de Oudheid waren de kustgebieden rondom de Middellandse Zee voor een groot deel ontgonnen ten behoeve van landbouw en veeteelt. Sommige dichtbevolkte streken, zoals Griekenland en Italië hadden zelfs al te maken met erosie van al te intensief bewerkte akkers en te grote graasdruk van vee, zodat de vegetatie zich niet kon herstellen. In de Romeinse tijd werden grote delen van West- en Midden-Europa ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw. Het hout uit de bossen werd gebruikt voor huizenbouw, scheepsbouw en brandstof. Tijdens en na de val van het West-Romeinse rijk liep de bevolking van West-Europa sterk terug en hele streken waren ontvolkt. De braakliggende akkers raakten weer bebost. Dit duurde tot ongeveer het jaar 1000. Daarna nam de bevolking weer sterk toe en er was behoefte aan nieuw ontgonnen landbouwgronden. Ook hadden de talrijke nieuwe dorpen en steden een grote behoefte aan hout voor woningbouw en brandstof. Hierdoor werden de Europese bossen opnieuw massaal gekapt. Daarna veranderden door intensieve begrazing door schapen en runderen hele landstreken rond dorpen en steden in heidevelden. Veel moerassige veengebieden, zoals in de lage landen, werden ontgonnen om over meer landbouwgrond te beschikken ten behoeve van de voedselvoorziening van de groeiende bevolking. Tegen 1500 was zo het oorspronkelijke oerbos-areaal in Europa beperkt tot het dunner bevolkte Scandinavië, Oost-Europa en moeilijker bereikbare berggebieden zoals Alpen en Pyreneeën. Het landschap van de lage landen bestond grotendeels uit heide- en veengebieden, afgewisseld met akkers en weiden. Het veen werd overigens op veel plaatsen in snel tempo afgegraven voor turf waar veel vraag naar was. Hierdoor namen de gebieden met veenplassen in Holland, Utrecht en Friesland sterk toe.

Vroege middeleeuwen: ca. 330 – ca. 950

West-Europa raakte ernstig in verval nadat het West-Romeinse Rijk onder de voet was gelopen door Germaanse volkeren vanuit het noorden en door de Hunnen vanuit het oosten. In 476 kwam er definitief een einde aan het West-Romeinse Rijk. Het Oost-Romeinse Rijk zou nog bijna duizend jaar bestaan als het Byzantijnse Rijk, tot de val van Constantinopel in 1453.

Germaanse rijken

Er waren vele volkeren op drift tijdens de Grote Volksverhuizing; ze plunderden alles wat ze tegenkwamen. De oostelijke Germanen (de Vandalen, Sueben en Alemannen) staken de Rijn over en rukten op naar het zuiden, terwijl de Visigoten de Balkan binnenvielen. De Vandalen trokken plunderend door Gallië en staken de Pyreneeën over. De Vandalen waren rovend door Italië getrokken, maar toen weer vertrokken. De Visigoten rukten vanuit het Oosten op naar Italië en Zuid-Frankrijk. Uiteindelijk zouden de Visigoten de Vandalen verdrijven uit het Iberisch Schiereiland. De Ostrogoten zouden zich vestigen in Ravenna. De Hunnen, die het Romeinse Rijk ook binnenvielen, zouden nooit een rijk stichten in Europa, mede doordat Germaanse volkeren tegen de Hunnen in opstand kwamen na de dood van Attila de Hun. De Angelen en Saksen staken vanuit Friesland, Jutland en Denemarken over naar Groot-Brittannië, verdreven de oorspronkelijke Keltische bevolking naar de westelijke uithoeken van het eiland en stichtten hun eigen koninkrijken. De Salische Franken zouden uiteindelijk bijna de volledige provincie Gallia veroveren, dat voortaan 'Frankrijk' zou heten, het rijk van de Franken. Het Byzantijnse Rijk, onder leiding van Justinianus I, veroverde in een poging om het Romeinse Rijk te herstellen Italië van de Ostrogoten, maar verloor dat weer aan de Langobarden. De Visigoten verloren rond 700 bijna heel Iberië aan de Moren. De Moren staken daarna de Pyreneeën over, maar hun opmars werd uiteindelijk in de Slag bij Poitiers gestopt door Karel Martel, de hofmeier van de Franken.

Door de plunderingen die gepaard gingen met de Grote Volksverhuizing nam de levensstandaard en het bevolkingsaantal in West-Europa behoorlijk af in vergelijking met de voorafgaande Romeinse periode. Veel van de barbaren kwamen in contact met de vroegere Romeinse bevolking en cultuur en zouden bepaalde elementen, zoals het christendom, dat door keizer Theodosius I rond 380 tot staatsgodsdienst was gemaakt, overnemen. Er is weinig schriftelijke informatie overgeleverd over de toestanden in die chaotische periode.

De enige organisatie die de val van het West-Romeinse Rijk had overleefd, was de Rooms-Katholieke Kerk, waarin de Germanen een grotere rol gingen spelen. De bisschop van Rome, beter bekend als de paus, werd de leider van de kerk. De kerk kreeg steeds meer invloed; zo bekeerde de Frankische koning Clovis I zich in 495 tot het christendom, samen met 3.000 van zijn krijgers.

Merovingische Rijk

Aan het einde van de 5e eeuw begon een cyclische beweging van vereniging en versnippering. Clovis I verenigde alle Frankische stammen onder zijn bewind. Na zijn dood werd zijn rijk volgens het Salische erfrecht verdeeld onder zijn vier zonen. Deze bevochten elkaar, maar werkten samen tegen de rest van Europa, waardoor ze erin slaagden de Germaanse stammen aan zich te onderwerpen. Het rijk werd pas definitief verenigd door Dagobert I, die in 639 stierf. De Merovingische koningen hadden maar weinig macht, ze lieten hun taken in toenemende mate over aan de hofmeiers (de 'huismeesters' die de Merovingische koning in het bestuur bijstonden). In Austrasië werd deze taak vanaf 687 uitgeoefend door de Pepiniden. Deze familie werd steeds belangrijker door het erfelijk maken van het ambt. De Merovingers bleven echter nog lang als schijnkoningen (ook wel vadsige koningen genoemd) op de troon.

