Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Europese Unie

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Europese Unie of EU is een intergouvernementele, globalistische en supranationale organisatie van Europese staten, die momenteel uit 27 lidstaten bestaat. De Unie is onder deze naam opgericht door het Verdrag van Maastricht in 1993. De EU streeft naar een eengemaakt Europa met een ondergeschikte rol voor de natiestaten. Vele aspecten van de EU bestonden echter al in de voorlopers van deze Unie, daterend uit de jaren '50. Binnen de Unie wordt er onder andere op politiek, economisch en juridisch vlak samengewerkt.

Status

De lidstaten van de Europese Unie hebben in de loop van de tijd een aanzienlijke hoeveelheid soevereiniteit overgedragen aan de Europese Unie. De Europese Unie heeft als zodanig meer macht dan welke andere niet-soevereine regionale organisatie ook. Op verschillende terreinen begint de EU te lijken op een federatie of een confederatie. De Unie blijft echter gebaseerd op verdragen tussen lidstaten (ook de voorgestelde Europese Grondwet was in rechtstermen slechts een internationaal verdrag), waaruit volgt dat de Unie slechts bestaat vanuit de wil van de lidstaten – een lidstaat kan zich in principe op elk moment terugtrekken uit de Unie (hoewel het Europese Hof van Justitie hier anders over denkt) en wijzigingen aan de verdragen moeten door alle lidstaten individueel worden geratificeerd.

In dit opzicht lijkt de Europese Unie het meest op een confederatie, die in tegenstelling tot een federatie niet soeverein is en dus ook slechts bestaat bij de gratie van de lidstaten. Een confederatie in de traditionele zin van het woord heeft echter veel meer macht, vooral op het gebied van buitenlandse zaken en defensie. De meeste mensen classificeren de Europese Unie daarom als een structuur sui generis, een unieke vorm van samenwerking tussen landen.

Momenteel probeert men de bestaande verdragen die de Europese Unie vormen, samen te voegen in een nieuw verdrag dat de bestaande verdragen moet vervangen. Men is van mening dat de bestaande structuur te complex en ingewikkeld is geworden doordat de Unie in de loop van de tijd steeds meer taken heeft gekregen. Daarnaast is volgens velen de bestaande structuur niet opgewassen tegen de uitgebreide Unie zoals die sinds 2004 bestaat en al helemaal niet tegen verdere uitbreidingen in 2007 en later. Het verdrag dat volgens de Europese regeringsleiders aan deze tekortkomingen tegemoet zou komen, de Europese Grondwet, werd echter in 2005 in een referendum zowel in Frankrijk als in Nederland verworpen. Ook het Hervormingsverdrag (ook wel Verdrag van Lissabon genoemd) dat in de plaats kwam van de Europese Grondwet werd door Ierland in een referendum verworpen.

Momenteel is alleen de Europese Gemeenschap op basis van artikel 281 van het Verdrag van Rome een internationaal rechtspersoon, wat betekent dat de Unie alleen als EG internationale verdragen kan sluiten met landen of andere internationale rechtspersonen. De Europese Unie als overkoepelende organisatie noch de twee andere pijlers hebben een rechtspersoonlijkheid. In het Verdrag van Lissabon krijgt de Unie als geheel echter wel een rechtsperoonlijkheid.

Geschiedenis en evolutie van de organisatiestructuur

In de gehele geschiedenis van Europa zijn er momenten geweest dat een Europese macht heeft geprobeerd heel Europa in haar macht te krijgen. Het Romeinse Rijk was hier één van de eerste voorbeelden van en het Derde Rijk van Adolf Hitler het laatste. In de negentiende eeuw kwamen er echter vredelievende ideeën over een verenigd Europa tot stand, waarin individuele lidstaten op gelijkwaardige basis konden samenwerken. Eén van de eerste voorstanders van deze Europese vereniging was de Franse pacifist en intellectueel Victor Hugo.

De Fransman Jean Monnet kwam na de Tweede Wereldoorlog met het idee om aan Duitsland het voorstel te doen om de delfstoffen in het grensgebied van Frankrijk en Duitsland onder gezamenlijke verantwoordelijkheid te brengen. Monnet staat dan ook bekend als de architect van de Europese Unie.

Als gevolg van een toespraak van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman op 9 mei 1950 kwam de Europese eenwording uiteindelijk op gang. Op 18 april 1951 werd als gevolg van de toespraak het Verdrag van Parijs getekend tussen België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West-Duitsland. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die hierbij opgericht werd kwam tot stand op 23 juli 1952.

Op 25 maart 1957 werd het Verdrag van Rome ondertekend door dezelfde landen. Dit nieuwe verdrag richtte de Euratom en de Europese Economische Gemeenschap op, en betekende een verdere integratie op Europees niveau. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bleef naast deze organisaties bestaan.

