Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Alexander VI

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

De Spanjaard Roderic Llançol i Borja (Valenciaans) (Xàtiva (Spanje), 1 januari 1431Rome, 18 augustus 1503) was van 1492 tot 1503 paus van de Katholieke Kerk met als pausnaam Alexander VI.

Hij kwam uit de familie Borgia, die goed bekend is wegens hun neiging tot corruptie. Nadat hij rechten studeerde in Bologna, werd hij bisschop, vervolgens kardinaal en uiteindelijk pauselijk administrator. Rodrigo de Borja werkte er tientallen jaren aan, de pauselijke tiara te winnen tot hij op 11 augustus 1492 tot paus uit het conclaaf kwam.

Leven

Roderic de Borja i Llançol (Spaans: Rodrigo de Borja y Lanzol) was de zoon van afkomstig uit Valencia afkomstige Jofre de Borja y Escrivà (1390–1436), zoon van Rodrigo Gil de Borja i de Fennolet en Sibilia d’Escrivà i de Pròixita, en de uit Aragon stammende Isabel de Borja y Llançol (1390-1468), dochter van Juan Domingo de Borja en Francina Llançol. De spelling Llançol is Valenciaans; de algemene Spaanse spelling is Lanzol. Toen zijn oom van moederszijde, Alonso de Borja, tot paus verkozen werd, koos Roderic de naam Borgia in Italiaanse spelling. De oom regeerde als paus Calixtus III van 1455 tot 1458 en maakte het mogelijk dat Rodrigo de Borja kon opstijgen in de kerkelijke hiërarchie.

Rodrigo Borgia studeerde vanaf ongeveer 1453 kerkelijk recht in Bologna, nadat hij reeds door zijn oom met talrijke lucratieve prebenen was verzorgd, onder andere als kanunnik te Xàtiva. Hoewel hij geen priester was, werd hij door zijn pauselijke oom op 20 februari 1456 benoemd tot kardinaal diaken van San Nicola in Carcere en het jaar daarop reeds als vicekanselier van de Kerk. Deze functie en het feit dat hij titulair bisschop was van ongeveer 30 bisdommen maakten van hem een van de rijkste mannen in Europa. Vanaf 1458 was hij in commendam kardinaal diaken van Santa Maria in Via Lata. In 1471 werd hij kardinaal bisschop van Albano en 1476 van Porto.

Ondanks zijn kerkelijke titels was hij het vrouwelijke geslacht zeer toegenegen en verborg dit nauwelijks voor het publiek. De losse moraal die in die tijd bij vele prelaten gebruikelijk was, stootte ook in de curie op ongenoegen, zoals wordt gedocumenteerd door een brief van paus Pius II, waarin hij de jonge prelaat wegens zijn seksuele leven berispt.

In zijn tijd als kardinaal leefde hij ongeveer 20 jaar samen met Vanozza de’ Cattanei, de moeder van zijn kinderen Juan (Giovanni) (later hertog van Gandía), Cesare (later hertog van Romagna), Lucrezia (later hertogin van Ferrara) en Jofré. De overgeleverde verhalen over orgiën aan zijn hof zouden ook ontsproten kunnen zijn aan de verbeelding van zijn tegenstanders.

Pontificaat

Verkiezing

Op 11 augustus 1492 werd Roderic Llançol i Borja tot paus verkozen. Naar de gewoonte van die tijd speelde simonie hierin een rol. In het conclaaf van 1492 stonden twee machtige kardinalen tegenover elkaar: Giuliano della Rovere, de neef van paus Sixtus IV, en Ascanio Sforza. Della Rovere, die na het overlijden van Pius III paus zou worden met de naam Julius II, had een machtige groep supporters verzameld: naast Florence en het koninkrijk Napels ondersteunde ook de republiek Venetië zijn kandidatuur, evenals de republiek Genua en de Franse koning Karel VIII. De groep van Della Rovere’s oppositie werd geleid door Ascanio Sforza, die eigenlijk zelf paus wou worden maar met 37 jaar te jong was en die men, als broer van Ludovico Sforza, de hertog van Milaan, te sterk politiek gekleurd vond.