De Moren, ook wel Saracenen genoemd, brachten in de 7e en de 8e eeuw de islamitische culturen naar de kusten van de Middellandse Zee. De inval van de Moren in 711 via Gibraltar op het Iberisch schiereiland betekende het einde van het al zo'n drie eeuwen oude Visigotische rijk, maar zorgde voor een aanzienlijke culturele verrijking. In 732 waren de Moren al helemaal tot Poitiers in centraal Frankrijk opgerukt, maar toen keerde het tij en kwam de later zo genoemde Reconquista op gang, die pas in 1492 voltooid zou worden.

In 681 eeuw werd in Bulgarije door Asparoech de eerste Slavische staat in Europa opgericht.

Karolingische rijk

Pepijn de Korte, hofmeier van Childerik III nam in de 8e eeuw de macht over van de laatste Merovingische koning en begon hiermee de Karolingische dynastie. Pepijn de Korte schakelde de paus in om zijn machtsovername te rechtvaardigen. Dit luidde een periode in van verbondenheid van de paus en de Frankische koningen, welke uiteindelijk zou leiden tot de keizerskroon voor Karel de Grote en de Pauselijke Gebieden. De invloed die de Byzantijnse keizer aanvankelijk nog had op Rome ging daarmee teloor; het oprukken van de moslims o.a. in Italië werd erdoor gestuit.

Door erfelijke opvolging bleef het Frankische rijk één geheel totdat Lodewijk de Vrome, die het rijk bijeen wilde houden ten behoeve van de rijks- en geloofseenheid, zijn keizerstitel doorgaf aan zijn oudste zoon en de anderen onderkoning maakte. De daarop volgende periode van broedertwisten leidde tot het splitsen van het Heilige Roomse Rijk in een West-Frankische Rijk (Karel de Kale), het Middenrijk van Lotharius I en een Germaans Rijk (Lodewijk de Duitser). Het Middenrijk van Lotharius werd het strijdperk van het West-Frankische en Germaanse rijk na de dood van Lodewijk de Vrome.

De Franken, onder leiding van Karel de Grote, wisten in de dertig jaar durende Saksenoorlogen rond 800 de Saksen en daarnaast ook de Longobarden aan zich te onderwerpen. Karel verenigde een groot gedeelte van het vroegere West-Romeinse Rijk en grote gebieden die erbuiten lagen onder zijn heerschappij. In 800 werd hij door paus Leo III gekroond tot keizer van het West-Romeinse Rijk, een titel die al sinds 476 niet meer was gebruikt. Na zijn dood zou zijn rijk eerst in drieën worden gedeeld, maar uiteindelijk zou het opgesplitst worden tussen West-Francië, dat aan de grondslag zou liggen van het Franse Koninkrijk en dat vanaf 987 Frankrijk genoemd wordt, en Oost-Francië, dat in 962 zou veranderen in het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.

In het late Karolingische rijk ontstond een standenmaatschappij, waaruit het feodalisme zou groeien. De Frankische koningen baseerden oorspronkelijk hun macht vooral op de jaarlijkse veldtochten (lees: plundertochten). De koning kon zijn mannen belonen uit de buit die daarbij behaald werd. Toen Karel de Grote een groot deel van Europa veroverd had, en er buiten zijn landsgrenzen eigenlijk geen rijke gebieden over waren om te plunderen, moest hij een andere methode bedenken om zijn mannen aan zich te verplichten. Bovendien was het rijk veel te groot voor de primitieve communicatiemiddelen van die dagen. De koning was gedwongen eindeloos rond te reizen om plaatselijk zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse op te eten, want deze werden veelal in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig; dit waren aanvankelijk een soort ambtenaren, maar de ambten werden steeds meer erfelijk, zodat er een adellijke aristocratie ontstond.

Militair, economisch en politiek beleefde Europa een diepe crisis in de 9e en de 10e eeuw. De Vikingen, die met hun drakkars buitengewoon bekwame zeelieden en daarnaast geduchte vechtersbazen waren, vielen binnen vanuit het noorden, de Magyaren via het oosten en de Saracenen vanuit het zuiden. Al deze volkeren lieten een spoor van verwoesting na. Het centrale gezag van de twee Frankische rijken wist geen weerstand te organiseren, waardoor de bevolking het vertrouwen in hun heersers verloor. Lokale machtige individuen zagen nu hun kans schoon om het machtsvacuüm op te vullen. Dikwijls waren dat kinderen van medewerkers van Karel de Grote.

Oost-Europa

Het Groot-Moravische Rijk ontstond in de 9e eeuw. De plaats van het Slavische rijk kwam ongeveer overeen met het latere Tsjechoslowakije. De Hongaren deden hun intrede in Europa aan het eind van de negende eeuw, toen ze als nomadenvolk vanuit de Zuid-Russische steppe over de Karpaten trokken. Onder Árpád en zijn opvolgers vestigden zij zich in het Karpatenbekken en namen het Groot-Moravische Rijk in. Gedurende een eeuw waren ze door hun strooptochten de schrik van Europa. In de Slag op het Lechveld werd hun een dermate grote nederlaag toegebracht, dat ze de bakens verzetten en besloten zich aan te passen aan hun christelijke buren. De kroning van de op Rome gerichte Stefan de Heilige als koning in het jaar 1000 werd daarvan het symbool. Hij was de eerste koning van Hongarije.