Op 1 juli 1967 werden door de inwerkingtreding van het Fusieverdrag, dat gesloten was op 8 april 1965, de drie organisaties feitelijk samengevoegd, waarna ze verder werkten onder naam Europese Gemeenschappen (EG). Officieel bleven de drie organisaties echter bestaan.

Verdere integratie kwam tot stand met de komst van de Europese akte (1986) en het Verdrag van Maastricht (1993). Bij het laatste verdrag werden de bevoegdheden van de Europese Economische Gemeenschap vergroot naar een groot aantal beleidsterreinen. Door al deze extra bevoegdheden was de bepaling 'Economische' niet langer ladingdekkend en werd de naam gewijzigd in Europese Gemeenschap. De Europese Gemeenschappen (meervoud) bestond vanaf dat moment uit de Europese Gemeenschap (enkelvoud), Euratom en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Het belangrijkste aan het Verdrag van Maastricht was echter de oprichting van de Europese Unie als overkoepelende organisatie boven de Europese Gemeenschappen, die in de EU de eerste pijler vormde, en de nieuwe pijlers Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (tweede pijler) en Justitie en Binnenlandse Zaken (derde pijler).

Tijdens het sluiten van het Verdrag van Amsterdam op 2 oktober 1997 (in werking sinds 1 mei 1999) werd besloten de West-Europese Unie en de Akkoorden van Schengen te integreren in de Europese Unie en werden onderdelen uit de derde pijler naar de eerste pijler verhuisd. De derde pijler werd hierdoor hernoemd naar Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken. Tevens kreeg de tweede pijler met de sluiting van dit Verdrag een Hoge Vertegenwoordiger die tegelijkertijd ook secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie (een functie die gecreëerd werd om meer continuïteit te geven tussen de voorzitterschappen die halfjaarlijks wisselden tussen de lidstaten). Sinds 1999 bekleedt Javier Solana deze functie.

Het Verdrag van Nice, gesloten op 26 februari 2001, in werking sinds 1 februari 2003, maakte de Unie gereed voor de grote uitbreiding van mei 2004. De pretenties van dit verdrag om de Unie volledig te herstructureren werden door onderlinge strijd teniet gedaan. Besloten werd een Europese Conventie in te stellen die een Europese Grondwet moest formuleren. Het voorstel van de conventie kwam in 2003 gereed, waarna in de intergouvernementele conferentie van 29 oktober 2004 een grondwettelijk verdrag tussen de lidstaten werd gesloten.

Na de afwijzing van de grondwet in Nederland en Frankrijk werd het grondwettelijk verdrag verworpen. In plaats daarvan werd middels een intergouvernementele conferentie het Hervormingsverdrag opgesteld. Dit verdrag werd getekend op 13 december 2007 in Lissabon en staat dan ook bekend als het Verdrag van Lissabon. 25 van de 27 lidstaten hebben het document tot dusver geratificeerd, maar in Ierland werd het verdrag op 12 juni 2008 via een referendum afgewezen. De toekomst van het verdrag is hierdoor onduidelijk geworden, evenals de eventuele datum van inwerkingtreding die aanvankelijk gepland stond voor 1 januari 2009.

In de voorbije jaren werd de Unie gestaag uitgebreid met Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Portugal, Spanje, Oost-Duitsland, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. In de toekomst staan uitbreidingen met Kroatië (kandidaat-lid, werkdatum 2010), Turkije (kandidaat-lid), Macedonië (kandidaat-lid) en de Balkanlanden (door de EU erkend als potentiële lidstaten) op het programma. Na het toetreden van Roemenië en Bulgarije tot de Europese Unie, op 1 januari 2007, reikt de Europese Unie van de Atlantische Oceaan tot de Zwarte Zee.

Tijdlijn met daarin de evolutie van de structuur van de Europese Unie

Lidstaten en uitbreiding van de Europese Unie

Lidstaten

Op dit moment omvat de Europese Unie 27 lidstaten, een grondgebied van 4.325.675 km² en ongeveer 500 miljoen inwoners. Indien als land gerekend neemt de Europese Unie de zevende plek in op de wereldranglijst qua grondgebied en de derde, na China en India, qua bevolkingsaantal.

De Europese Unie heeft een landgrens met 20 staten en een zeegrens met 31.

Buiten de Spaanse gebieden in of bij Afrika - zoals de Spaanse exclaves Ceuta en Melilla en de Canarische eilanden - enkele bij Azië gelegen Griekse eilanden en het Aziatische eiland Cyprus ligt de Europese Unie grotendeels op het continent Europa.

