Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Boccaccio

Uit Wikisage
(Doorverwezen vanaf Giovanni Boccaccio)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Giovanni Boccaccio was een Italiaans schrijver, die nu vooral bekend is als de auteur van de Decamerone. Hij werd in 1313 geboren in Parijs, en stierf in Certaldo op 21 december 1375.

Leven

Giovanni’s vader, een koopman uit Certaldo die in Florence een belangrijke positie bekleedde, was op zakenreis gegaan naar Parijs. Kort daarna verliet hij Giannini, de moeder van Giovaninni, en bracht de jongen naar Florence, waar hij hem naar school stuurde tot hij tien jaar oud was. Vanaf die leeftijd liet hij de jongen kennismaken met het zakenleven, In 1327 werd Giovanni naar Napels gezonden om rechten te studeren. Hij gaf zich echter vrijwel geheel over aan de literatuur, en werd bevriend met enkele van de meest prominente mannen en vrouwen van het hof van Anjou. Omstreeks 1334 ontmoette hij voor het eerst Maria d’Acquino, een getrouwde vrouw en natuurlijke dochter van koning Robert. Ze werd de inspiratie voor zijn vroege werken, en de heldin die hij in de Decamerone opvoert als Fiammetta. In 1340 vinden we hem terug in Florence, en na de dood van zijn vader in 1348 werd hij de voogd van een jongere broer. Hij kreeg openbare mandaten in Florence en was belast met diplomatieke missies naar Padua, de Romagna, Avignon, en elders. Na 1350 begon zijn vriendschap met Petrarca, die tot diens dood in 1374 duurde. Ondanks zijn hoge leeftijd en de politieke twisten in Florence, die hem hard hadden getroffen, begon hij in 1373 aan een reeks lezingen in die stad over de gedichten van Dante. Hij stierf twee jaar later in zijn ouderlijk huis in Certaldo.

Werken

Het oudste, langste en misschien wel tevens het zwakste van Boccaccio’s werken is de „Filocolo”, geschreven tussen 1338 en 1340. Het is een adaptatie van het bekende Franse middeleeuwse verhaal „Floire et Blanceflor” en bevat een curieuze vermenging van heidense mythen en christelijke legenden. De „Ameto”, geschreven in de twee volgende jaren, is een allegorische roman met liefdesavonturen die ook het trieste verhaal bevat van het leven van Boccaccio’s moeder. De „Amorosa Visione”, ter ere van de liefde, dateert van rond het jaar 1342, en bestaat uit vijftig canto’s in terzinen. De eerste letters van de verzen vormen een acrostichon van twee sonnetten en een ballata. De „Teseide”, waarschijnlijk van het jaar 1341, is het eerste artistiek werk in ottava rima. Het bevat vele imitaties van teksten uit de oudheid, en werd veel gelezen tot aan de zestiende eeuw. Tasso dacht er zo positief over dat hij het werk uitgebreid annoteerde. Het onderwerp van de Teseide is het verhaal van Palemon en Arcite dat Geoffrey Chaucer gebruikte voor zijn „The Knight's Tale”.

De „Filostrato”, geschreven in hetzelfde jaar en eveneens in ottava rima, vertelt over de liefde van Troïlus voor Chryseis. Mogelijk inspireerde Boccaccio zich voor dit onderwerp op zijn avontuur met zijn ’Fiammetta’. De „Ninfale Fiesolano”, een kort gedicht in ottava rima, is het beste – in stijl en verbeeldingskracht – van de minder bekende werken van Boccaccio. De „Fiammetta” is niet alleen uitstekend geschreven, maar is tevens een van zijn meest originele en meest persoonlijke werken. Van het personage Panfilo, de held en geliefde van Fiammetta, wordt verondersteld dat het Boccaccio zelf vertegenwoordigt. De „Corbaccio” (1354) heeft zijn bewonderaars, maar het is een van de meest bittere en onfatsoenlijke satires die ooit zijn geschreven over de vrouw. De „Vita di Dante” (ca. 1364), voornamelijk geschreven op basis van informatie verstrekt door tijdgenoten van Dante, blijft een van de beste biografieën van deze dichter. De „commento sopra la Commedia”, de vrucht van zijn openbare lezingen over Dante, had hij gepland als een ​​kolossaal werk. Helaas stierf Boccaccio op het ogenblik dat hij commentaar op de eerste zeventien canto’s had geschreven.

Boccaccio deelt met Petrarca de eer om de eerste humanist te zijn. In hun tijd waren er niet eens een dozijn geletterden in Italië die de werken van de Griekse auteurs in de originele versie konden lezen. Gedurende drie jaar betaalde Boccaccio een leraar om hem thuis onderricht te komen geven in het Oudgrieks, en las samen met hem de gedichten van Homerus.

Van Boccaccio’s Latijnse werken zijn de volgende waard om vermeld te worden:

  • „De genealogiis deorum gentilium” (tussen 1350 en 1360), maar voor het eerst gepubliceerd in 1373. Dit woordenboek van de klassieke mythologie toont Boccaccio’s enorme belezenheid en zijn inzicht in de werken van de ouden. Ondanks de fouten die het bevatte, bleef het gedurende een paar honderd jaar het belangrijkste studieboek voor studenten van de klassieke oudheid.
  • Twee biografische werken: „De Claris mulieribus” en „De casibus virorum illustrium” (tussen 1357 en 1363) zijn van weinig belang, omdat ze vertellen over mannen en vrouwen uit de oudheid en maar zelden over tijdgenoten van de auteur. Er dan zijn er nog de Latijnse brieven en ecloges (herdersdichten), die niet van veel waarde zijn, en verder acht of tien onbelangrijke werken die zijn toegeschreven aan Boccaccio.

Het werk waarmee Boccaccio’s naam onlosmakelijk is verbonden, is de „Decamerone”. Die werd voltooid in 1353, maar een deel ervan was waarschijnlijk al geschreven voor de „Zwarte Dood” zijn hoogtepunt bereikte in 1348. De „Decamerone” opent met een meesterlijke beschrijving van de verschrikkingen van de pest, en we worden dan voorgesteld aan een vrolijk gezelschap van zeven dames en drie jonge mannen die samenkomen in een villa buiten Napels om de tijd te verdrijven en om te ontsnappen aan de epidemie. Elk op zijn beurt is heerser over het gezelschap voor een dag, en ze spreken af dat ieder op elke dag een verhaal moet vertellen, zodat aan het eind honderd verhalen zijn verteld. De grote charme van de „Decamerone” ligt in de rijkdom en de verscheidenheid van de avonturen, in de beschrijving van de verschillende karakters van de personages, en de nauwkeurige analyse van alle schakeringen van gevoel en passie, van de laagste tot de edelste. De stijl is nu eens Ciceroniaans, en wisselt dan naar de omgangstaal van Florence (lees verder in het hoofdartikel Decamerone).

Van de „Decamerone” is geen handgeschreven origineel overgebleven, maar er zijn drie manuscripten, kopieën uit de veertiende eeuw. De eerste editie werd past gedrukt in 1470 in Venetië, en sindsdien zijn tal van edities verschenen. De „Decamerone” is vertaald in bijna elke Europese taal, en blijft een van de hoogtepunten van de wereldliteratuur.