Het Kievse Rijk ontstond rond 880 door het samengaan van de gebieden der Waregers in Oost-Europa onder leiding van Rurik. Oleg van Kiev veroverde in 882 Kiev, dat toen de hoofdstad werd van het nieuwe rijk. In de loop van de 10e eeuw was het rijk op zijn hoogtepunt, toen vorst Svjatoslav I het rijk van de Chazaren vernietigde en vervolgens gebieden in de noordelijke Kaukasus innam en doordrong tot de Zee van Azov. Ook veroverde hij grote delen van de Balkan, met als laatste grote wapenfeit het Bulgaarse koninkrijk aan de Donau.

Demografische ontwikkeling

De Europese bevolking, die bij het begin van de jaartelling ongeveer 70 miljoen zielen telde (ter vergelijking: China 60 miljoen), kromp in de vroege middeleeuwen ineen tot 20-30 miljoen, niet vanwege massale slachtingen, oorlogsgeweld of grote hongersnoden, hoewel die ook een aanzienlijke tol eisten, maar vooral door destijds in Europa onbekende epidemische ziekten, die door de invallende steppevolkeren werden verspreid. De bevolking had hiertegen dus geen enkele weerstand en het sterftepercentage bij besmetting was meestal meer dan 50%. Bekend van kroniekschrijvers uit die periode is een gigantische sterfte in het Byzantijnse Rijk onder Justinianus in de 6e eeuw.

Sociale geschiedenis

Gedurende de hele middeleeuwen werd de maatschappij onderverdeeld in drie standen: geestelijkheid, adel en de boeren: zij die bidden, zij die vechten en zij die ploegen. Tot welke stand men behoorde werd door geboorte bepaald. Men kon alleen uit zijn stand geraken door geestelijke te worden.

Gemunt geld raakte in onbruik en ruilhandel werd een alledaags verschijnsel. Geld werd in deze tijd nog wel als middel gebruikt om de waarde van goederen uit te drukken. Handel en industrie kwijnden. De bevolking van de Romeinse steden ging sterk achteruit.

Het rechtssysteem verwaterde in deze tijd; elke stam volgde zijn eigen gewoonterecht. De Frankische vorsten reisden met heel hun gevolg van palts tot palts om de belastingen te innen en op te eten, en om recht te spreken. Het ontbreken van een duidelijk machtscentrum kwam de eenheid van het bestuur niet ten goede. Na Karel de Grote verloren de koningen hun controle over de lokale machthebbers, de graven en hertogen.

Gedurende de Vroege middeleeuwen nam de geletterdheid sterk af. Karel de Grote bevorderde het stichten van scholen in zijn rijk, waardoor de geletterdheid weer enigszins toenam. Toch moet men zich van deze Karolingische renaissance niet al te veel voorstellen.

Dagelijks leven

In de Vroege middeleeuwen was ongeveer 90% van de bevolking boer. De boeren waren doorgaans arm en ondervoed. Het leven was "wreed, hard en kort".

Adel en Kerk hadden veel macht. Omdat iedereen lid was van de Kerk, konden de geestelijken iedereen via de preekstoel beïnvloeden. Kerkelijke gezagsdragers waren vrijwel de enigen die konden lezen en schrijven, wat hun machtspositie nog vergrootte. Het aardse bestaan was in de middeleeuwen van ondergeschikt belang en het hele leven was gericht op het hiernamaals. De angst om in de hel te komen maakte de mensen onderdanig aan de machthebbers.

Kunst in de Vroege middeleeuwen

De kunst in de Vroege middeleeuwen was voornamelijk gebaseerd op de Klassieke Oudheid. Het zou tot het einde van de Hoge middeleeuwen duren tot er een echt vernieuwende kunststroming zou komen: (de gotiek).

In Oost-Europa, waar het Byzantijnse Rijk een voortzetting was van het Romeinse Rijk, ontstond in de 4e eeuw al de Byzantijnse kunst. De Byzantijnse kunst was een voortzetting van het Hellenisme. Er waren veel landen met nauwe banden met het Byzantijnse Rijk, zoals Bulgarije, Servië, het Kievse Rijk, de Republiek Venetië en het Koninkrijk Sicilië, die de Byzantijnse kunst overnamen. Byzantijnse mozaïekkunstenaars decoreerden de kerken van Ravenna zoals de Basiliek van San Vitale. Daarnaast verzorgden ze de goudmozaïeken van de Basiliek van San Marco in Venetië en maakten ze de grandioze mozaïekreeksen voor de Normandische heersers op Sicilië en Christus Pantocrator tussen Keizer Constantijn IX Monomachus en Keizerin Zoë in de Hagia Sophia van Istanboel.

In West-Europa duurde het tot 750 totdat er weer een opbloei kwam van de kunst. Onder invloed van de regeerperiode van Karel de Grote ontstond de Karolingische renaissance, de opleving van cultuur en wetenschap tussen circa 750 en circa 950. Ze werd vooral gecultiveerd aan diens hof en gedragen door de clerus. Tijdens de regeerperiode van de Karolingers was er sprake van een hernieuwde belangstelling voor de klassieke cultuur. Byzantijnse invloeden, culminerend in het afbeelden van de menselijke figuur, werden versmolten met de Germaanse, grotendeels abstracte, ornamentiek. Zo zijn veel klassieke teksten in het Latijn tot in onze tijd bewaard gebleven in de vorm van kopieën die in de Karolingische tijd zijn vervaardigd. Dit gebeurde vooral in kloosterbibliotheken, waarvan het aantal en de omvang sterk toenam tijdens en vlak na de regeerperiode van Karel de Grote.

