Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Economie

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Economie oftewel staathuishoudkunde is een sociale wetenschap (Nederland) of een gedragswetenschap (Vlaanderen) die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten. Analoog aan andere sociale wetenschappen houdt de economische wetenschap zich niet alleen bezig met de vraag hoe de economie werkt, maar - in de politieke economie - ook met hoe bepaalde wenselijke situaties kunnen worden bereikt. De economische wetenschap betreft de nationale economie. Een apart vak binnen de economische wetenschappen is de econometrie, waarin men methoden en technieken ontwikkelt en toepast ten behoeve van het empirisch economisch onderzoek. De benaming economie komt van het Grieks oikos (οἶκος), dit betekent huis en nomos (νόμος), dit betekent regel. Letterlijk betekent het dus huishoudkunde.

Definities

Economie is in de meest ruime en algemene betekenis de wetenschap die bestudeert hoe de mens met schaarse middelen handelt om zijn behoeften te bevredigen.

De schaarste van goederen en productiemiddelen, en het beheer daarvan vormt de vraagstelling voor de economie als wetenschap. De kernvraag voor de economie als wetenschap is de optimale verdeling van de schaarste. (Schaarste) heeft in de economie niet de betekenis van zeldzaam maar van beperkt beschikbaar. Die vraag heeft ook raakvlakken met de politiek en de politieke filosofie. Het economische vraagstuk omvat onder meer productie, distributie, welvaart en consumptie. Economisch handelen ontstaat omdat men niet alles tegelijk kan hebben. Er moeten keuzen worden gemaakt.

De economische wetenschap bestudeert de factoren die deze keuzes bepalen. Prijzen zijn hierbij belangrijk. Economie wordt ook wel opgevat als de studie van de ruil in de ruimste zin van het woord. Het voordeel daarvan is dat die wat specifieker is dan de bovengenoemde, en de kern raakt van datgene waar het in de economie om gaat (lonen, prijzen, verkoop, koop), maar het nadeel ervan is dat deze iets te beperkt is: niet alle economische handelingen hebben direct met ruil te maken.

De term economie wordt ook gebruikt in de zin van behoeftebevrediging van een land en zijn inwoners. 'Het gaat goed met de economie' betekent dat er welvaartsgroei is. De lonen stijgen, de werkloosheid is laag en de bedrijven maken winst. In dit lemma wordt het woord gebruikt in de betekenis van economie als sociale wetenschap.

Vraag en aanbod

Binnen de economische wetenschap zijn er twee belangrijke kernthema's.

In de eerste plaats is er de aanbodzijde van het economisch systeem. De aanbodzijde wordt gekenmerkt door de inzet van productiefactoren. Er worden vier productiefactoren onderscheiden:

Als vierde productiefactor wordt wel ondernemerschap onderscheiden.
Bij de aanbodzijde van de economie gaat het om de voortbrenging van goederen en diensten. De maximaal mogelijke productie noemen we de productiecapaciteit.

Aan de andere kant is er de vraagzijde van het economisch systeem. Deze wordt bepaald door de bestedingen van consumenten (consumptie), producenten (investeringen), overheid (overheidsbestedingen) en buitenland (export).

Vraag en aanbod komen samen op de markt. Door vraag en aanbod samen ontstaat de prijs van een product. Producten kunnen goederen en diensten zijn. In de vrije markt wordt het geheel spontaan gestuurd door prijzen. Prijzen zijn schaarste-indicatoren. In de overheidssector wordt de prijsvorming gestuurd door politieke beslissingen. Het beschikbare budget bepaalt hier de omvang van de goederenstroom.

Geschiedenis van de economie

De bakermat voor de moderne economie ligt in het Verenigd Koninkrijk. De Schot John Law beschreef met zijn 'Water Diamanten'-theorie in 1705 het systeem van vraag en aanbod op de markt. De vader van de economie is Adam Smith. Zijn boek An Inquiry into the nature and causes of the wealth of nations (een onderzoek naar aard en oorzaak van de welvaart) uit 1776 is het begin voor de economie als wetenschappelijke discipline. Anderen hebben zijn werk verder uitgewerkt.

Het grote moment in de geschiedenis van de economie is de industriële revolutie. Deze revolutie vond plaats in de jaren 1780-1850. De productie van goederen en diensten wordt anders opgezet en neemt indrukwekkend toe.

Economische organisatievormen

Er zijn verschillende manieren om de staatshuishouding en het productieproces te organiseren. De belangrijkste vormen zijn:

  1. centraal geleide of planeconomie die in praktijk is gebracht door het communisme.
  2. vrijemarkteconomie of kapitalisme dat in zijn pure vorm voorkwam in de beginfase van de industriële revolutie.
  3. gemengde economie die nu min of meer in praktijk wordt gebracht in bijna alle landen op de wereld. De ene samenleving zal meer het karakter vertonen van een centraal geleide economie terwijl een andere samenleving meer het karakter heeft van een vrijemarkteconomie. Hier zijn verschillende vormen van organisatie mogelijk. De meeste westerse samenlevingen kennen een vorm van gemengde economie met de nadruk op het vrijemarktmodel.

In de organisatieleer wordt ingegaan op zwakke en sterke punten van verschillende economische stelsels.

Deelterreinen

Het brede terrein van de economische wetenschap kan in een aantal deelterreinen worden onderscheiden. Een belangrijke eerste onderscheid is:

Binnen het vakgebied van de algemene economie zijn er weer verschillende deelterreinen:

Verder zijn er nog weer andere deelterreinen zoals de vervoerseconomie, de monetaire economie, landbouweconomie etc.