Sinds de stichting van de Europese Economische Gemeenschap door de zes oprichtende staten is de Unie met eenentwintig landen uitgebreid.

Jaar Land Aantal
landen
1957 België, Frankrijk (inclusief Algerije), Italië, Luxemburg, Nederland en West-Duitsland (oprichtende lidstaten) 6
1973 Algerije verlaat de EU & Denemarken (inclusief Groenland), Ierland en Verenigd Koninkrijk treden binnen de EU 9
1981 Griekenland 10
1985 Groenland verlaat de EU 10
1986 Portugal en Spanje 12
1990 Oost-Duitsland wordt met West-Duitsland tot Duitsland herenigd en wordt zo lid van de EU 12
1995 Finland, Oostenrijk en Zweden 15
2004 Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië 25
2007 Bulgarije en Roemenië 27

Overzeese gebiedsdelen

Een aantal lidstaten van de Europese Unie bezit overzeese gebiedsdelen. De zogenaamde ultraperifere regio's maken integraal deel uit van de Europese Unie. Tot deze gebieden behoren onder andere de Spaanse exclaves in Afrika, de Canarische eilanden, de Franse overzeese departementen en de Azoren. Een andere status is de status van landen en gebieden overzee, waartoe de Nederlandse Antillen en Aruba ook behoren.

Toekomstige uitbreidingen van de EU

Volgens het EU-verdrag kan iedere "Europese" staat lid worden van de EU mits alle andere lidstaten hiermee instemmen. Dit principe van unanimiteit betekent dat één huidige lidstaat de toetreding van een kandidaat-lidstaat kan blokkeren.

De criteria waaraan de lidstaten moeten voldoen staan beschreven in de Criteria van Kopenhagen. Onderdeel van deze criteria is het volledig overnemen van het acquis communautaire.

Kandidaat-lidstaten

Kroatië onderhandelt sinds 4 oktober 2005 met de EU over toetreding. Het screeningsproces is gestart op 20 oktober 2005. Kroatië zal hoogstwaarschijnlijk in 2010 toetreden tot de Europese Unie.[1]

Macedonië is sinds 17 december 2005 een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie. Er is nog geen datum aangeven voor het begin van de onderhandelingen;

Turkije onderhandelt sinds 4 oktober 2005 met de EU over toetreding. Het screeningsproces is gestart op 20 oktober 2005. Het is onbekend wanneer en zelfs onzeker of Turkije toe zal treden tot de Europese Unie. De Unie is naar eigen zeggen voor 2015 niet gereed Turkije op te nemen. Verschillende lidstaten, waaronder Frankrijk en Polen, hebben aangegeven de eventuele toetreding van Turkije onderwerp te maken van een referendum.

Potentiële lidstaten

De Balkanlanden Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Kosovo en Albanië hebben van de EU te horen gekregen dat ze op termijn lid kunnen worden van de EU.[2] Hun toetreding heeft voor de EU meer prioriteit dan die van Oekraïne, Moldavië of de staten Armenië en Georgië. Albanië verzocht op 27 april 2009 om lid te worden van de Europese Unie. Na Montenegro is Albanië het tweede land in korte tijd dat verzoekt om lid te worden van de EU. Het kan echter nog jaren duren voordat beide landen daadwerkelijk toetreden tot de Unie.[3]

Andere staten

Oekraïne en Georgië hebben aangegeven in de toekomst toe te willen treden tot de Europese Unie. De Europese Unie reageert hier, gezien het huidige debat over de toetreding van Turkije, vooralsnog terughoudend op.

Marokko diende op 20 juli 1987 een aanvraag in voor EG-lidmaatschap. De EG-lidstaten wezen deze aanvraag af omdat Marokko geheel in Afrika ligt en geen deel uitmaakt van de Europese cultuur.

Noorwegen is in 1973 toegelaten tot de EG en in 1995 tot de EU. Beide keren wees de Noorse bevolking het lidmaatschap in een referendum af. IJsland, Liechtenstein en Noorwegen vormen samen met de lidstaten van de Europese Unie de Europese Economische Ruimte.

IJsland had jarenlang geen belangstelling voor lidmaatschap, met name de wens voor een eigen visserij-politiek speelde hierbij een rol. Na de kredietcrisis, die IJsland extra hard trof, lijkt de mening van zowel de IJslandse bevolking als de politiek omgedraaid.[4]

Zwitserland heeft geprobeerd toe te treden tot de EU. Na de afwijzing door de Zwitserse bevolking van het EER-verdrag zijn de toetredingsonderhandelingen gestaakt.

(Zie ook de Lijst van Europese landen voor verscheidene definities van Europa.)