Hoge middeleeuwen: ca. 950 – ca. 1270

De periode van de Hoge middeleeuwen is een belangrijke in de geschiedenis van West-Europa. In de wetenschap kwam de scholastiek op. In deze periode bereikten macht van de Rooms-Katholieke Kerk en de paus een hoogtepunt. De paus en de keizer verwikkelden zich in een lange strijd over de vraag wie van hen beiden eigenlijk de hoogste macht had. Deae macht uiite zich onder andere in de bevoegdheid tot het benoemen van bisschoppen, die evenals de paus zelf naast kerkelijke ook wereldlijke macht uitoefenden. Dit noemt men de Investituurstrijd. In Duitsland regeerde het Saksische huis met onder andere Hendrik I, Otto I, en Otto III, later het Frankische huis met onder andere Hendrik III en Hendrik IV. In Frankrijk was Hugo Capet de stamvader van de Capetingers en alle andere Franse koningen na hem, tot 1789. Engeland werd in 1066 veroverd door Willem de Veroveraar, hertog van Normandië, waarmee een pril Angelsaksisch rijk een krachtige Franse overheersing kreeg, die tot de dag van vandaag sporen heeft nagelaten, niet alleen in Normandische kastelen en in het Domesday Book, maar meer nog in de Engelse taal.

Na het jaar 1000 kwam er meer stabiliteit in het middeleeuwse Europa. Aan de invallen van de Vikingen, die lange tijd West-Europa hadden geteisterd, kwam een einde. In Spanje kwam de Reconquista tegen de islamitische Moren op gang (Zie ook verderop).

Door de verbeterende landbouwmethoden kon de bevolking gestaag toenemen. Talrijke nieuwe dorpen en steden werden gesticht. De bestaande, meestal door de Romeinen gestichte steden begonnen ook weer te groeien. Eveneens kwam de langeafstandshandel opnieuw op gang. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de reis van Marco Polo naar China. Vooral Noord-Italië, met de Repubbliche Marinare, en het graafschap Vlaanderen, met Brugge als knooppunt van de handel tussen Noord- en Zuid-Europa, groeiden in korte tijd uit tot rijke gebieden.

Vanaf 1080 ontstonden de eerste universiteiten en werd vooruitgang gemaakt in kunst en architectuur. In deze periode werden de grote Romaanse en later gotische kathedralen gebouwd. Door de toenemende welvaart konden de rijkere en machtiger steden stadsrechten afdwingen.

Dertiende eeuw

In 1204 werd het toen nog Byzantijnse Constantinopel ingenomen en vervolgens grootschalig geplunderd door de kruisvaarders, die ook vele relikwieën buitmaakten. De graaf van Vlaanderen, Boudewijn IX, werd gekozen tot keizer van het zogenaamde Latijnse keizerrijk (1204-1261), dat overigens nog grotendeels veroverd moest worden. Venetië maakte zich meester van enkele gunstig gelegen steunpunten en nam ook de 'bronzen paarden' mee. In 1205 verdween Boudewijn IX spoorloos. Vermoedelijk werd hij gevangengenomen door de Bulgaren.

Het Latijnse keizerrijk was geen lang leven beschoren. De Griekse bevolking stond uitgesproken vijandig tegenover de westerse heersers, die bovendien onderling verdeeld waren. De keizer van het Griekse deelrijk Nicea, Michaël Palaeologus, wist in 1261 de hoofdstad te heroveren. Het herstelde Byzantijnse Rijk bleef nog tot 1453 bestaan, maar was door deze gebeurtenissen ernstig verzwakt.

In 1212 vond de zogenaamde Kinderkruistocht plaats. Feitelijk zijn er zelfs meerdere 'kinderkruistochten' geweest, in Frankrijk en in het Rijnland. De Franse kinderen trokken onder leiding van een herdersjongen naar Marseille. Volgens de gangbare versie van het verhaal werden zij vervolgens door kooplieden naar Alexandrië verscheept om daar op de slavenmarkt verkocht te worden. De Duitse kinderen trokken de Alpen over. In Rome aangekomen ontsloeg paus Innocentius III hen tenslotte van hun kruistochtgelofte. De historiciteit van deze gebeurtenissen staat overigens ter discussie.

Egypte, dat geregeerd werd door de opvolgers van Saladin, was in deze tijd de sterkste islamitische macht. Daarom werd op het Lateraans Concilie in 1215 besloten dit land aan te vallen. Verschillende vorsten onder wie graaf Willem I van Holland, die in de ban was gedaan, en vele Friezen namen deel aan deze expeditie. Een belangrijke stad in de delta van de Nijl, Damiate, werd door de kruisvaarders veroverd. Sultan Al-Malik-al-Kamil was bereid om concessies te doen en bood zelfs aan Jeruzalem terug te geven. Men kwam echter niet tot overeenstemming en het kruisvaardersleger werd korte tijd later verslagen.

Meer succes had keizer Frederik II, die in 1228-1229 onder druk van de paus Palestina bezocht. Hij had in zijn jonge jaren de gelofte gedaan op kruistocht te gaan, maar leek niet de intentie te hebben deze gelofte na te komen. Paus Gregorius IX (12271241) had daarom een banvloek over hem uitgesproken. Frederik II kende Arabisch en door te onderhandelen met Al-Malik-al-Kamil slaagde hij erin Jeruzalem te verwerven. Daar werd hij tot koning van Jeruzalem gekroond. De paus had principiële bezwaren tegen onderhandelingen met de ongelovigen en plaatste Jeruzalem onder het interdict, zodat de mis er niet mocht worden opgedragen.

In 1244 werd Jeruzalem definitief door de moslims heroverd.