Rodrigo Borgia en Ascanio Sforza hadden reeds vroeg een gemeenschappelijke aanpak afgesproken. Ascanio had van zijn broer Ludovico een blanco volmacht gekregen om stemmen te kopen. Zij hoopten dat Borgia een gewillige marionet zou zijn in de handen van de Sforza’s. Ascanio en Rodrigo konden zich beide doorzetten. De eerste jaren van zijn pontificaat had ALexander te maken met een zware druk die de Sforza’s uitoefenden. Pas na de strijd om de kroon van Napels, die de neergang van de Sforza’s tot gevolg zou hebben, kon Alexander zich van hun invloed bevrijden.

Nepotisme

Men nam hem later zijn nepotisme kwalijk: zijn zoon Cesare werd tegen zijn eigen wil tot bisschop van Valencia benoemd, en later tot kardinaal; ook andere Spanjaarden, die hij naar Italië liet haalde, kregen gunsten van hem. Het gerucht deed de ronde dat hij met zijn dochter had geslapen en dat hij lastige rivalen met het beruchte Borgia-gif uit de weg ruimde. Zijn zoon Juan Borgia, werd door hem benoemd tot hertog van Benevent, dat van Napels terug in de kerkstaat kwam.

De familie Farnese gebruikte later de invloed van Giulia Farnese op de paus, vooral om haar broer Alessandro Farnese te laten opstijgen in de kerkelijke hiërarchie. Giulia was reeds als vijftienjarige de geliefde van Rodrigo Borgia, toen hij nog kardinaal was. In de Romeinse volksmond noemde men haar smalend, wanneer paus Alexander zich met haar aan zijn zijde vertoond, „sponsa christi” („de bruid van Christus”). Door haar invloed werd haar broer op 25-jarige leeftijd tot kardinaal gecreëerd en zou meer dan 30 jaar later als Paulus III de machtige paus van de contrareformatie worden.

Critici

Door de verhalen over de pauselijke excessen kwamen critici te voorschijn. De dominicaanse monnik Girolamo Savonarola uit Florence werd hun prominentste stem. Aanvankelijk probeerde hij nog een goede band met Alexander te krijgen en wenste hem officieel geluk bij de bruiloft van zijn dochter Lucretia. Later eiste hij dat de paus zou worden afgezet en dat grondige hervormingen zouden moeten plaatsvinden. Hij predikte: „Gij kerkleiders, … ’s nachts gaat gij naar uw concubines en ’s morgens naar uw sacramenten.”

Om Savonarola tot zwijgen te bewegen, bood Alexander VI hem de kardinaalswaarde aan. Savonarola wees dit af, waarop hij geëxcommuniceerd werd en in Florence gevangen genomen, opgehangen en verbrand werd.

Giuliano della Rovere was na zijn nederlaag in het conclaaf naar Frankrijk gevlucht en probeerde samen met andere pauscritici de Franse koning Karel VIII ertoe te bewegen, een concilie samen te roepen, dat Alexander zou afzetten. Tenslotte marcheerde Karel in 1495 met een leger naar Italië, nam Napels in en sloot een akkoord met de paus. Hij zag af van het plan om de paus te laten afzetten.

Gebiedsuitbreiding

Alexander wisselde naar behoefte van bondgenoten, in de eerste plaats om een rijk te verzamelen dat door zijn kinderen zou worden geërfd. Zoals zijn oom Calixtus III reeds voor hem, had hij eerst het oog op het koninkrijk Napels. Door de ingreep van Karel VIII veranderde de situatie. Toen Ferdinand II van Napels in 1496 kinderloos overleed en zijn oom erfgenaam werd, ging Alexander zich erop concentreren om het gebied van de Romagna te bemachtigen.