Instellingen en juridisch raamwerk

Instellingen en andere lichamen

Het functioneren van de Europese Unie wordt ondersteund door verschillende instellingen.

De belangrijkste instellingen zijn:

  • De Europese Commissie zorgt voor het dagelijks bestuur van de EU. De Commissie bestaat uit 27 eurocommissarissen, één uit elke lidstaat. De Europese Commissie moet de wetsvoorstellen doen en voert de wetten (als ze goedgekeurd zijn) uit. De Commissie controleert ook of de lidstaten de Europese regelgeving wel goed naleven. De Commissie werkt onafhankelijk van de belangen van de lidstaten, de eurocommissarissen moeten in het Europees belang werken.
  • Het Europees Parlement bestaat uit 785 leden afkomstig uit de 27 lidstaten. Ze worden rechtstreeks verkozen in de Europese verkiezingen die om de 5 jaar plaats vinden. Oorspronkelijk had het Europees Parlement enkel een adviserende functie. Maar inmiddels zijn de bevoegdheden sterk uitgebreid, het kan beslissen over heel wat Europese wetgeving. Het Europees parlement heeft ook een controlefunctie. Parlementsleden kunnen vragen stellen aan de Commissie en uitleg vragen over bepaalde plannen. Parlementsleden in het Europees parlement groeperen zich niet volgens nationaliteit maar volgens Europese Partijen. Het Europees Parlement telt op dit moment 7 fracties plus de niet-ingeschrevenen. Er is geen vaste meerderheid en vaste oppositie in het Europees Parlement.
  • De Raad van de Europese Unie (ook wel Raad van Ministers genoemd) is een raad samengesteld uit de ministers van alle lidstaten. Om de zoveel tijd komen alle minister van een bepaalde bevoegdheid bijeen om hun vakgebied te behandelen. Als er bijvoorbeeld moet gedebatteerd worden over milieukwesties dan komen alle ministers van leefmilieu samen. Ook de Raad van Ministers spelen een belangrijke rol op vlak van wetgeving. Samen met het Europees Parlement beslist de Raad of wetten al dan niet worden aangenomen.
  • Het Europees Hof van Justitie controleert of de Europese wetten correct worden nageleefd. Het zorgt ervoor dat de Europese wetten worden geïnterpreteerd en toegepast worden in elke lidstaat.
  • De Europese Raad (ook wel Europese top genoemd) bestaat uit de regeringsleiders van de 27 lidstaten. De Europese Raad bepaalt de toekomstige beleidslijnen van de Europese Unie.
  • De Europese Rekenkamer controleert de financiën van de Europese Unie.

Er zijn verschillende financiële lichamen:

Een drietal comités adviseert de instellingen:

Er is ook een groot aantal EU-lichamen, vaak ingesteld door tweedegraads wetgeving, die een speciaal doel voor ogen hebben. Deze lichamen worden de agentschappen van de Europese Unie genoemd.

Ten slotte bestaat er nog de Europese Ombudsman, die klachten over wanbeleid van EU-instellingen onderzoekt.

Locatie van EU-instellingen

De Europese Unie heeft geen officiële hoofdstad. Haar instellingen zijn verdeeld tussen verschillende steden:

De drie pijlers

De politiek van de EU is in drie gebieden verdeeld, die 'pijlers' genoemd worden. De eerste pijler, de 'gemeenschapspijler' betreft de gemeenschappelijke economische, sociale en milieupolitiek. De tweede pijler betreft het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB). De derde pijler behelst de Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken (PJSS).

Binnen elke pijler is een ander evenwicht gevonden tussen supranationale en intergouvernementele principes. Supranationalisme is het sterkst aanwezig in de eerste pijler, terwijl de andere twee vooral intergouvernementeel zijn. In de tweede en derde pijler zijn de bevoegdheden van het Europees Parlement, de Europese Commissie en het Europees Gerechtshof beperkt, maar niet afwezig.

Het Verdrag van Lissabon, dat pas van kracht zal worden na ratificatie door de lidstaten, schaft de pijlerstructuur af. Voortaan zullen de materies waar de EU zich mee bezighoudt ingedeeld worden in:

  • Exclusieve bevoegdheden: enkel de EU kan op deze domeinen optreden. De lidstaten kunnen enkel nog de beslissingen van de EU uitvoeren.
  • Gedeelde bevoegdheden: Zowel de EU als de lidstaten kunnen wetgevend optreden. Indien de EU wetgeving in deze sectoren uitvaardigt hebben de EU-regels wel voorrang op de nationale wetten die eventueel al bestonden. De meeste EU-bevoegdheden zijn van dit type.
  • Ondersteunende, coördinerende en aanvullende bevoegdheden: zoals de naam het zegt mag de EU het beleid van de lidstaten in deze sectoren ondersteunen, aanvullen of coördineren. De lidstaten behouden echter altijd de volledige wetgevende vrijheid. De EU mag op deze gebieden geen harmonisatie tussen de verschillende nationale stelsels nastreven. Meestal nemen dit type bevoegdheden de vorm aan van een financiële bijdrage vanwege de EU.