Koning Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) ging zelfs tweemaal op kruistocht. Zoals bijna alle middeleeuwers hechtte hij geloof aan de verhalen over priester Johannes, die geacht werd over een christelijk rijk in het Verre Oosten te regeren. Hij hoopte een bondgenootschap met deze christenvorst te sluiten en zond daarom Willem van Roebroek, een Vlaming, naar het Mongoolse hof te Karakorum. Kennelijk veronderstelde hij dat het Mongoolse Rijk het rijk van priester Johannes was. De paus zond ook een gezant, de franciscaan Giovanni di Piano Carpino, naar het oosten. De reisverslagen van de gezanten zijn bewaard gebleven en zijn samen met het verslag van Marco Polo een belangrijke historische bron. De Mongoolse Grootkhan was evenwel niet in samenwerking geïnteresseerd.

Tijdens de Zevende Kruistocht (12481254) werd wederom Damiate in Egypte veroverd. Nadat Lodewijk de Heilige gevangen was genomen moest een losgeld van 800.000 bezanten betaald worden.

De Mongolen maakten in 1258 een einde aan het kalifaat der Abbassieden. Toen zij verder naar het westen trokken werden zij in 1260 verslagen door sultan Baibars, die als leider van de mammelukken over Egypte heerste.

In 1291 werd het laatste steunpunt van de kruisvaarders, Akko, veroverd. Ook in de eeuwen hierna bleef in West-Europa het verlangen bestaan om het "Heilige Land" te bevrijden. Het gedicht "Vanden lande van oversee" van Jacob van Maerlant is hiervan slechts een voorbeeld uit een lange reeks traktaten die hiertoe opriepen.

Toen Constantinopel in 1396 door de Osmanen werd bedreigd, werd wederom een kruistocht georganiseerd. Het werd een groot fiasco: bij Nicopolis leed men een zware nederlaag en werd Jan zonder Vrees gevangengenomen. Na de val van Constantinopel deed zijn zoon, Filips de Goede, hertog van Bourgondië, de plechtige gelofte om op kruistocht de gaan. In zijn geval bleef het bij een voornemen. Ook hun nazaat keizer Karel V meende in het voetspoor van Godfried van Bouillon te treden toen hij in 1535 Tunis aanviel.

Spanje: de "Reconquista"

In 711 was het Iberisch schiereiland veroverd door de Moren. In de Spaanse historiografie bestaat de traditie om de in 718 geleverde slag bij Covadonga in het Cantabrisch gebergte te beschouwen als het begin van de Reconquista. Na zijn overwinning werd Pelayo gekozen tot koning van Asturië in het noorden van Spanje. In Baskenland ontstond rondom Pamplona in diezelfde tijd een vergelijkbaar klein rijkje, Navarra. De koningen van Asturië en Navarra waren vooral rijke boeren die van hun kudden leefden en in tijden van oorlog optraden als guerrilla-aanvoerder. De Moren waren duidelijk niet geïnteresseerd in het bergachtige noorden, al hielden zij er nu en dan slavenjachten.

In de volgende eeuw breidden de koningen van Asturië hun gebied uit door Galicië en León te veroveren. Voortaan noemden zij zich koning van León en Asturië. Doordat sommige koningen hun rijk onder hun zonen verdeelden, ontstonden een aantal christelijke staatjes. Dit waren: Castilië en Portugal in het westen, Barcelona en Aragon in het oosten.

Nadat er in de 9e eeuw een skelet was opgegraven dat aan de heilige Jacobus werd toegeschreven, ontwikkelde Santiago de Compostela zich tot een van populairste bedevaartsplaatsen van Europa. Kort voor 1000 werd het geplunderd door vizier Al Mansor van de kalief van Córdoba.

In 1236 veroverde koning Ferdinand III van Castilië de belangrijke Moorse stad Córdoba met zijn bibliotheek van ca. 400.000 werken (waaronder veel toentertijd onbekend werk van de grote klassieke schrijvers als Aristoteles). Ter vergelijking: de grootste bibliotheek in West-Europa (Parijs) bevatte in het begin van de 14e eeuw zo'n 2.000 titels.[1]

Muziek

De belangrijkste vernieuwing in de middeleeuwse muziek is de ontwikkeling van polyfonie, de 'meerstemmigheid'.

Ook werd geleidelijk een systeem van muzieknotatie ontwikkeld, zodat de notenbalk ontstond. Met de muzieknotatie ontstond ook het beroep componist.

De volgende stijlen kunnen worden onderscheiden: het Organum (11e eeuw) en de Ars Antiqua (ca. 1100 – ca. 1300).

Late middeleeuwen: ca. 1270 – ca. 1500

De Late middeleeuwen waren voor Europa een periode van crisis in velerlei opzicht. In economisch opzicht was er zelfs sprake van een algemene malaise die tot ongeveer 1475 duurde.

Een uitzondering op de algemene trend vormt de economie in de Nederlanden, waarvoor dit eerder een periode van economische expansie was. Hier waren vooral de jaren 1438 en 1439 jaren van crisis met torenhoge graanprijzen. Ook het decennium van 1482 tot 1494 was er ongunstig, en daardoor politiek onrustig.

Door enkele langdurige oorlogen, zoals de Honderdjarige Oorlog, en de pest viel in de 14e eeuw de economische groei stil. Door de grote sterfte kwam er een gebrek aan landarbeiders en arbeidskrachten. Volgens sommige onderzoekers was dit een sterke stimulans om mechanische en arbeidsbesparende verbeteringen door te voeren in de landbouw en in de ambachten, zoals mijnbouw en metallurgie. Hiermee werd de weg bereid voor de Nieuwe Tijd, tijdens welke de Europese (westerse) beschaving zich over de rest van de wereld zou verbreiden.

Langzaam groeide het centraal gezag ten nadele van de kleine heren. Er ontwikkelden zich geleidelijk sterke monarchieën in Frankrijk en Engeland.

Het Duitse Rijk was inmiddels een kieskoninkrijk geworden, hetgeen betekende dat de koning voortaan werd gekozen door zeven keurvorsten. Deze gaven er doorgaans de voorkeur aan het koningschap regelmatig van dynastie te laten wisselen. De eerste in deze reeks koningen was Rudolf van Habsburg (1273-1291). Evenals al zijn opvolgers streefde hij er in de eerste plaats naar zijn Hausmacht uit te breiden.