Toen Karel VIII op 28-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een ongeval, werd Lodewijk XII uit het huis Haus Valois-Orléans de koning van Frankrijk. Steunend op zijn verwantschap met de Visconti maakte hij ook aanspraak op het hertogdom Milaan. Lodewijk, die geen kinderen had, liet dadelijk na zijn troonsbestijging zijn huwelijk met Jeanne de Valois annuleren om met Anne de Bretagne, de weduwe van zijn voorganger, te trouwen en zo zijn erfdeel, Bretagne, in het Franse koninkrijk te behouden. Daartoe had hij de dispensatie van de paus nodig. Alexander zag hierin de kans om een hertogdom te bemachtigen voor zijn zoon Cesare. Op 17 september 1498 wees Cesare de kardinaalstitel af. Cesare kreeg de streek Valentinois, die een hertogdom werd.

De Sforza

In 1498 deden de Sforza een nieuwe poging een concilie bijeen te roepen met het doel de paus af te zetten, ditmaal met de steun van de koningen van Spanje. De Fransen sloten een bondgenootschap met Venetië, waardoor de Sforza onder verdere druk gezet werden. Cesare huwde intussen met Charlotte d’Albret. Om haar toestemming te krijgen, verkreeg haar broer de kardinaalstitel. De Sforza knoopten een bondgenootschap met Sultan Bayezid II, maar het expeditiekorps waarmee zij Venetië wilden aanvallen, was sterk in de minderheid. De Sforza’s verloren hun macht en gingen naar Oostenrijk in ballingschap. (Bianca Maria Sforza was gehuwd met de Duitse koning en latere keizer, Maximiliaan I van het Heilig Roomse Rijk.) Lodewijk XII wou naar Napels trekken om een oude rekening met de Aragonezen te vereffenen. Alexander VI, die nog steeds hoopte dat Napels in het bezit van zijn familie zou komen, probeerde tevergeefs van Venetië de toelating te krijgen om het hertogdom Ferrara te veroveren voor zijn zoon.

Daarop begon Alexander de baronnen van de kerkstaat onder druk te zetten. Als eerste verloren de Caetani hun bezittingen aan de Borgia’s. In maart 1499, nog voor het sluiten van de Frans-Venetiaanse bond, verklaarde hij het vicariaat van de Sforza-Riario in Forlì en Imola afgezet en droeg dit over aan Cesare. Deze rukte op met Franse en Italiaanse troepen om zijn nieuwe gebied in te nemen. Imola gaf zich zonder strijd over en Forli kon worden ingenomen. Caterina Sforza, de vrouwelijke vicaris van Forli, werd gevangen gezet.

De Franse heerschappij was in Milaan reeds na korte tijd zo onpopulair, dat de inwoners Ludovica Sforza terug lieten komen. Op 5 februari 1500 nam hij weer zijn oude functie in. Zonder steun van de Fransen moest Cesare de strijd stilleggen, en keerde terug naar Rome. Kort daarop werd Ludovico, door de Zwitserse huurlingen, die hij niet meer kon betalen, afgezet en aan de Fransen uitgeleverd.

Onheilstekenen

Eind april 1500 werd in Rome een pamflet verspreid met een ellenlange lijst van zonden van de onboetvaardige paus, wiens spoedige dood ook werd aangekondigd. Op de gedenkdag van Sint Petrus en Paulus, 29 juni, woedde een zware storm over Rome, waardoor niet alleen het plafond van het pauselijk paleis instortte, maar ook het baldakijn waaronder de pauselijke troon stond. De steunbalk hield stand, waardoor Alexander er met een paar schrammen vanaf kwam. De gebeurtenis was voer voor de Romeinse geruchtenmolen. Pelgrims, die in grote aantallen aanwezig waren wegens het „heilige jaar”, vroegen zich af, wat de Goddelijke Voorzienigheid nog meer in petto zou hebben. Bijzonder populair was het verhaal dat de paus een nogal harde confrontatie had met de duivel, met wie hij naar men zei een pact had gesloten.