Intergouvernementalisme en supranationalisme

Binnen de EU bestaat een spanningsveld tussen intergouvernementele en supranationale tendensen. Intergouvernementalisme is een methode van besluitvorming in internationale organisaties waarbij de macht bij de lidstaten ligt en beslissingen met unanimiteit genomen moeten worden. Afgevaardigden van de regeringen of van gekozen vertegenwoordigingen hebben uitsluitend adviserende of uitvoerende functies. De meeste internationale organisaties hebben tegenwoordig een intergouvernementele grondslag.

Supranationalisme (zie ook federalisme) is een andere methode van besluitvorming. Hier ligt de macht bij onafhankelijke afgevaardigden van de regeringen of van gekozen vertegenwoordigingen. Lidstaten hebben nog steeds macht, maar moeten deze delen met andere instanties. Bovendien worden beslissingen nu bij meerderheid van stemmen genomen. Het kan dan ook gebeuren dat een lidstaat, gedwongen door andere lidstaten, een beslissing tegen zijn wil moet uitvoeren.

Beide vormen van besluitvorming hebben aanhangers binnen de EU. Voorstanders van supranationalisme redeneren dat dit het proces van integratie kan versnellen. Wanneer beslissingen de unanieme goedkeuring van alle betrokken regeringen vereisen, kan het jaren duren voor een besluit valt, als het er al ooit van komt. Voorstanders van intergouvernementalisme argumenteren dat supranationalisme de soevereiniteit en het democratisch gehalte van afzonderlijke staten in gevaar brengt en menen dat de legitimiteit van gemeenschappelijke besluiten alleen afgeleid kan worden van de legitimiteit van de nationale regeringen. Frankrijk is traditioneel een voorstander van een intergouvernementele EU geweest. Dit geldt ook voor eurosceptische landen als Groot-Brittannië en Denemarken. Landen als België, Duitsland en Italië neigen meer naar de supranationale benadering. In de praktijk balanceert de EU tussen beide extremen. Deze balans is echter een moeizaam compromis, dat vaak tot ingewikkelde besluitvormingsprocedures leidt.

Wetgevingsprocedures en beslissingsprocedures

Rechtsinstrumenten

Momenteel kent de Europese Unie ongeveer 16 rechtsinstrumenten, waarvan de belangrijkste de Europese verordening en de Europese richtlijn zijn. Een verordening heeft directe rechtskracht, terwijl een richtlijn eerst in nationale wetgeving moet worden doorgevoerd. De Europese Grondwet voorzag in een sterke vereenvoudiging van de rechtsinstrumenten en in het hernoemen van de Europese verordening en de Europese richtlijn in respectievelijk Europese wet en Europese kaderwet, maar bij het Verdrag van Lissabon is men daarvan afgestapt.[5]

Bevoegdheden en belangrijkste beleidsterreinen

De Europese Unie heeft bevoegdheden om op zowel economisch als politiek gebied beslissingen te nemen. De bevoegdheden zijn vanwege de verschillende manieren van samenwerking – intergouvernementeel en supranationaal – in drie verschillende pijlers ondergebracht.

Bevoegdheden in de eerste pijler

De Europese Unie heeft verreweg de meeste en meest verregaande bevoegdheden op het gebied van de gemeenschappelijke interne markt. De veelal supranationale bevoegdheden op dit gebied vloeien voort uit het Verdrag van Rome en vormen de eerste pijler (Europese Gemeenschappen) van de Europese Unie:

  • Wetgeving op het gebied van de vrije handel van goederen en diensten tussen de lidstaten. Er bestaan gemeenschappelijke douanetarieven voor de handel met niet-EU-landen (tolunie).
  • De bevoegdheid verdragen aan te gaan met andere landen of andere internationale rechtspersonen. Zulke verdragen bestaan onder meer met de EFTA, via de Europese Economische Ruimte.
  • Wetgeving op het gebied van de Akkoorden van Schengen. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben op dit gebied een opt-out in het EG-verdrag.
  • Wetgeving op het gebied van de vrijheid om als onderdaan van een EU-lidstaat overal binnen de Unie te mogen wonen en werken. Voor dit beleidsterrein is het burgerschap van de Europese Unie van groot belang.
  • Wetgeving op het gebied van het recht van ingezetenen van de lidstaten om overal binnen de EU aan lokale verkiezingen en de verkiezingen van het Europees parlement te mogen deelnemen. Ook dit vloeit voort uit het burgerschap van de Europese Unie.
  • Wetgeving op het gebied van het vrije verkeer van kapitaal tussen lidstaten.
  • Wetgeving op het gebied van de harmonisatie van nationale regels en bepalingen, bedrijfsrecht en merkregistraties.
  • Beslissingen op het gebied van de gemeenschappelijke munt, de euro. De Europese Centrale Bank is als onafhankelijk instituut hiervoor in het leven geroepen. Alle lidstaten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, zijn op basis van het EG-verdrag verplicht de euro in te voeren.
  • Wetgeving op het gebied van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.
  • Wetgeving op het gebied van een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid. Wetgeving op dit gebied was oorspronkelijk een bevoegdheid die voortvloeide uit de intergouvernementele derde pijler, maar de bevoegdheden op dit gebied zijn als gevolg van het Verdrag van Amsterdam overgeheveld naar de eerste pijler.
  • Wetgeving op het gebied van de harmonisatie van indirecte belastingen, waaronder de omzetbelasting.
  • De bevoegdheid fondsen op te zetten voor onder meer de ontwikkeling van achtergebleven regio's of kandidaat-lidstaten en wetenschappelijk onderzoek.

Bevoegdheden in de tweede pijler

De tweede pijler van de EU geeft de Unie bevoegdheden beslissingen te nemen op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Beslissingen worden hierbij grotendeels intergouvernementeel genomen:

  • Beslissingen over een gemeenschappelijke buitenlandse politiek.
  • Beslissingen over een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid. In het kader hiervan is onder meer beslist een 60.000 man sterke "Snelle Interventiemacht" op te richten die als vredesmacht kan opereren, een militaire staf te creëren (zie ook West-Europese Unie) en een satellietcentrum voor het vergaren van inlichtingen op te zetten.

Bevoegdheden in de derde pijler

De derde pijler van de EU geeft de Unie bevoegdheden beslissingen te nemen op het gebied van samenwerking op politie- en justitiegebied. Beslissingen worden ook in deze pijler grotendeels intergouvernementeel genomen:

  • Beslissingen op het gebied van samenwerking in misdaadbestrijding, onder andere door informatie uit te wisselen (via Europol, Eurojust en het Schengen Informatie Systeem), egalisering van definities van criminele vergrijpen en versnelde uitleveringsprocedures.
  • Beslissingen op het gebied van terrorismebestrijding. In het kader van deze bevoegdheid is Gijs de Vries benoemd als EU-coördinator terrorismebestrijding.

Economie

Al sinds het ontstaan van de EU is er een gemeenschappelijke markt tussen alle deelnemende lidstaten. Er bestaat in de EU momenteel een gemeenschappelijke munt tussen de 16 landen van de eurozone.[6] Als één handelsblok beschouwd heeft de EU een bruto binnenlands product van 16.83 biljoen dollar in 2007. Dat is 31% van het wereldtotaal, wat het maakt tot de grootste economie ter wereld. Het is eveneens de grootste exporteur ter wereld, de tweede grootste importeur en de grootste handelspartner van vele grote landen als India en China.

Gemeenschappelijke markt

De twee hoofddoelen van de Europese Economische Gemeenschap waren het creëren van een gemeenschappelijke markt en het instellen van een douane-unie. Een gemeenschappelijke markt bestaat uit een vrij verkeer van goederen, werknemers, diensten en kapitaal. Een douane-unie wil zeggen dat er gemeenschappelijke invoer- en uitvoertarieven zijn ten opzichte van derde landen. Van import en export van goederen tussen de EU-landen is geen sprake meer. IJsland, Noorwegen, Liechtenstein en Zwitserland, die geen lid zijn van de EU, nemen deel aan de gemeenschappelijke markt, maar niet aan de douane-unie.

De euro

De euro is de munteenheid van de Europese Economische en Monetaire Unie. De Economische en Monetaire Unie is de groep van EU-lidstaten die de euro als betaalmiddel hebben ingevoerd. In het Verdrag van Maastricht van 1992 werd besloten tot de invoering van de euro. Op 31 december 1998 werden de onderlinge wisselkoersen tussen de euro en de valuta van de deelnemende landen definitief vastgelegd. Vanaf dan waren de nationale bankbiljetten en munten van de landen die de euro hadden aanvaard nog slechts verschijningsvormen van de euro. De munten en bankbiljetten werden op 1 januari 2002 gelijktijdig ingevoerd in 12 landen van de Europese Unie, alsmede in Monaco, San Marino en Vaticaanstad, tijdens de grootste monetaire omwisselingsoperatie aller tijden. De 12 EU-landen die op 1 januari 2002 de euro als nationaal betaalmiddel hebben ingevoerd zijn: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Luxemburg, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Op 1 januari 2007 kwam Slovenië het aantal EU-landen versterken tot 13. Op 1 januari 2008 hebben Cyprus en Malta de euro ingevoerd. Slowakije is op 1 januari 2009 toegetreden tot de euro-landen.[6] De Europese Centrale Bank in Frankfurt is verantwoordelijk voor het monetair beleid binnen de eurozone. De euro heeft het geldverkeer binnen de Europese Unie aanzienlijk vereenvoudigd; waar vroeger met minstens een tiental verschillende valutawaarden gerekend werd, geldt er nu één.