Vanaf 1350 begon voor het graafschap Holland, tot dan toe vooral een agrarisch gebied, een periode van economische expansie. Naast kustvisserij waren Hollandse schepen meer en meer betrokken bij handel en goederenvervoer tussen de Hanzesteden, Engeland en de Atlantische kust van Frankrijk. De Leidse lakenindustrie werd een geduchte concurrent van de oudere textielindustrie in Vlaanderen en Brabant. In Haarlem en Delft werd vanaf ongeveer 1350 bier gebrouwen voor de export.

Omdat het water in de meeste middeleeuwse steden niet schoon was, dronk men bier, dat in huis werd gebrouwen. De verkoop van de gruit, gemalen heidekruiden, was een monopolie van de landsheer. Vanaf de dertiende eeuw werd zwaarder hoppenbier, dat beter houdbaar is, geproduceerd in Hamburg en andere Duitse steden en vervolgens geëxporteerd. Een grafelijke biertol was gelegen in Amsterdam, dat hierdoor begon te groeien. Doordat er in Holland een overvloed was aan schoon water en een goedkope brandstof, namelijk laagveenturf, kon ook hier een bloeiende industrietak ontstaan.

Kort voor 1400 ging men ertoe over haring aan boord te kaken, wat de houdbaarheid van de vangst vergrootte. Hierdoor konden Vlaamse en Hollandse haringbuizen voortaan concurreren met de visvangst bij Skäne en werd de hegemonie van de Hanze langzaam gebroken.

Kunst en cultuur

De Florentijn Dante Alighieri (1265-1321) kan met recht beschouwd worden als de grootste middeleeuwse schrijver. In zijn jeugdwerk La vita nuova (Het nieuwe leven), een reeks gedichten verbonden door prozateksten, bezong hij zijn liefde voor Beatrice. Het hoogtepunt van zijn oeuvre was het meesterwerk Divina Commedia (Goddelijke comedie), een beschrijving van een reis door hel, vagevuur en hemel. Op deze reis wordt de dichter aanvankelijk vergezeld door de Romeinse dichter Vergilius, later door Beatrice. Dante schreef ook werken in het Latijn, waaronder De Monarchia, waarin hij het middeleeuwse keizerschap verheerlijkte.

Een generatie later bezong Petrarca zijn liefde voor Laura in een reeks Italiaanse sonnetten, de Canzoniere. Hij volgde hiermee zowel Dante als de troubadours na.

Ondanks een afname van de bevolking bezocht een groter aantal studenten dan voorheen de universiteiten. Dankzij het werk van François Villon (1431-na 1463) kunnen wij ons een goed beeld van hun levensomstandigheden vormen. In de traditie van de Vaganten dichtte hij "Lais" (Legaten) en "Testament". Villon schreef echter in het Frans en gebruikte ook nieuwe versvormen: de ballade en het rondeel. Opvallend aan zijn poëzie is zijn pessimistische en ironische toon.

De middeleeuwse filosofie was eeuwenlang gedomineerd door het denken van Aristoteles. Nadat het Latijn van Cicero door de humanisten tot norm was verheven nam de invloed van andere Griekse filosofen, waarvan het gedachtegoed door Cicero was nagevolgd, toe. In Florence ontstond een academie waar de filosofie van Plato werd onderwezen. Marsilio Ficino en Pico della Mirandola hielden zich bezig met allerlei wijsgerige systemen, waaronder de leer van Hermes Trismegistus, de joodse kabbala en astrologie, waar in deze tijd in geheel Europa grote belangstelling voor bestond.

Castiglione schreef voor de elite van deze tijd een handboek der wellevendheid: "Il Cortegiano" (De hoveling). Zijn idealen werden aan de renaissancehoven in praktijk gebracht.

Boekdrukkunst

De uitvinding van de boekdrukkunst met losse letters was een mijlpaal in de Europese geschiedenis. In het begin van de 15e eeuw werden zogenaamde 'blokboeken' gemaakt. Tekst en afbeeldingen werden in hout uitgesneden, waarna ze handmatig konden worden afgedrukt. Een kalenderblad voor het jaar 1448, gezet met loden letters, is bewaard gebleven. Het zou het werk kunnen zijn van Johannes Gutenberg, drukker te Mainz, die in 1455 of 1456 de beroemde Gutenbergbijbel vervaardigde.

Voor de traditie om deze uitvinding toe te schrijven aan Laurens Janszoon Coster ontbreekt ieder bewijs. De enige bron hiervoor is een verhaal van Hadrianus Junius, een eeuw later. Wel zijn er oude incunabelen bewaard gebleven die vermoedelijk in de Nederlanden gedrukt zijn.

De nieuwe techniek voorzag duidelijk in een behoefte en verbreidde zich snel. In de halve eeuw die volgde werden op diverse plaatsen in Europa drukkerijen ingericht. Het merendeel van de gedrukte teksten, bijbels, devote literatuur en heiligenlevens, had een uitgesproken conservatief karakter. Tegelijkertijd is de reikwijdte van humanisme en Hervorming zonder de drukpers niet te verklaren.

Beeldende kunsten

Noordelijk Europa

In het noorden ontwikkelde zich geen nieuwe bouwstijl, maar werd de gotiek voortgezet. Het aantal decoratieve elementen nam sterk toe. De drang tot imponeren leidde tot het bouwen van steeds hogere torens en grotere kerken. Een voorbeeld hiervan is de kathedraal van Beauvais, die dan ook onvoltooid bleef. Ook wereldlijke gebouwen, kastelen en paleizen, werden meer en meer een middel om de macht van hun bewoners tentoon te spreiden. Dit is duidelijk te zien aan het palais des papes te Avignon en het hertogelijk paleis te Dijon. Ook rijke patriciërs zoals Jacques Cœur maakten van hun woning een imposant gebouw.