Alexander had intussen alle kerkelijke vertegenwoordigers in Noord-Italië hun ambt ontnomen en probeerde Venetië, dat dat gebied beschermde, ertoe te bewegen zich terug te trekken. Aangezien Venetië bereid was Forlì, Imola en Pesaro aan de Borgia’s over te laten, wou Alexander ook dat zij de Manfredi in Faenza en de Malatesta in Rimini zouden prijsgeven. Om de volgende veldtocht in de Romagna te bekostigen, benoemde hij nieuwe kardinalen benoemd, die hiervoor, zoals toen gebruikelijk, mochten betalen. Pesaro en Rimini vielen zonder strijd in Cesare’s handen, maar de Manfredi wilden niet zomaar buigen. De belegering moest in de winter onderbroken worden en had pas de volgende lente succes. Cesare liet Astorre Manfredi en zijn jongste broer, gevangen zetten in de Engelenburcht, hoewel men hen beloofd had dat zij vrij zouden kunnen uitreizen. Het jaar daarop werden zij gewurgd in de Tiber gevonden.

Geen kruistocht

De republiek Venetië probeerde in 1500 van de paus gedaan te krijgen dat hij een kruistocht tegen de Turken zou organiseren, maar hij vond de heerschappij van de Borgia’s over de Romagna een prioriteit. Alexander had elke dukaat voor eigen belangen nodig en hield het bij mooie woorden. Hoewel alle Europese heersers vonden dat men tegen de Turken ten strijde moest trekken, bleven ze allemaal hun eigen belangen op de eerste plaats zetten. Alexander spoorde dus de Spaanse en Franse koningen aan om zelf het goede voorbeeld te geven, terwijl hij erop vertrouwde dat het niet zover zou komen. Toch organiseerde hij over heel Europa hulpacties en stond toe dat er financiële ondersteuning voor de kruistocht bijeen werd gebracht, maar deze brachten nauwelijks 40.000 dukaten op, wat slechts een derde was van wat hij met de laatste kardinaalbenoeming had verdiend. Toen een Venetiaans afgevaardigde in maart 1501 deze toestanden bij de paus aankaartte, beschuldigde Alexander de Venetianen ervan dat ze met de kruistocht uitsluitend zelfzuchtige doelen voor ogen hadden.

Napels

In juni 1501 liet hij de koning van Napels definitief vallen, omdat hij inzag dat de Borgia’s zich niet zouden kunnen vestigen als erfgenamen van de troon. Frankrijk en Spanje hadden een akkoord bereikt over de verdeling van het gebied, en koning Frederik I van Napels (Federico) werd door de paus afgezet. In juli 1501 werd Capua ingenomen. Federico begaf zich naar het eiland Ischia, waar hij zich aan de Franse koning onderwierp. In ruil kreeg hij een Frans hertogdom.

Lucretia

Alexander zocht toen ook naar een passende echtgenoot voor zijn dochter Lucretia Borgia. De vorige, de hertog van Bisceglie, was zonder medeweten van de paus, in het Vaticaan vermoord op het bevel van Cesare. Alexander koos Alfonso d’Este, de oudste zoon van Ercole I d’Este, de erfgenaam van het hertogdom Ferrara en Modena. Aanvankelijk weigerde Lucretia, maar kon zich tegen haar vader niet doorzetten.

In de grensgebieden van Napels en alle delen van Latium werden de burchten van de Colonna en hun bondgenoten, de Savelli, veroverd en toegevoegd aan de eigendommen van de Borgia’s. De beide families werden bovendien in augustus 1501 geëxcommuniceerd.

In de lente van 1502 maakte de overeenkomst tussen Spanje en Frankrijk over Napels plaats voor een oorlog. Cesare probeerde het hertogdom Urbino te bemachtigen, dat toebehoorde aan de Montefeltro’s. Men verdreef ook Jacopo d’Appiano uit Piombino en verklaarde de stad tot bischopszetel.

In juni 1502 kondigde Alexander aan dat hij Ferrara met al zijn kardinalen zou bezoeken. Zo versluierde hij dat zijn zoon, die inmiddels tot pauselijke vlagdrager of Gonfaloniere bevorderd was, aan het hoofd van een leger richting Spoleto vertrok. Het was de bedoeling het hertogdom Urbino te overvallen. Volgens de versie van de Venetianen had hij de artillerie en een deel van het huurlingenleger van Guidobaldo da Montefeltro, de hertog van Urbino, tegen betaling aan zijn kant gehaald.

