Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Expedities naar Saparoea

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Leeswaarschuwing   Onderstaande tekst is gebaseerd op bronnen uit de 19de eeuw. (Publieke domein)
De tekst geeft hierdoor de zienswijzen van die tijd weer.
rel=nofollow

De expedities naar Saparoea waren twee expedities van het Indische leger naar Saparoea in 1817. Het waren de eerste expedities na het herstel van het Nederlandse gezag in Nederlands-Indië na de bezetting door de Engelsen.

Beschrijving

Inleiding

Bestand:Saparoea na moordpartijen.jpg
Overdracht van het kind van resident Van den Berg

Begin 1817 had het invloedrijke hoofd van Saparoea, Matulesia, de bevolking tot opstand tegen de nieuwe bewindvoerders opgezet, daarbij gebruik makend van inlands bijgeloof en opvattingen. Matulesia zag de overgangstoestand, waarin het eiland verkeerde, doordat de Engelsen nog maar pas het bewind hadden overgegeven aan de Nederlanders, als een goed moment om in de toekomst de bevolking te overheersen. Doordat alles in het geheim had plaatsgevonden wist de resident, J.R. van den Berg, nog van niets, toen de opstand plotseling uitbrak. De resident, zijn familie (vrouw en kinderen en de gouvernante) en allen die aan het Nederlandse bestuur verbonden waren werden vermoord en de zwakke bezetting van het fort Duurstede werd overvallen. Allen werden ter dood gebracht, wat waarde had geroofd en het overige verwoest; Matulesia werd nu door de bevolking als leider erkend en als vorst geëerd. Alleen een kind van de resident werd, hoewel zwaar gewond, uit het bloedbad gered door een inlandse vrouw. Het werd later, na de tweede expeditie naar Saparoea, toen majoor A.J. Meijer en kapitein F. Vermeulen Krieger de opstandelingen hadden verslagen, aan de naaste familie op Java teruggegeven.

Toen het bericht van de moordpartijen Amboina bereikte verzamelde de resident aldaar een grote troepenmacht, om de opstandelingen geen tijd te laten tot organisatie en om te beletten dat de opstand zich over andere eilanden ging verspreiden. De expeditionaire colonne werd onder leiding gesteld van majoor der artillerie P.J. Beetjes; deze colonne was samengesteld uit manschappen van het garnizoen te Amboina en versterkt met een marine landingsdivisie, afkomstig van het ter rede liggende oorlogsfregat Evertsen; de landingsdivisie stond onder commando van luitenant-ter-zee Munter en adelborst der eerste klasse F.X.R. 't Hooft. De gehele troepenmacht, met een sterkte van 13 officieren en 365 onderofficieren en manschappen, werd overzee naar Saparoea gevoerd, waar men in de middag van de 22ste mei 1817 aankwam. Naast de Evertsen nam ook het schip de Nassau (met 50 man, onder commando van de luitenants Scheidius, Van Lith de Jeude en adelborst Anemaet) deel aan de expeditie. Onder de troepen bevonden zich 100 Javanen, die net als de rest van de troepen onder commando vielen van Beetjes, kapitein Staalman en tweede luitenant Verbrugge.[1] Er werd direct gedebarkeerd om de troepen op te stellen; dit alles gebeurde onder het vuur van de vijand, die in het struikgewas verborgen, de ontscheepte manschappen met lansen bewierp.

Eerste expeditie

Eén der eerste gesneuvelden was luitenant-ter-zee Munter, zodat adelborst 't Hooft dit commando overnam. Nadat het debarkement voltooid was verdeelde Beetjes de troep in drie colonnes; 't Hooft en de marinelandingsdivisie werden ingedeeld bij de derde colonne, die onder aanvoering van eerste luitenant der infanterie Verbrugge een omtrekkende beweging moest maken. De drie colonnes raakten direct al in een hevig gevecht met de vijand. De derde colonne ondervond ernstige tegenstand en vele manschappen raakten gewond of sneuvelden. Toen de colonne niet verder kon, doordat zij steeds door de vijand aangevallen en teruggeslagen werd, werd het signaal "retireren" geblazen. De andere colonnes, die zonder onderling verband opereerden, hadden evenals de derde colonne ernstige tegenstand ondervonden en dreigden te worden ingesloten. Toen het signaal "retireren" werd geblazen keerde men terug naar het strand, waar bleek dat de prauwen verdwenen waren. Men had verzuimd een wacht daar achter te laten. Nu waren de troepen omsingeld door de vijand en de terugkeer was afgesneden; in het gevecht dat volgde werden alle officieren en manschappen afgeslacht.