Macro-economie

De macro-economie wil de verschillende geaggregeerde (opgetelde) grootheden in de volkshuishouding vaststellen en hun ontwikkeling verklaren. Enkele belangrijke grootheden in de macro-economie zijn: het nationaal inkomen, de werkgelegenheid, de betalingsbalans, de consumptie, de investeringen en de overheidsbestedingen. In de macro-economie wordt nagegaan hoe deze grootheden zich in het verleden hebben ontwikkeld en hoe ze zich in de toekomst kunnen ontwikkelen. Van groot belang hierbij is het inzicht in de conjunctuur, het ondernemersklimaat, de productiecapaciteit, de hoogte van de wisselkoersen, de rentevoet enzovoort.

Op basis van de relaties tussen economische sectoren zoals productiehuishoudingen, consumptiehuishoudingen, overheid en buitenland tracht de macro-economie inzicht te verschaffen in toekomstige ontwikkelingen. Vooral de groei van het nationaal inkomen heeft de aandacht van economen en politici.

Micro-economie

Micro-economie houdt zich bezig met gedragingen van individuele economische agenten. Hierbij kan het gaan om gezinnen, bedrijven maar eveneens om politici of belangengroepen. In deze tak van de economie staan vraag en aanbod centraal. Vraag en aanbod komen samen op de markt waar via het prijsmechanisme een prijs tot stand komt. Prijzen beïnvloeden de gedragingen van personen. De micro-economie tracht te verklaren in welke mate de prijs het aankoop- en verkoopgedrag beïnvloedt.

Hiervoor zijn elasticiteiten erg belangrijk. Een voorbeeld van een elasticiteit is de prijselasticiteit van de vraag. Dit is een getal dat aangeeft met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van een goed verandert als de prijs van dat goed met één procent verandert. Bijvoorbeeld: als de prijs van iPods met 1% stijgt, met hoeveel procent zal dan de gevraagde hoeveelheid van iPods dalen? De daling kan aan de hand van elasticiteiten berekend worden. De laatste jaren staat ook de speltheorie erg in de belangstelling binnen de micro-economie.

Internationale economische betrekkingen (IEB)

Dit onderdeel van de economie kent twee poten: de reële sfeer en de monetaire sfeer. In de reële sfeer gaat het om de bestudering van internationale goederen- en dienstenstromen. Een mogelijke verklaringsgrond voor die stromen ligt in het feit dat landen verschillen. Een andere bron is gelegen in onvolledige mededinging tussen bedrijven. Bedrijven met een grotere afzetmarkt kunnen goedkoper produceren en eventueel gaan exporteren. De monetaire sfeer bestudeert de geldstromen tussen de landen. Hierbij komen zaken aan de orde als betalingsbalans, wisselkoersen en kapitaalstromen. De studie van internationale economische betrekkingen is ook wel bekend als internationale politieke economie.

Openbare financiën

Openbare financiën houdt zich bezig met de inkomsten en de uitgaven van de overheid. De effecten van de belastingen en de overheidsuitgaven op de economie worden in kaart gebracht. Ook wordt nagedacht over de vraag wat tot de taak van de overheid hoort en wat niet. Vragen rond bijvoorbeeld privatisering, draagkrachtbeginsel en profijtbeginsel komen in de leer van de openbare financiën aan de orde.

Bedrijfseconomie

Binnen het deelterrein van de bedrijfseconomie zijn globaal vier deelterreinen te onderscheiden met elk weer hun eigen specialistische onderverdeling:

Cijfermatige kerngegevens van Nederland

De economische wetenschap heeft cijfers nodig. Steeds opnieuw gaat het om de interpretatie en ontwikkeling van grootheden die cijfermatig tot uitdrukking kunnen worden gebracht. In Nederland worden veel cijfers over de economie verzameld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Berekeningen voor de toekomst worden gemaakt door het CPB. Onderstaand worden enkele kerngegevens weergegeven.

Cijfermatige kerngegevens voor Nederland
Jaar 2001 2002 2003 2004 2005
Bruto Binnenlands Product (mld euro's;marktprijzen) 447,7 465,2 476,3 488,6 501,9
Netto nationaal inkomen (mld euro's; marktprijzen) 379,0 393,3 399,7 409,6 pm
Consumentenprijsindex (% per jaar) 4,5 3,5 2,0 1,5 1,7
Werkloosheid in % van beroepsbevolking 3,5 4,1 5,4 6,5 6,5
Collectieve lastendruk als % van BBP 40,0 39,4 39,3 39,4 39;5

Ter vergelijking: Het BNP bedroeg in 2007 483 miljard euro (629 miljard dollar). Het BNP van de Verenigde Staten bedroeg 12.438 miljard US-dollar. Dit is ongeveer 20x het Nederlandse BNP. De BNP's per capita van Nederland en de VS liggen een stuk dichter bij elkaar: 36.600 respectievelijk 43.743 dollar. In 2005 was Nederland daarmee 15de op de lijst van in totaal 224 landen (www.worldbank.org). Luxemburg voert deze lijst aan met een gemiddeld inkomen van ruim 65.000 dollar.

Gerelateerde vakgebieden

Beroepseconomie - Communicatie - Econometrie - Ethiek - Informatiekunde - Ondernemingsrecht - Operationeel onderzoek - Statistiek - Wiskunde

Zie ook

Externe links

Nederland België