Tijdens de verovering van de stad ontkwam Guidobaldo. Op zijn vlucht stelde hij vast dat een aantal van de kasteelheren van zijn gebied hem weigerden onderdak te geven. Uiteindelijk vond hij toevlucht in het gebied van de Senenissima. Kort daarop, op 19 juli 1502 nam Cesare Camerino in, eveneens door omkoperij en verraad. De Borgia’s namen de gewezen generaal-commandant van de Venetianen, Giulio Cesare da Varano gevangen; later werd ook deze in Rome vermoord.

Bologna

Vervolgens richtte Alexander zijn belangstelling op Bologna. De toenmalige stadsschrijver van Venetië, Marino Sanudo, vermeldde dat de paus zo gek was op Bologna, dat hij indien nodig zijn mijter zou verkopen om de stad te bezitten. Bologna was weliswaar de jure pauselijk leengoed en behoorde tot de kerkelijke staat, maar Giovanni Bentivoglio, de heerser van Bologna, stond onder speciale bescherming van de Franse koning.

De vijanden van de Borgia’s probeerden de koning, die zich in de zomer van 1502 in Lombardije ophield, aan hun kant te krijgen. Cesare kon in een persoonlijk onderhoud met de koning een nieuwe alliantie sluiten: Cesare schreef de verovering van Arezzo toe aan een eigenmachtig initiatief van zijn veldheer Vitellozzo Vitelli en de koning verlangde de ondersteuning van de paus in de strijd om Napels.

Op die manier verloren de Bentivoglio en de Orsini hun beschermheren. De meesten dachten dat Cesare de gunst van de Franse heersers verspeeld had, en smeedden daarom plannen om wraak te nemen. Op 9 oktober 1502 kwamen vertegenwoordigers van de Orsini en van de Vitelli samen in de omgeving van het Trasimeense Meer. Ook de heersers van Perugia, een afgevaardigde van de Bentivoglio en van de heer van Siena waren aanwezig. De bondgenoten schoten snel in actie: op 14 oktober 1502 behoorde Urbino weer aan Montefeltro, en de da Varano keerden terug naar Camerino.

Door de indruk te wekken dat hij hen had vergeven, gaf Alexander zijn tegenstanders een veilig gevoel. Er werd een verdrag ondertekend dat allen die nu bondgenoten van Cesare waren, hun oude rechten zouden terugkrijgen. Cesare liet hen onverwachts op 31 december 1502 in de Romagna gevangen nemen (en liet Vitelli en Liverotto da Fermo nog dezelfde nacht wurgen). Intussen liet Alexander op 3 januari 1503 kardinaal Giovanni Battista Orsini alsook Jacopo en Antonio Santa Croce aanhouden.

Naar verluidt probeerde Alexander ook kardinaal Giovanni de Medici, de latere Leo X gevangen te nemen, om hem uit te leveren aan de republiek Florence en hem zo toch een bondgenootschap te dwingen. Maar de Medici sloeg de uitnodiging van de paus af en bleef buiten bereik.

Urbino werd door Cesare heroverd, en Alexander wenste van Venetië dat zij Guidobaldo da Montefeltro zouden uitleveren.

Toen kardinaal Orsini op 22 februari in de kerker stierf, geloofde iedereen ondanks de conclusies van een lijkschouwing dat hij het offer van een gifmoord was geworden. De Orsini, tegen wie Cesare nu een vernietigingsoorlog voerde, kregen steeds meer ondersteuning en konden niet alleen pauselijke mijnen plunderen, maar deden ook aanvallen op Rome.

Intussen vonden de Franse koning en Venetië dat zij door hun verbindingen met Alexander te zwaar belast werden, en begonnen bedreigingen te uiten tegen de paus en zijn zoon.

