Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Moderne Tijd

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De moderne tijd of nieuwste tijd is een periode in de recente westerse geschiedenis die volgt op de vroegmoderne tijd. Afhankelijk van de gekozen periodisering duurt ze tot nu of wordt ze gevolgd door de eigentijdse tijd. De moderne tijd is een onderdeel van de nieuwe tijd, al wordt met die benaming soms ook de vroegmoderne tijd aangeduid.

Moderne periodiseringen

Over de mogelijke periodiseringen bestaat in onze tijd geen consensus onder historici. Uiteindelijk zal de periodisering en de terminologie in belangrijke mate afhangen van de invalshoek die wordt gehanteerd. Een voorbeeldje maakt dit duidelijk. Zo spreken hedendaagse historici zowel over moderne tijd en nieuwe tijd als over Ancien régime, waarmee ze grosso modo dezelfde periode bedoelen. Indien men aan het cultuurfenomeen renaissance een beslissende betekenis toekent, dan situeert het omslagpunt van de moderne tijd zich waarschijnlijk al omstreeks 1400. De historicus die het belang van de ontdekkingsreizen wil beklemtonen, zal daartegenover eerder kiezen voor 1492. De Franse historicus Fernand Braudel verkoos dan weer om, op basis van studies naar onder meer de golf van prijsbewegingen, voor een begintijdvak 1450-1650, wat hij de "lange zestiende eeuw" noemde. Uiteindelijk heeft Johan Huizinga een punt als hij zegt dat vage en globale periodeaanduidingen te verkiezen zijn, omdat elke aanduiding en periodisering omstreden is en nooit meer is dan een hulpmiddel voor de historicus. Traditioneel onderscheidt men drie grote perioden in de Europese geschiedenis: oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd. De moderne tijd maakt deel uit van die laatste periode. Zoals vaker bij periodisering is er echter geen algemeen geaccepteerd beginpunt, vooral omdat historici uit verschillende landen een datum uit hun nationale geschiedenis kiezen die het best past als symbool voor het begin van de moderne tijd.

Lange tijd was het gebruikelijk om de moderne tijd rond 1800 te laten beginnen. Jaartallen die dikwijls als zodanig gebruikt worden zijn 1776 (de Amerikaanse Revolutie), 1789 (de Franse Revolutie), 1815 (de nederlaag van Napoleon en het Congres van Wenen), 1848 (het Revolutiejaar) en 1870 (het begin van de Frans-Duitse Oorlog). Baanbrekende ontwikkelingen zoals de industrialisatie deden zich in West-Europa veel eerder voor dan elders. In andere delen van de wereld, zoals bijvoorbeeld Afrika en Siberië, drong modernisering pas in de twintigste eeuw door. Hoewel sommige historici ook nog de term postmodern hanteren, is het niet ongebruikelijk om ook het heden als 'modern' te beschouwen. De periode na 1945 wordt soms eigentijdse tijd genoemd.

Het begrip moderniteit kan ook een moderne samenleving aanduiden. De samenlevingen die hieraan voorafgaan worden dan premodern, voormodern of traditioneel genoemd. In een dergelijke samenleving is de mens opgenomen in een gegeven orde waaraan hij zich moet aanpassen. Het individu heeft daarbij slechts een beperkte invloed op zijn eigen lot. Religie speelt in voormoderne samenlevingen een grote rol.

Ontstaan

De verlichting heeft de basis gelegd voor de moderne tijd, onder andere omdat de rol van religie werd teruggedrongen en werd vervangen door de rede, de ratio. Men geloofde in vooruitgang en rationaliteit, in een geconstrueerde en ordelijke maatschappij met een sturend centrum.

Door praktische toepassing van de ratio kwam een proces van modernisering op gang die zeer ingrijpend bleek. De overgang van de premoderne naar de moderne samenleving was een revolutionair gebeuren, een grote overgang, die de oudere maatschappij grondig veranderde.

Kenmerken

De aldus ontstane moderniteit laat zich aan de hand van enkele aan elkaar gerelateerde kenmerken beschrijven:

  • rationaliteit
  • een afnemende rol van het geloof, secularisering
  • democratisering
  • een continu streven naar vernieuwing, verandering en verbetering
  • Individualisering
  • een geïndustrialiseerde maatschappij
  • een belangrijke rol voor de wetenschap
  • een belangrijke rol voor technologie
  • beheersing van de natuur en samenleving door wetenschap en techniek

Overzicht

De belangrijkste kenmerken van de moderne tijd zijn de volgende: moderne wetenschap, oorlogvoering met modern wapentuig, een gemechaniseerde industrie, snelle communicatiemiddelen, effectieve stelsels van belastingheffing en rechtshandhaving, moderne geneeskunde en volksgezondheidszorg.