Financiering van de Unie

De inkomsten van de Europese Unie komen deels uit importheffingen aan de buitengrenzen van Europa, deels uit de opgelegde boetes van de Europese Commissie en deels uit de bijdragen van de aangesloten landen.

Uitgaven van de Unie

De Europese Unie zal in 2009 ongeveer 133,8 miljard euro uitgeven.[7] Dat is 1% van het bbp van de 27 landen samen. Ter vergelijking, het nationale budget van Frankrijk is ongeveer 800 miljard euro. In tegenstelling tot de nationale begrotingen mag de Europese Unie geen begrotingstekort hebben. Alle uitgaven moeten door de inkomsten worden gedekt. De twee belangrijke uitgavenposten van de EU zijn landbouwsubsidies (in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid) en subsidies voor economisch minder ontwikkelde regio's. De laatste jaren is het budget voor landbouwsubsidies echter aanzienlijk gedaald.

Europese programma's

URBAN is een initiatief van de Europese Commissie dat zich richt op de fysieke, economische en sociale herontwikkeling van stedelijke probleemgebieden in de Europese Unie.[8] Het URBAN programme is gebaseerd op de integrale aanpak die wordt gebruikt om de ruimtelijke, economische en sociale problemen aan te pakken die de stedelijke probleemgebieden (zoals in Nederland herstructureringsgebieden) kennen. Voorbeelden van URBAN projecten zijn o.a. Berlijn[9] en Dessau.[10]

Een ander Europees programma is het Galileo satellietnavigatiesysteem. Het wordt gebouwd door de Europese Unie in samenwerking met de Europese ruimtevaartorganisatie (ESA). Het is gepland om in 2013 operationeel te zijn. Er zullen in totaal zo'n 30 satellieten gelanceerd worden. Galileo wordt vooral gebouwd om de afhankelijkheid van de EU tegenover de VS te verkleinen. De VS heeft namelijk de volledige controle over het GPS-systeem. Ook zou het Galileo satellietnavigatiesysteem veel nauwkeuriger worden dan het GPS-systeem.[11]

Nog een Europees programma is het ERASMUS-programma. Het is een initiatief van de Europese Commissie voor het hoger onderwijs in de EU. Doel is om uitwisseling onder Europese studenten en docenten/staf zoveel mogelijk te bevorderen. Ondertussen hebben zo’n 2 miljoen studenten van het programma gebruik gemaakt.[12]

Demografie

De Europese Unie heeft in totaal een inwonersaantal van ongeveer 500 miljoen. Ter vergelijking, er zijn 710 miljoen Europeanen op het hele continent. Er is een bevolkingsgroei in de EU, dit vooral doordat er in de meeste lidstaten een netto immigratie aanwezig is. De Europese Unie bevat 7.3% van de totale wereldbevolking. Toch bedekt de EU maar 3% van de landoppervlakte. Met een bevolkingsdichtheid van 114 inw./km<math>^2</math> is de EU namelijk één van de dichtst bevolkte regio’s van de wereld. Eén derde van de inwoners van de EU leeft in steden van meer dan één miljoen mensen. 80% leeft in stedelijk gebied. In de EU zijn er meer wereldsteden dan waar ook ter wereld. Er zijn 16 steden met een inwonersaantal van meer dan één miljoen.

Talen

Officiële talen

De 23 officiële talen van de instituten van de Europese Unie zijn:

Met de toetreding van Bulgarije en Roemenië per 1 januari 2007 kwamen Bulgaars en Roemeens er bij. Ook kwam er een derde alfabet, het cyrillisch (in gebruik in Bulgarije), naast de al gebruikte Latijnse en Griekse letters, bij in gebruik.

