Wikisage wenst u prettige feestdagen en een gelukkig 2015!

Deense literatuur

Uit Wikisage
Ga naar: navigatie, zoeken

De term Deense literatuur wordt gebruikt voor literatuur uit Denemarken en/of geschreven in het Deens.

Middeleeuwen

Hoofdartikel.png Zie ook Middeleeuwse literatuur

Over de vroegste geschiedenis van de Deense literatuur is zeer weinig bekend. Het enige wat bewaard is gebleven zijn enkele losse runeninscripties. Tijdens de Deense middeleeuwen werd er hoofdzakelijk christelijke werken in het Latijn geschreven. De bekendste auteur uit deze tijd is Saxo Grammaticus, die vermoedelijk de Gesta Danorum heeft geschreven. Daarnaast schreven ook de cantor Morten Børup en de aartsbisschop Anders Sunesen in het Latijn. Peder Laale legde een verzameling aan van spreekwoorden in het Latijn en Deens.

16e - 17e eeuw

Hoofdartikel.png Zie ook Renaissanceliteratuur en Barokliteratuur

Van echte literatuur in de Deense volkstaal was pas sprake tegen het einde van de middeleeuwen. Van de volksliederen uit deze tijd is vrij veel bewaard gebleven, doordat Anders Sørensen Vedel in 1591 een bundel uitgaf. De eerste helft van de 16e eeuw werd ook in Denemarken gedomineerd door religieuze problemen. De voornaamste tegenstanders van die tijd waren enerzijds Hans Tausen, die een volgeling van Maarten Luther was, en anderzijds Poul Helgesen, die Luther bestreed en zowel in het Latijn als in het Deens humanistische werken in de geest van Desiderius Erasmus schreef. Ook Erasmus Laetus (Rasmus Glad) schreef humanistische poëzie in het Latijn. Andere belangrijke Deense literaire werken uit deze tijd zijn de bijbelvertaling uit 1550 van Christiern Pedersen, het Visitatsbog van Peter Palladius en de psalmen van H.Chr. Sthen. De bekendste Deense toneelschrijver uit de eerste helft van de 16e eeuw is Hieronimus Justesen Ranch, die naast een moraliserend natuurgedicht drie komische drama's schreef.

In de tweede helft van de 16e en in de 17e eeuw kreeg de humanistische wetenschap de overhand in Denemarken. Deze werd vertegenwoordigd door onder meer Tycho Brahe, Ole Rømer, Nicolaus Steno en Thomas Bartholin, en door Deense historiografen als Anders Sørensen Vedel, Claus Christoffersen Lyschander en Arild Huitfeldt. Ole Worm hield zich bezig met archeologie en runologie, Peder Syv met taalkunde en grammatica. Anders Arrebo, Søren Terkelsen en Anders Christensen Bording kunnen als vertegenwoordigers van de vroege Deense barokpoëzie worden gezien, terwijl Thomas Kingo een typische vertegenwoordiger van de hoogbarok is.

Het belangrijkste prozawerk uit deze periode vormen de memoires van Leonora Christina Ulfeldt, dochter van koning Christian IV, Jammers Minde (Herinneringen aan mijn ellende). Zij schreef deze naar aanleiding van haar opsluiting wegens landverraad op Hammershus (17 maanden) en in de Blauwe toren in Kopenhagen (21 jaar).[1][2] Dit werk was een persoonlijk geschrift voor haar kinderen en werd pas in 1869 (dus ca. 200 jaar later) vrijgegeven. Het vormt nu een deel van de Deense cultuurcanon.[3][4][5]

18e - 19e eeuw

Hoofdartikel.png Zie ook Classicisme (literatuur) en Naturalisme (literatuur)

De Deense literatuur uit de periode van de Verlichting wordt vooral gekenmerkt door het classicisme, een stroming die zowel wat betreft de literatuur als andere kunstvormen een tegenreactie op de barok was. Binnen de Deense literatuur zijn de voornaamste vertegenwoordigers van deze periode de komedieschrijver Ludvig Holberg en iets later de schrijver en dichter Johannes Ewald, wiens werk al enige kenmerken van de Romantiek vertoont. De echte Romantiek werd echter vanuit Duitsland naar Denemarken geïmporteerd door Henrik Steffens, waarna Adam Oehlenschläger de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming werd. Belangrijke literaire vertegenwoordigers van de Deense romantiek zijn verder Hans Christian Andersen, Frederik Paludan-Müller en de lyrische dichters Christian Winther, Emil Aarestrup en Ludvig Bødtcher en vanaf 1840 Søren Kierkegaard en Meïr Aron Goldschmidt. Het werk van de schrijver-politicus Jens Schielderup Sneedorff is hoofdzakelijk van belang geweest voor de ontwikkeling van de Deense taal.

De Deense romantiek was rond 1850 afgelopen. Pas twintig jaar later vond er onder invloed van de criticus Georg Brandes – die voor een meer op de rest van Europa gerichte literatuur pleitte en het literaire naturalisme in Denemarken introduceerde – weer een vernieuwing plaats die tot een nieuwe opbloei van de Deense literatuur leidde. Het naturalisme in de Deense literatuur is vervolgens vooral goed terug te zien in het werk van Henrik Pontoppidan en Herman Bang, een schrijver van burgerlijke romans die tevens de voornaamste vertegenwoordiger van het decadentisme in Denemarken is.

Na 1890 bloeide dankzij de symbolistische neoromantiek ook de lyriek weer op, met dichters als Johannes Jørgensen, Sophus Claussen, Viggo Stuckenberg en Sophus Michaëlis. Binnen het prozagenre bleef het naturalisme overheersen.

20e eeuw

Hoofdartikel.png Zie ook Realisme (literatuur)

Kort na 1900 was er in de Deense proza sprake van een nieuwe opbloei van het realisme, dat gedeeltelijk een verdere voortzetting van het naturalisme vormde maar daarnaast ook was beïnvloed door de psychologie. De voornaamste vertegenwoordigers van deze stroming zijn Martin Andersen Nexø en Johannes Vilhelm Jensen. Van Deense dramatiek is in deze periode niet veel sprake.

Hoewel Denemarken niet meedeed aan de Eerste Wereldoorlog, is de invloed hiervan wel duidelijk terug te zien in zowel het Deense geestesleven als de literatuur, die in die tijd vooral lyrisch en tegelijkertijd expressionistisch was. De belangrijkste figuren uit deze tijd zijn Hans Hartvig Seedorff Pedersen, Emil Bønnelycke en Tom Kristensen. Tijdens het interbellum was tevens sprake van een kortstondige heropleving van de Deense dramatiek, mede onder invloed van het Duits expressionisme. De belangrijkste Deense romanschrijvers van kort na de Eerste Wereldoorlog zijn Stig Henning Jacob Puggaard Paludan en Johannes Anker Larsen. Ook de lyrische dichtkunst bloeide vanaf de jaren '20 weer sterk op, met als leidende figuren Per Lange en Paul la Cour. Wat betreft de jaren '30 moeten vooral Nis Petersen – een schrijver van pessimistische novellen waarin de onrust en angst voor de naderende catastrofe is terug te zien – en de toneelschrijver Kaj Munk worden genoemd.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog traden er geen nieuwe grote toneelschrijvers meer naar voren, hoewel enkele belangrijke romanschrijvers zoals Hans Christian Branner daarnaast ook het dramagenre bleven uitoefenen.

Zie ook

Bronnen, noten en/of referenties