Hierbij moet opgemerkt worden dat bovengenoemde factoren niet uitsluitend positieve effecten hadden. 'Modernisering' kan tegelijkertijd ook zeer ontwrichtend werken. Oude beschavingen en tribale gemeenschappen geraakten erdoor in crisis. De aanleg van spoorwegen leidde tot massale werkloosheid onder sjouwers en rivierschippers. Katoenspinners en wevers in India konden niet langer concurreren met de industrie in Lancashire. Nomaden die van hun kudden leefden raakten hun weidegronden kwijt aan blanke kolonisten die akkerbouw of mijnbouw bedreven. Fluctuaties in de prijs van exportproducten vergrootten de economische onzekerheid.

Liberalisme en nationalisme waren de dominante ideologieën gedurende de eeuw voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Vrijhandel was de norm. Hoewel antisemitisme een alledaags verschijnsel bleef, was deze periode ook de tijd van de grote joodse emancipatie. De sociale wetgeving die werd geïntroduceerd was mede een onderdeel van de liberale ideologie. In de regel waren ook de sociaaldemocraten en de arbeidersbeweging loyaal aan de nationale staat en het parlementair stelsel. Alle grote mogendheden probeerden een grootschalig militair conflict te vermijden. Een optimistisch vooruitgangsgeloof was dan ook gemeengoed. Tot 1914 bleef het liberalisme dominant; vanaf 1880 was zijn invloed wel over zijn hoogtepunt heen. De Eerste Wereldoorlog was niet alleen een slachtpartij van ongekende omvang, maar maakte ook een eind aan dit vooruitgangsgeloof; de Franse intellectueel Paul Valéry verwoordde dit in 1919 in zijn essay La crise de l'esprit, waarin hij stelde dat we nu weten dat beschavingen sterfelijk zijn.

Zowel arbeiders als producenten van grondstoffen waren de slachtoffers van de economische conjunctuurbewegingen. In 1873 begon een zware economische crisis die lonen en prijzen sterk deed dalen, welke duurde tot 1893. Dit was vooral het gevolg van het massaal op de markt brengen van goedkoop graan uit het Middenwesten van de Verenigde Staten en uit de steppen van Zuid-Rusland. Europese boeren konden hiermee niet concurreren en bepleitten invoerrechten ter bescherming. Rond 1880 werden deze in verschillende landen ingevoerd. Spoedig volgde de industrie dit voorbeeld. In Duitsland sloten de Pruisische Junkers en de industrie in het Rijnland een verbond om beschermende maatregelen af te dwingen. Bismarck werd gedwongen deze in 1879 in te voeren; in 1892 voerde ook Frankrijk uitgesproken hoge tarieven in. Het land dat als eerste tarieven invoerde waren de Verenigde Staten, die in de tijd na de burgeroorlog snel industrialiseerden.

De industriële revolutie was begonnen in Groot-Brittannië. België was vanaf 1830 het eerste land op het Europese continent dat hieraan meedeed. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren er vele landen die overgingen tot industrialisatie. Sterke spelers waren de Verenigde Staten, Duitsland en Japan.

Na 1900 kwamen er meer en meer signalen dat de invloed van het liberalisme tanende was. De arbeidersbeweging werd militanter en de invloed van het socialisme nam toe. In 1906 werd er door mijnwerkers in Frankrijk gestaakt. In Engeland werd de macht van de arbeidersbeweging gedemonstreerd door grootschalige stakingen in de mijnen en bij de spoorwegen in 1911 en 1912. De Britse Liberale Partij nam na 1906 verschillende sociale maatregelen die in strijd waren met het klassieke "laisser faire". Min of meer gelijktijdig bepleitte de Britse liberale politicus Joseph Chamberlain een terugkeer naar protectionisme.
De kort hiervoor opgerichte Labourpartij voerde het beginsel van fractiediscipline in. Doordat de andere partijen deze strategie overnamen veranderde het parlementaire debat van karakter. Sommige groeperingen, onder wie de Engelse "suffragettes" (pleitbezorgers van vrouwenkiesrecht), namen hun toevlucht tot gewelddadige acties om gehoord te worden. Toen in 1914 het Britse parlement besloot tot "home rule" (zelfbestuur) in Ierland riepen conservatieve groeperingen op tot actief verzet.