Alexander ging op zoek naar nieuwe bondgenoten en wou Spanje hiertoe overtuigen. Omdat dit enorme kosten met zich bracht, werd op zijn aanwijzing de oude Venetiaanse kardinaal Giovanni Michiel vergiftigd en vermogen meegenomen. Tot Alexanders ontgoocheling had de oude kardinaal het grootste deel van zijn financiën buiten Rome in veiligheid gebracht. (Uit de documenten van een gerechtelijk onderzoek dat de latere paus Julius II liet uitvoeren, werd deze moord bevestigd.)

Aangezien de Spaanse bevelhebber Gonzalo Fernández de Córdoba y Aguilar intussen de Fransen in Zuid-Italië versloeg en Napels bezette, wou Alexander in elk geval een verbond met Spanje sluiten. De moord op kardinaal Michiel had nauwelijks iets opgebracht, en dus werd een nieuwe kardinaaltaks geheven, die naar schatting 120.000 gouden dukaten in de pauselijke schatkist liet vloeien.

Toch aarzelde Alexander om naar de Spanjaarden definitief als bondgenoten te kiezen. Lodewijk, die zich niet neerlegde bij de nederlaag, was namelijk volop bezig een nieuw leger te bewapenen, en het wisselen naar de Spaanse kant zou ook een sterke invloed hebben op de toekomstvooruitzichten van Cesare, die als hertog van Valence een leenman van Frankrijk was. Alexander werd daarom weer geïnteresseerd in de Toscana. Dit was weliswaar een keizerlijk leengoed, maar zou voor Alexander slechts een kwestie van onderhandelingen zijn.

In Rome overleed de nepoot kardinaal Juan de Borja Llançol de Romaní / Juan Borgia-Llançol, aartsbisschop van Monreale. Zijn vermogen van meer dan 150.000 dukaten kwam naar de pauselijke schatkist. Men gaat ervan uit dat hier geen sprake was van moord, want een ondersteunende stem in de curie was meer waard dan rijkdom. De zomerhitte van dat jaar had reeds voor een aantal sterfgevallen gezorgd.

Overlijden

Het jubileum van zijn pausverkiezing op 11 augustus 1503 werd minder imposant gevierd als andere jaren. Maar de volgende morgen begon hij te braken en in de namiddag had hij koorts. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door Rome, en geruchten over vergiftiging verspreidden zich. Ook Cesare kreeg koorts, maar herstelde. Even scheen zich Alexanders gezondheidstoestand te stabiliseren, tot deze zich in de nacht van 17 op 18 augustus weer verslechterde. Op de snel stijgende koorts volgden ademmoeilijkheden en bewusteloosheid. Alexander overleed in de avonduren van 18 augustus.

Geruchten ober vergiftiging

Het gerucht deed in Rome de ronde dat zijn lichaam in korte tijd onnatuurlijk opgezwollen was, zich zwart verkleurde en stinkende vloeistoffen afscheidde. Tijdgenoten zagen daarin een bevestiging dat de paus vergiftigd werd en/of dat zijn ziel door de duivel werd afgehaald. In werkelijkheid kregen slechts weinigen het lijk te zien, en was een snelle ontbinding, zoals de pauselijke ceremoniemeester Johannes Burckard in zijn aantekeningen bevestigde, in de hete zomer in Rome niets buitengewoons.

Vooral twee versies van de vergiftigingstheorie werden populair:

  • Er werd gedacht dat Alexander en zijn zoon Cesare bij het feestmaal iemand anders hadden willen vergiftigen, maar dat het gif door een dienstknecht – mogelijk opzettelijk – werd verwisseld en aan de beide Borgia’s geserveerd werd.
    Het feit dat het banket niet in het Vaticaan plaatsvond, maar bij kardinaal Adriano Castellesi da Corneto, één van de meest vertrouwde vrienden van de paus, spreekt tegen deze theorie. Het zou ongebruikelijk zijn geweest indien de Borgia’s bij hun beste vrienden hun eigen schenkers hadden meegebracht.
    De Borgia’s schrokken er niet voor terug om lichamelijk geweld te gebruiken waar mogelijk. De aanwezige kardinalen die het feestmaal bijwoonden hadden net zoals Giovanni Orsini zonder veel moeite in de kerker van de Engelenburcht opgesloten kunnen worden. Het paste ook niet bij Cesare’s karakter om vergif te gebruiken.
    Wanneer men de symptomen vóór het overlijden van Alexander vergelijkt met die van de vergiftigde kardinaal Michiel, merkt men sterke verschillen: de kardinaal leed aan voortdurend braken, een symptoom van arsenicumvergiftiging. Alexander braakte slechts enkele malen, wat gevolgd werd door koorts, een verbetering en een hernieuwde koorts.
  • De tweede populaire versie van het vergiftigingsverhaal ziet kardinaal Castellesi als de dader. Met de moord op Alexander wou hij voorkomen dat hij zelf vermoord zou worden.
    Castellesi was voor de toenmalige verhoudingen schatrijk. Hij had zoals vele kardinalen in die tijd de kardinaaltitel voor een enorme som gekocht. Maar anders dan de Venetiaan Michiel, was Castellesi een openlijke partijgenoot van de Borgia’s en bovendien een hevige vijand van Giuliano della Rovere, die sinds het begin van Alexanders pontificaat alles in het werk zette om Alexander ten val te brengen. De kardinalen die van de Borgia’s iets te vrezen hadden, waren op dit moment reeds uit Rome gevlucht. Castellesi kon door een moordaanslag niets winnen. Zodra Alexander zou aftreden, zou hij zonder beschermheer staan. Hij moest ermee rekenen dat Della Rovere, de neef van Sixtus IV, nu zelf de tiara voor zich zou nemen en de Borgia-clan zou opruimen.

Waarschijnlijke doodsoorzaak

Alexander is waarschijnlijk gestorven aan malaria, maar in de ogen van de mensen die rechtvaardigheid wensten, en voor zijn tegenstanders die hij zich door zijn nepotisme had gemaakt, kon het niet zomaar een natuurlijke dood zijn. Aangezien zijn tegenstanders hem voorstelden als de antichrist op de pauselijke troon, moesten ook de geruchten over zijn dood een afschrikkend voorbeeld zijn voor de morele opbouw.

Graf

Als gevolg van zijn levenswandel, kreeg hij niet snel een praalgraf. In 1610 werd zijn gebeente overgebracht naar de kerk Santa Maria di Monserrato, maar een grafmonument dat daar gepland was, werd niet gebouwd. Pas in 1864 werden zijn resten samen met die van zijn voorganger Calixtus III en anderen door de Pruisische diplomaat Kurd von Schlözer herontdekt in een kist in een rek, waarin nog meer stoffelijke resten van anderen stonden. In 1889 werd tenslotte een grafmonument gebouwd.

Encyclieken

  • 4 mei 1493 Inter Caetera: de verdeling van Amerika tussen Spanje en Portugal.

1px.pngWikimedia Commons  Zie ook de categorie met mediabestanden in verband met Alexander VI op Wikimedia Commons.

rel=nofollow
Officiële Pausenlijst van de Katholieke Kerk
Flag of the Vatican City.png