De derde colonne, die later aankwam, viel de vijand aan met de bajonet, daarin voorgegaan door luitenant Verbruggen en adelborst 't Hooft. Vrijwel alle manschappen van de derde colonne sneuvelden maar 't Hooft bleef het vaandel vasthouden. Met dit vaandel ontkwam hij aan de vijand door de zee in te gaan. Hij werd opgepikt door matroos Vink en in een losdrijvende prauw overgebracht, waarin zich nog het lichaam van Munter bevond. Vink en 't Hooft konden nog 12 andere manschappen uit het water redden; de Evertsen nam hen opnieuw aan boord en voer hen vervolgens naar Amboina terug. 12 officieren en 352 onderofficieren en manschappen hadden die dag de dood gevonden. Er werd zonder aarzelen nu een nieuwe expeditie uitgezonden. Aldus was de eerste expeditie een totale mislukking geworden: de troepen waren om 9 uur op het eiland geland en om 11 uur waren vrijwel allen gedood of verdronken. Luitenant Nieuwland Scheidius, die een kogel in de linkerzijde had gekregen, overleed op 30 mei 1817 op het schip Nassau aan de gevolgen van zijn verwondingen. Onder de gesneuvelden te Saparoea was onder meer flankeur-kapitein J. Staalman. De opstandelingen gingen na de moordpartij naar het eiland Oma, waar zij de hoofdplaats Haronka aanvielen. Het fort echter, hoewel door een aardbeving zwaar beschadigd, was door de commanderend kapitein, Van Driel, goed verschanst en gewapend met zes kanonnen van drie pond en een houwitser. Het fort werd bovendien aan de zeezijde ondersteund door het koopvaardijschip de Zwaluw.[1]

Tweede expeditie

De tweede expeditionaire macht bestond uit ongeveer driehonderd manschappen, bijgestaan door enige Alfoerse hulpbendes en gewapende Ambonese burgers en was verdeeld in drie colonnes, onder bevel van majoor A.J. Meijer. De macht was ingescheept op kleine vaartuigen en werd ondersteund door Z.M. schepen Evertsen, Nassau en Maria van Reigersbergen, de koloniale korvetten Iris en de Zwaluw en het ingehuurde schip Dispatch. Zij waren bestemd om de lading te dekken en desnoods met gewapende detachementen uit hun equipage deel te nemen aan de operaties. De Evertsen en de Nassau lagen in de haven van Saparoea, de Maria van Reigersbergen moest Porto en Haria in bedwang houden, de korvet Iris lag met enige kleine vaartuigen voor Hatoewana, de korvet Zwaluw voor Noessa Laut en de Dispatch stond ter beschikking van de commanderend officier van de Maria van Reigersbergen gesteld, om naar omstandigheden te ageren. De eerste bewegingen waren gericht tegen de negorijen Kaijlolo en Pelauw op Haroekoe; deze acties vonden op de 2de en 3de november plaats en genoemde plaatsen werden overmeesterd. Aan allen die zich onderwierpen werd begiffenis geschonken maar 20 rebellen werden direct berecht en neergeschoten. Op de 6de werden de negorijen Hollatoea en Aboro veroverd, waardoor de rust op het eiland Haroekoe verzekerd was.

Vervolgens stak de expeditie de 8ste over naar het eiland Saparoea, waar majoor Meijer de 9de landde te Porta. De muitelingen aldaar en te Haria werden aangevallen terwijl op dezelfde tijd door de bezetting van het fort Duurstede, onder leiding van kapitein Lisnet, een aanval werd gedaan op de muitelingen die zich in de nabijheid van het fort hadden verschanst. Het resultaat van al deze bewegingen was een volkomen overwinning; alle vijandelijke verschansingen werden, ondanks een zeer hardnekkige tegenstand, veroverd. Toen uiteindelijk majoor Meijer zijn vereniging met het garnizoen van fort Duurstede tot stand had gebracht werd alles wat zich daartussen bevond met de grond gelijk gemaakt. Tijdens de gevechten werd luitenant Frissart (bataljon nummer 26) dusdanig gewond dat hij kort daarna overleed. Nu werd koers gezet naar de negorij Booij, waar Meijer de 11de hoorde dat de opstandelingen zich te Oulat en Ouw verschanst en in groten getale verenigd hadden. Meijer stelde zich vervolgens aan het hoofd van zijn troepen, sterk 140 man, en begon het gevecht bij Oelat. Dit was zeer hevig en bij het bestormen van de zevende borstwering werd majoor Meijer door een kogel in de keel gewond. Zijn commando werd overgenomen door kapitein Gezelschap van het tweede bataljon vijfde regiment en deze voltooide de nederlaag van de rebellen. Onder de gesneuvelden bevond zich luitenant Richemont en onder de gewonden kapitein Vermeulen Krieger.