De steden bouwden naast ringmuren en poortgebouwen, die dienden ter verdediging, ook grote openbare gebouwen als teken van hun rijkdom. Een voorbeeld hiervan is de lakenhal te Ieper. Veel van dergelijke gebouwen werden bovendien nog verfraaid met een zogenaamde belfort, een hoge toren.

Het is niet verwonderlijk dat in de kunsten de dood een steeds terugkerend thema was. Wie het kon betalen besteedde grote aandacht aan grafmonumenten. Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, schonk grote sommen geld aan het door hem gestichte klooster Champmol bij Dijon om hier zijn mausoleum te laten verrijzen. Het klooster is verwoest, maar de "Mozesput", met beeldhouwwerk van Claus Sluter, is gelukkig bewaard gebleven.

In de Late middeleeuwen ontstond ook onder leken de gewoonte om dagelijks een verkorte vorm van het officie te bidden. Hierdoor ontstond er vraag naar zogenaamde getijdenboeken, die voor welgestelde afnemers werden verlucht met schitterende miniaturen. Een hoogtepunt van deze kunst zijn "Très Riches Heures du Duc de Berry", gemaakt voor een broer van de Franse koning door de gebroeders Van Limburg. Het getijdenboek van Turijn, vervaardigd door de gebroeders Jan van Eyck, is echter verloren gegaan.

De uitvinding van de olieverf stimuleerde de paneelschilderkunst. Kleuren bleven beter houdbaar en behielden hun stralende helderheid. Opdrachtgevers waren de Kerk, vorsten en ook rijke burgers. Gewoonlijk werden de schilderingen geplaatst in een kerk. De opdrachtgevers lieten zichzelf op zijpanelen afbeelden, zodat een triptiek ontstond.

Een voorbeeld van een polyptiek is het schitterende Gentse altaarstuk, de "Aanbidding van het Lam Gods", in opdracht van Jodocus Vijdt geschilderd door Jan en Hubert van Eyck. Jan van Eyck, de meester onder de Vlaamse primitieven, schilderde ook portretten, onder andere het Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw.

Zowel het prachtlievende Bourgondische hof als de rijke Zuid-Nederlandse steden verstrekten in de 15e eeuw veel opdrachten, hetgeen veel kunstenaars aantrok. Tot de Vlaamse meesters behoren Rogier van der Weyden, Dirc Bouts en de Duitser Hans Memlinc.

Italië

De gotiek heeft in Italië nauwelijks navolging gevonden. Byzantijnse invloeden deden zich daarentegen tot laat in de middeleeuwen gelden. Een voorbeeld hiervan is de 13e-eeuwse kerk van Sint-Antonius te Padua, waarvan de koepels de San Marco-basiliek te Venetië imiteren. In de volgende eeuwen werden in toenemende mate Romeinse bouwelementen, zoals ronde bogen of een centrale koepel, toegepast. Een voorbeeld hiervan is de door Brunelleschi gebouwde Santa Maria del Fiore te Florence. In Rimini werd zelfs een kopie van een Romeinse tempel gebouwd, de "Tempio Malatestiano".

Leone Battista Alberti schreef in de 15e eeuw een verhandeling over deze nieuwe, klassiek geïnspireerde architectuur: "Tien boeken over de bouwkunst".

Ook beeldhouwers lieten zich door de klassieken inspireren en begonnen opnieuw vrijstaande beelden te vervaardigden. Donatello maakte rond 1450 het eerste ruiterstandbeeld van na de Oudheid: een beeld van generaal Gattamelata in Padua.

In de 14e- en 15e eeuw waren het vooral de schilders die in Italië nieuwe wegen insloegen. Een voorloper van hen was de Florentijnse schilder Giotto (ca. 1267–1337). De schilders slaagden erin perspectief en het verschil tussen licht en donker steeds realistischer weer te geven. Ook nam de kennis van de menselijke anatomie toe. Dit is bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar in het werk van Masaccio (14011428). Gaandeweg nam ook de expressiviteit van de afgebeelde personen toe.

Een hoogtepunt waren de mythologische en allegorische voorstellingen van Sandro Botticelli (1445-1510) met een tot dan toe ongekende kleurenpracht.

Het bestaan van meerdere schitterende renaissancehoven, die alle regelmatig opdrachten verstrekten, droeg aan de spectaculaire opbloei van de beeldende kunsten bij.

De kunsthistoricus Vasari introduceerde rond 1550 de term rinascità (wedergeboorte) om de breuk met de middeleeuwse traditie in de kunsten aan te duiden. Uit dit woord rinascità ontstond ons begrip 'Renaissance', oorspronkelijk dus een stijlperiode in de kunstgeschiedenis, als naam voor deze overgangsperiode tussen middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Onder invloed van de Zwitserse historicus Burckhardt hebben historici het verschil tussen middeleeuwen en Renaissance sterk benadrukt en als een radicale breuk in de historische ontwikkeling voorgesteld. Inmiddels is het besef gegroeid dat er veeleer sprake was van een geleidelijke overgang.

Muziek

In de muziek kunnen de volgende stijlen worden onderscheiden: de Ars Nova (ca. 1300 – 1450), het Trecento (Italiaanse muziek uit de 14e eeuw) en de Ars Subtilior (ca. 1425 – 1450).

Op de drempel van middeleeuwen en Nieuwe Tijd ontstond het onovertroffen oeuvre van Josquin Des Prez (ca. 1450 – 1521).

Humanisme

De term 'humanisme' is afgeleid van het Latijnse woord humanitas (menselijkheid); bovendien gebruikten Italiaanse geleerden en litterati in de veertiende en 15e eeuw ook zelf al het woord humanisten. De term 'humanisme' is echter pas in de 19e eeuw ingevoerd.