Namen van de in het „Annuario Pontifico” als tegenpaus genoemde pausen staan cursief tussen haakjes.
PetrusLinusAnacletus IClemens IEvaristusAlexander ISixtus ITelesforusHyginusPius IAnicetusSoterEleutherusVictor IZefyrinusCalixtus I(Hippolytus)Urbanus IPontianusAnterusFabianusCornelius(Novatianus)Lucius IStefanus ISixtus IIDionysiusFelix IEutychianusCajusMarcellinusMarcellus IEusebiusMiltiadesSilvester IMarcusJulius ILiberius(Felix (II))Damasus I(Ursinus)SiriciusAnastasius IInnocentius IZosimusBonifatius I(Eulalius)Celestinus ISixtus IIILeo IHilariusSimpliciusFelix IIGelasius IAnastasius IISymmachus(Laurentius)HormisdasJohannes IFelix IIIBonifatius II(Dioscurus)Johannes IIAgapetus ISilveriusVigiliusPelagius IJohannes IIIBenedictus IPelagius IIGregorius ISabinianusBonifatius IIIBonifatius IVDeusdedit (Adeodatus I)Bonifatius VHonorius ISeverinusJohannes IVTheodorus IMartinus I(Eugenius I)Eugenius IVitalianusAdeodatus IIDonusAgathoLeo IIBenedictus IIJohannes VConon(Theodorus (II))(Paschalis (I))Sergius IJohannes VIJohannes VIISisinniusConstantinus IGregorius IIGregorius IIIZachariasStefanus (II)Stefanus II (III)Paulus I(Constantinus II)(Filippus)Stefanus III (IV)Hadrianus ILeo IIIStefanus IV (V)Paschalis IEugenius IIValentinusGregorius IV(Johannes (VIII))Sergius IILeo IVBenedictus III(Anastasius (III))Nicolaas IHadrianus IIJohannes VIIIMarinus IHadrianus IIIStefanus V (VI)FormosusBonifatius VIStefanus VI (VII)RomanusTheodorus IIJohannes IXBenedictus IVLeo V(Christoforus)(Sergius III)Sergius IIIAnastasius IIILandoJohannes XLeo VIStefanus VII (VIII)Johannes XILeo VIIStefanus VIII (IX)Marinus IIAgapetus IIJohannes XIILeo VIII(Benedictus V)Johannes XIIIBenedictus VI(Bonifatius VII)Benedictus VIIJohannes XIVJohannes XVGregorius V(Johannes XVI)Silvester IIJohannes XVIIJohannes XVIIISergius IVBenedictus VIII(Gregorius (VI))Johannes XIXBenedictus IXSilvester IIIBenedictus IXGregorius VIClemens IIBenedictus IXDamasus IILeo IXVictor IIStefanus IX(Benedictus X)Nicolaas IIAlexander II(Honorius II)Gregorius VII(Clemens (III))Victor IIIUrbanus IIPaschalis II(Theodoricus)(Albertus)(Silvester (IV))Gelasius II(Gregorius (VIII))Calixtus IIHonorius II(Celestinus (II))Innocentius II(Anacletus II)(Victor (IV) (Gregorius))Celestinus IILucius IIEugenius IIIAnastasius IVHadrianus IVAlexander III(Victor (IV) (Octavianus))(Paschalis (III))(Calixtus (III))(Innocentius (III))Lucius IIIUrbanus IIIGregorius VIIIClemens IIICelestinus IIIInnocentius IIIHonorius IIIGregorius IXCelestinus IVInnocentius IVAlexander IVUrbanus IVClemens IVGregorius XInnocentius VHadrianus VJohannes XXINicolaas IIIMartinus IVHonorius IVNicolaas IVCelestinus VBonifatius VIIIBenedictus XIClemens VJohannes XXII(Nicolaas (V))Benedictus XIIClemens VIInnocentius VIUrbanus VGregorius XIUrbanus VI(Clemens VII van Avignon)Bonifatius IX(Benedictus XIII van Avignon)Innocentius VIIGregorius XII(Alexander V)(Johannes (XXIII))Martinus V(Clemens VIII van Avignon)(Benedictus XIV van Avignon)Eugenius IV(Felix V)Nicolaas VCalixtus IIIPius IIPaulus IISixtus IVInnocentius VIIIAlexander VIPius IIIJulius IILeo XHadrianus VIClemens VIIPaulus IIIJulius IIIMarcellus IIPaulus IVPius IVPius VGregorius XIIISixtus VUrbanus VIIGregorius XIVInnocentius IXClemens VIIILeo XIPaulus VGregorius XVUrbanus VIIIInnocentius XAlexander VIIClemens IXClemens XInnocentius XIAlexander VIIIInnocentius XIIClemens XIInnocentius XIIIBenedictus XIIIClemens XIIBenedictus XIVClemens XIIIClemens XIVPius VIPius VIILeo XIIPius VIIIGregorius XVIPius IXLeo XIIIPius XBenedictus XVPius XIPius XIIJohannes XXIIIPaulus VIJohannes Paulus IJohannes Paulus IIBenedictus XVIFranciscus I