Imperialisme

In de periode na 1870 verwierven de Europese machten grote koloniale rijken. Deze territoriale expansie werd mogelijk gemaakt door grootschalige industrialisatie en een spectaculaire toename van wetenschappelijke en technische kennis. De gekoloniseerde gebieden hadden weinig verweer tegen dit imperialisme, zeker niet in militair opzicht; koloniale mogendheden hadden het meest te duchten van Europese rivalen. Rusland bereikte in die tijd met zijn sinds de 17e eeuw aan de gang zijnde oostwaartse expansie door Siberië de Stille Oceaan en vestigde zelfs enkele nederzettingen in Alaska. Ook de Verenigde Staten werden een belangrijke speler op het wereldtoneel. In 1823 formuleerde de Amerikaanse president James Monroe de naar hem genoemde Monroedoctrine, die inhield dat Europese koloniale invloed van het Westelijk halfrond geweerd moest worden. In de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog (1846-1848) bewees Amerika dat het op weg was zelf een grote mogendheid te worden door Mexico van een kwart van zijn grondgebied te beroven. Vanaf 1863, na de Amerikaanse Burgeroorlog, ontwikkelde het zich verder door massale immigratie vanuit Europa en door razendsnelle industrialisering. Rond 1900 waren de verschillende delen van de wereld zo sterk met elkaar verweven dat men voor het eerst van een wereldeconomie en een internationale markt kan spreken. Amerika maakte in 1898 in de Spaans-Amerikaanse Oorlog zonder moeite een eind aan het laatste restje van het Spaanse koloniale rijk op het Westelijk Halfrond en op de Filipijnen. In de loop van de 20e eeuw werd Latijns-Amerika voor een groot deel een Amerikaanse invloedssfeer, een 'achtertuin', zonder dat het tot openlijke kolonisatie kwam. In Latijns-Amerika werd dit ‘Yankee-imperialisme’ genoemd.
Japan maakte als enig niet-Westers land vanaf 1868 (de Meijiperiode) zelfstandig een stormachtige ontwikkeling door die de traditionele orde doorbrak. Japan ontpopte zich zelfs als een rivaal voor Rusland en diverse Westerse mogendheden met een eigen invloedssfeer in Korea en Mantsjoerije en later ook Zuidoost-Azië. In 1941 zou dit de aanleiding worden voor het conflict tussen Japan enerzijds en Amerika en de Britse, Franse en Nederlandse koloniale mogendheden anderzijds. Na de Tweede Wereldoorlog kregen naast de Filipijnen ook Japan en Taiwan de status van Amerikaanse bondgenoot, tegen het communistisch geworden China. In de Stille Oceaan werden tal van eilanden en archipels die op Japan veroverd waren, Amerikaanse protectoraten.
Was vanaf de 16e eeuw het kolonialisme vooral economisch en godsdienstig gemotiveerd geweest, in de 19e eeuw kwamen daar culturele en raciale motieven bij. Als gevolg van de Europese expansie werden de economische, politieke en culturele verworvenheden van Europa over een groot deel van de wereld verspreid, hetgeen een mengeling van weerzin en bewondering opwekte bij de gekoloniseerde volkeren.
De term 'westers' raakte in zwang om Europa en zijn koloniën aan te duiden. Toen er in de twintigste eeuw een einde kwam aan de Europese suprematie ontstond een nieuwe terminologie: 'ontwikkelde landen' in de Eerste Wereld en ontwikkelingslanden ofwel derdewereldlanden. Met de Tweede Wereld werd het door het communisme beheerste deel aangeduid.

Uitvindingen

In de moderniteit speelt het streven naar vernieuwing en verbetering een belangrijke rol. Wetenschap en technologie nemen een prominente positie in en de ontwikkelingen op dit gebied zijn gevolgen van de moderniteit. Wetenschappelijke en technologische uitvindingen hebben invloed gehad op de menselijke gezondheid en op economisch, religieus, sociaal en theoretisch gebied.

Een voorbeeld van technologische vernieuwingen is te vinden in Groot-Brittannië, waar aan het einde van de 18e eeuw de Industriële Revolutie begon, die zich in de 19e eeuw verder over Europa verspreidde. Door de invoering van moderne machines was er snellere en grootschalige productie mogelijk, van bijvoorbeeld stof en ijzer. Het gebruik van paarden en ossen als lastdieren of vervoersmiddelen was niet meer nodig. Door de technische verbeteringen en de komst van nieuwe machines kwamen er nieuwe reis- en vervoersmogelijkheden zoals de auto, de trein, het schip en het vliegtuig. De motoren van deze machines konden draaiende gehouden worden door energiebronnen zoals steenkool en aardolie. Goederen en grondstoffen konden op deze manier in grote hoeveelheden en over grote afstanden worden getransporteerd. Wereldwijde transport was mogelijk en hier maakte Groot-Brittannië, en later ook de Verenigde Staten, Europa en Japan veelvuldig gebruik van.