Alle besluiten van de instellingen worden vertaald in alle officiële talen. Europese burgers hebben daarnaast het recht zich te wenden tot de Europese instellingen in een van de officiële talen, en hebben het recht in dezelfde taal antwoord te krijgen. Dat betekent vaak dat de autoriteiten voor een tolk moeten zorgen. In de Europese Raad en het Europees Parlement mag in elke officiële taal gesproken worden. Het gesprokene wordt, indien gevraagd, onmiddellijk vertaald in de andere officiële talen van de Unie. Uitspraken van het Europees Hof van Justitie worden in alle officiële talen vertaald. Het Maltees neemt een bijzondere positie in. Besluiten van de Raad en het Europees Parlement worden wel vertaald, maar besluiten van het Europees Hof van Justitie niet. Dit is grotendeels te wijten aan het gebrek aan Maltese tolken. Hierbij moet worden opgemerkt dat elke Maltees het Engels als tweede moedertaal heeft, zodat Maltees niet zeer noodzakelijk is. De Raad van Ministers neemt besluit over welke talen de officiële talen zijn door middel van een Europese verordening.

Minderheidstalen

Naast de 23 officiële verdragstalen worden er ook veel regionale minderheidstalen gesproken. De meeste daarvan genieten bescherming onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, dat door de meeste EU-lidstaten ondertekend is. Deze minderheidstalen kunnen onderverdeeld worden in 3 categorieën:

  • Regionale talen die zich kunnen uitstrekken over verschillende lidstaten. Voorbeelden zijn het Baskisch, Catalaans, Galicisch, Fries, Bretons, Cornisch, Occitaans, Welsh,…
  • Talen die in een minderheid van een bepaalde lidstaat gesproken worden, maar die toch officiële talen van de EU zijn. Voorbeelden zijn Duits in het zuiden van Denemarken, Frans in het Noorden van Italië, Hongaars in Slovakije, Zweeds in Finland,…
  • Talen die niet geassocieerd kunnen worden met een bepaalde regio. Voorbeelden zijn het Jiddisch en het Romani.

Religie

De Europese Unie is een seculier orgaan, met geen formele relaties met wat voor religie dan ook en geen vermelding van religie in huidige of voorgestelde verdragen.[13] Tijdens discussies omtrent de ontwerptekst van de Europese Grondwet en later het Hervormingsverdrag waren er voorstellen om naar het christendom en/of God te verwijzen in de inleiding van de tekst. Dit idee kreeg echter veel oppositie, en zodoende werd het niet aangenomen.[14]

Deze verwijzingen naar het christendom komen voort uit het gegeven dat het christendom de dominante religie is in de meeste lidstaten van de Europese Unie. Het christendom in de Europese Unie kan ruwweg verdeeld worden in het rooms-katholicisme, een brede hoeveelheid protestantse kerken (vooral in Noord-Europa) en de oosters-orthodoxe Kerk (vooral in Zuidoost-Europa). Andere religies, vooral de islam en het jodendom komen ook voor. Er leven in de Europese Unie ruwweg meer dan een miljoen joden[15] en 53 miljoen moslims.[16]

Bevindingen van Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, die religie en geloof van de EU-bevolking onderzocht als onderdeel van de Eurobarometer, toonde aan dat de meerderheid van de EU-bevolking wel een soort van geloof heeft, maar dat maar eenentwintig procent dit als belangrijk ervaart. Er is een groeiend aantal atheïsten en agnostici onder de Europese bevolking, met daarnaast in de meeste landen een dalend kerkbezoek en kerklidmaatschap.[17] De Eurobarometer van 2005 laat zien dat van de bevolking van de vijfentwintig lidstaten, 52% in een god gelooft, 27% in een of andere bovennatuurlijke entiteit of levenskracht gelooft en dat 18% geen enkel vorm van geloof heeft. De landen waar het laagste percentage mensen aangaf een religie aan te hangen, was Tsjechië (19%), Estland (16%), Zweden (23%) en Nederland (34%).[18] In deze landen geven mensen die een soort van geloof aanhangen tevens aan dat ze religieuze organisaties wantrouwen.[19] De landen met het hoogste aantal gelovigen waren Malta (95%), Cyprus (90%) en Roemenië (90%). Door de Europese Unie heen bleek dat het percentage gelovigen hoger lag onder vrouwen, mensen met een religieuze opvoeding, mensen met een lager onderwijsniveau, mensen met een rechtse politieke voorkeur en mensen die zich meer bezig houden met filosofische en ethische vragen. Ook was het percentage gelovigen onder de ondervraagden hoger naarmate men ouder was.[18]

Voorzitterschap

Elk half jaar is een lidstaat voorzitter van de EU. Ieder land heeft de plicht deze taak op zich te nemen wanneer het aan de beurt is. Het land dat voorzitter is leidt de vergaderingen van de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie en het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Hieronder staat de planning op lange termijn voor de wisseling van het voorzitterschap.

Zie ook

Externe links

Referenties

Bronvermelding :