Nasleep

Het schip de Maria van Reigersbergen, de korvetten Venus en Iris en de flotielje Ternataanse Korakoras werden naar Loehbe gezonden om die plaats te hernemen en de inwoners van Ceram te straffen voor het aandeel dat zij in de opstand hadden gehad. Het bevel over deze expeditie werd opgedragen aan kapitein Groot en het detachement infanterie werd aangevoerd door majoor van Driel. Op de eerste december werd Loehoe, na enige tegenstand, genomen en vervolgens zeilde de flotielje langs de kust van Ceram, waarbij alle oproerige negorijen, waarvan enigen met stenen muren verschanst waren en die veel tegenstand boden, in de as werden gelegd. De Ternataanse hoofden, die aan deze expeditie deelnamen, bewezen veel diensten maar ook het gedrag van de Ambonese burgers en Alfoerse hulpbendes werd geprezen. De rust was aldus hersteld voordat de hulptroepen met de schepen Wilhelmina en Venus en het transportschip Baron van der Capellen waren aangekomen. Later werden vooral de moed en het beleid van majoor van Driel, die een klein stukje grond op Haroekoe verdedigde, en de herinname van het fort op Saparoea door kapitein Groot zeer geprezen. Groot commandeerde Z.M. fregat Maria van Reigersbergen, en hij, zijn bemanning en enige burgers, wisten de muitelingen tot de komst van schout-bij-nacht Buijskes tegen te houden. Daarna wist Groot door de juiste manoeuvres met zijn schip veel bij te dragen tot de goede uitslag van de expeditie.[2] De inwoners van de opstandige eilanden hervatten hun bezigheden en waren volgens de rapporten van schout-bij-nacht Buyskes in september 1817 alweer bezig met de kruidnageloogst.[3]

Later, op 16 januari 1818, overleed majoor der infanterie A.J. Meijer[4] Hij had bij het forceren der verschansing van de negorij Plouw een schot in de hals gekregen, die door de long tot in het schouderblad doorgedrongen was. Vlak na het gevecht was er nog enige hoop geweest dat hij deze verwonding zou overleven.[3] In de Bataviasche Courant stond: Majoor Meijer is aan zijn roemrijk verkregen verwondingen in de affaires tegen de muitelingen van Saparoea overleden. De koning verliest in hem een zeer dapper en kundig officier aan wiens moed en beleid het voor een groot gedeelte te danken was dat de muitelingen ten onder konden worden gebracht.[5] Na de expeditie besloot de schout-bij-nacht, commissaris-generaal, in aanmerking nemend dat Meijer als commandant van de expeditie tegen de muitelingen alle mogelijke moed en beleid had getoond en dat men de overwinning grotendeels aan hem te danken had gehad, dat de begrafenis plaats zou vinden met de militaire eer die voor een luitenant-kolonel was bepaald, dat er van de Maria van Reigersbergen schoten zouden worden afgevuurd in de tijd dat het lijk naar het graf werd gedragen en dat er op het graf een gedenkteken zou worden opgericht. Als laatste werd bepaald dat alle kosten zouden worden vergoed door het gouvernement.[6]

Zie ook

Bronnen, noten en/of referenties
  1. 1,0 1,1 's Gravenhaagsche Courant, 10 december 1817
  2. º Bataviasche Courant, 21 februari 1818
  3. 3,0 3,1 Middelburgsche Courant, 23 juni 1818
  4. º Meijer werd 28 jaar oud. Hij kreeg zijn verwondingen op 12 november 1817 en overleed op 16 januari 1818 te Amboina aan de gevolgen. Rotterdamse Courant, 10 september 1818
  5. º Bataviasche Courant, 28 maart 1818
  6. º Bataviasche Courant, 25 april 1818
rel=nofollow
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indë. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.
  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
  • 1902. A.S.H. Booms. 'De adelborst F.X.R. 't Hooft redt de Nederlandse vlag - 1817', in Neerlands Krijgsroem in Insulinde. Schitterende daden van moed, beleid, trouw en zelfopoffering in de 19e eeuw sedert de instelling van de militaire Willemsorde. W.P. van Stockum & Zoon. Den Haag.
rel=nofollow