Er werd vooruitgang geboekt op wetenschappelijk gebied. Uitvindingen zoals de telefoon, de radio, de microscoop en de telegraaf droegen bij aan veranderingen in de maatschappij. De communicatie werd vergemakkelijkt door de telefoon en de telegraaf en wetenschappelijke kennis werd uitgebreid door o.a. de komst van de microscoop. In de medische wereld werd er vooruitgang geboekt door het ontdekken van de röntgenstraal en daarmee gepaard de komst van de röntgenfoto. Ook de ontdekking van antibiotica (zoals penicilline) was een medische vooruitgang. Dit was een nieuwe manier om ziektes te kunnen bestrijden. Verder zorgde chirurgie en nieuwe medicijnen voor vooruitgang in de gezondheidszorg, in ziekenhuizen en in de verpleegkunde.

Binnen de moderniteit waren er ook veranderingen met betrekking tot de kijk op de mens en op identiteit. De theorieën van onder andere Charles Darwin en Sigmund Freud waren invloedrijk. Charles Darwin zorgde met zijn evolutietheorie voor een revolutionaire doorbraak in de kennis van de mens en de ontwikkeling van de mens en over kennis van planten en dieren. Het resultaat was dat velen anders naar de geschiedenis van de mens en al het andere leven keken. Sigmund Freud zorgde met zijn theorie over psychoanalyse voor nieuwe visies op de mens en met name op identiteit. Freud stelde dat de mens altijd over een gespleten identiteit beschikt, de menselijke identiteit bestaat altijd uit 3 delen: ego, id en superego. Later zouden deze theorieën, met name Darwins evolutietheorie, de basis vormen voor racisme, nationalisme en politieke systemen. Theorieën werden dan uit hun oorspronkelijke context gehaald en in een andere context geplaatst, waardoor er een heel andere betekenis aan werd gegeven, meestal totaal anders dan dat de schrijver/filosoof had bedoeld.

Voor- en nadelen

De moderniteit heeft volgens aanhangers belangrijke voordelen. De mens hoeft zich niet meer te schikken in een gegeven orde en kan zich in vrijheid ontwikkelen. Dit resulteerde onder andere in materiële vooruitgang en een sterke toename van de levensstandaard.

De moderniteit leidde in de ogen van velen echter ook tot grote nadelen, zoals:

Voor- en tegenstanders

Onder andere progressieven en de aanhangers van het vooruitgangsgeloof behoren tot de voorstanders van de moderniteit.

Hiertegenover bestaat er ook een lange traditie van moderniteitskritiek. De romantiek, het conservatisme en het meer recente postmodernisme zijn hiervan belangrijke voorbeelden.

Na de moderniteit

Nu de moderne samenleving in de loop van zijn bestaan inmiddels al weer belangrijke wijzigingen ondergaan heeft, is er een debat ontstaan over de vraag of onze tijd nog steeds tot de moderniteit gerekend moet worden, of dat er inmiddels een andere samenleving is ontstaan.

Er zijn partijen die van mening zijn dat de moderniteit nog niet voorbij is, en dat de veranderingen in de moderniteit moeten worden opgevat als een modernisering van de moderniteit. Men spreekt wel van een samenleving die laatmodern zou zijn. Ook spreekt men wel over hypermoderniteit of een tweede moderniteit.

Daartegenover staan partijen die menen dat de moderniteit voorbij is, en dat we inmiddels zijn overgegaan naar een ander soort samenleving, bijvoorbeeld een postmoderne samenleving.

Gebeurtenissen

Belangrijke personen

Zie ook

Essay:Het mensbeeld van de Moderne Tijd Het mensbeeld van de Moderne Tijd

Literatuur

  • Palmer, R.R., Colton, J. en Kramer, L. (2007): A history of the modern world, tiende druk, McGraw-Hill, Boston enz..
  • Rieger, Bernhard. (2005) Technology and the culture of modernity in Britain and Germany. Cambridge: Cambridge University Press.
  • Fritzsche, Peter. (2004) Stranded in the present: modern time and the melancholy of history. Cambridge: Harvard University Press.
  • Gentile, Emilio. (2003) The struggle for modernity : nationalism, futurism, and fascism. Westport: Praeger.
  • Therborn, Göran. (1995) European modernity and beyond : the trajectory of European societies, 1945-2000. Londen: Sage.
  • Goody, John Rankine. (2004) Capitalism and modernity: the great debate. Cambridge: Polity Press.
  • Dhondt, J. & A. de Decker. (1979) De industriële revolutie. Kapellen: De Sikkel.
  • Gay, Peter. (1978) Freud, Jews, and other Germans : masters and victims in modernist culture. New York: Oxford University Press.

Artikelen

  • Coulby, David & Crispin Jones. (1996) ‘Post-Modernity, Education and European Identities’, in: Comparative Education, 32, nr. 2: 171-184.
  • Graham, Gordon. (1992) ‘Religion, Secularization and Modernity’, in: Philosophy, 67, nr. 260: 183-197.
  • Sahlins, Marshall. (1999) ‘What is Anthropological Enlightenment? Some Lessons of the Twentieth Century’, in: Annual Review of Anthropology, 28: 1-23.

Internet