Gedurende de gehele middeleeuwen was Latijn de taal van de Kerk en van de wetenschap. Het middeleeuws Latijn week echter zowel in grammatica als in vocabulaire af van dat uit de Oudheid.

De Italiaanse humanisten waren zich van dit verschil sterk bewust en meenden dat het intellectuele leven hierdoor tot stilstand was gekomen. Zij hoopten door de taal van Cicero, Livius en Vergilius na te volgen een culturele opleving te bewerkstelligen. Daarom gingen zij naarstig op zoek naar oude manuscripten en herleefde ook de belangstelling voor het Grieks. Dankzij enkele Byzantijnse geleerden ontstonden er scholen en universiteiten waar ook Grieks werd onderwezen.

Baanbrekend was het werk van Francesco Petrarca (1304-1374), die met recht als de eerste humanist beschouwd wordt. Hij bezat weliswaar een handschrift van de Ilias en Odyssee, maar kon het Grieks niet lezen.

Zijn tijdgenoot Boccaccio, een andere vroege humanist, beheerste naast het klassieke Latijn het Oudgrieks al wel. Desondanks dankt hij zijn roem tegenwoordig vooral aan de novellebundel Decamerone, geschreven in het Italiaans.

Hoewel de humanisten zelf zeer trots waren op hun in perfect Latijn geschreven werken, wordt hun enthousiasme heden ten dage ook door classici zelden gedeeld.

In Duitsland en de Nederlanden ontwikkelde zich in de 15e eeuw een bijbels humanisme; dit propageerde een persoonlijker geloofsbeleving dan tot dusverre gebruikelijk was[2]. Deventer was het centrum van de 'moderne devotie', waarvan Geert Grote, opmerkelijk genoeg een leek, de grondlegger was. Het bijbels humanisme bestudeerde vooral de bronnen van het christendom, waaronder de teksten van de kerkvaders Augustinus en Hiëronymus.

De theoloog Nicolaas van Kues (Cusanus, 14011464) wordt als de eerste bijbelse humanist beschouwd. Hij probeerde de filosofie van Aristoteles met die van Plato te verenigen. Daarnaast verzamelde hij handschriften. Invloedrijke humanisten waren verder de Groningers Wessel Gansfort (1419-1489) en Rudolf Agricola (1443-1485). De belangrijkste van hen is uiteraard Desiderius Erasmus van Rotterdam (1466-1536). Hoewel vermaard om zijn eigen literair Latijn maakte hij de uitwassen van het humanisme belachelijk in zijn werk "Ciceronianus". Zowel Gansfort, Agricola als Erasmus maakten reizen naar Italië.

Deze noordelijke humanisten schreven niet alleen in een soepel en foutloos Latijn, maar maakten ook een studie van het klassiek Grieks en Hebreeuws. Zij gingen ertoe over om de Bijbel in zijn oorspronkelijke talen te bestuderen. Aldus baanden zij, vermoedelijk onbedoeld, de weg naar de reformatie.

Belangrijke uitvindingen in de middeleeuwen

Vaak worden de middeleeuwen gezien als een periode van achteruitgang en stagnatie vergeleken met de Oudheid. Dit is niet helemaal waar, want de Romeinen berichtten zelf dat de technische vaardigheden, vooral metaalbewerking van de Germanen en andere 'barbaren' op zijn minst gelijkwaardig waren aan die van hen. Archeologische vondsten tonen dit ook aan. Deze vaardigheden bleven na de val van het Romeinse Rijk op zijn minst behouden.

De Romeinen waren wel veel beter in organiseren en samenwerken dan de binnenvallende barbaren. En ook de wetenschap in de middeleeuwen was eerder conservatief en minder vernieuwend dan de Griekse filosofie en wetenschap. Gedurende deze periode werden wel belangrijke meer praktische uitvindingen gedaan en reeds bestaande ideeën werden verbeterd. Hiermee werden belangrijke stappen gezet naar onze moderne wereld. Enkele voorbeelden:

  • Door de verbeterde zware ploeg met wielen kon de moeilijk bewerkbare maar vruchtbare vette grond van West-Europa eindelijk ontgonnen worden, wat de voedselproductie enorm verbeterde.
  • Het paardenhalster was een belangrijke verbetering t.o.v. de strop, zodat paarden als effectievere trekkrachten gebruikt konden worden.
  • De stijgbeugel was belangrijk voor de verdere ontwikkeling van een efficiënte cavalerie. Deze werd in Europa rond 600 voor het eerst in Zweden gesignaleerd, maar is vermoedelijk een Chinese uitvinding uit de 4e eeuw v.Chr.
  • De gotische bouwtechniek met ranke spitsbogen en luchtsteunberen waardoor lichte en toch hoge bouwwerken zoals kathedralen opgetrokken konden worden was technisch gezien superieur aan de Romeins-Griekse bouwtechnieken met zware massieve muren en pilaren.
  • In de hoge en late middeleeuwen werden ook de eerste vuurwapens, zoals het kanon, in gebruik genomen.
  • Samen met verbeterde tactische en strategische oorlogvoering betekende dit het definitieve overwicht van Europa over de nomadische steppevolkeren die zo vaak het continent binnengevallen waren.
  • Verder waren de windmolen en de eerste zeewaardige schepen middeleeuwse vindingen.
  • Voor de snelle verspreiding van kennis, nieuwe ideeën en wetenschappelijke ontdekkingen is de boekdrukkunst in het midden van de 15e eeuw van het allergrootste belang geweest.

Belangrijke personen

Bibliografie

(Voor een uitgebreide lijst van aanbevolen literatuur, zie : bibliografie van de geschiedenis van de Middeleeuwen

Zie ook

Voetnoten