Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Hermeneutiek

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Filosofie
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Geschiedenis van de westerse filosofie
Oosterse filosofie Hindoeïsme
Chinese filosofie
Japanse filosofie
Confucianisme
Taoïsme
Boeddhisme
Zoroastrisme
Arabische filosofie
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen

Hermeneutiek (Grieks: ἑρμήνευειν; 'uitleggen', 'verklaren,' 'vertalen') is een begrip dat door de Griekse dichter Homerus (circa 800 v.Chr.) werd omschreven als de uitleg en vertaling van berichten die door de goden der Griekse mythologie aan mensen werden gegeven. Homerus beriep zich daarbij op de god Hermes. Later werd de hermeneutiek door de sofisten gebruikt in hun retoriek. Tot aan Maarten Luther bleef de hermeneutiek een soort hulpwetenschap van de theologie.

Historie

In de Oudheid was zij voor de Sofisten de kunst om op een juiste wijze redevoeringen te houden. In Plato's dialogen was hermeneutiek de methode waarmee Socrates probeert grip te krijgen op het transcendente ‘zijnde’, de vormen der ideeënwereld, door middel van ‘lagere’ zaken zoals het dagelijks leven en specifieke redeneringen. Het neoplatonisme met zijn getallenmystiek verstond hermeneutiek als de kunst de werkelijkheid op juiste wijze in getallen uit te drukken.

Met Maarten Luther (1483-1546) kwam een wending van het louter vertalen naar een algemene theorie van de ervaring van het menselijke denken. Het eerste aspect van deze theorie is dat een tekst niet te 'verstaan' is zonder de auteur, deze moest als medemens worden begrepen. Het tweede gezichtspunt behelst de beperktheid van de menselijke rede.

In de moderne filosofie moet beroep worden gedaan op Wilhelm Dilthey (1833-1911) die de hermeneutiek helemaal van karakter deed veranderen. Zij is niet meer een kunst van het lezen van een tekst in de samenhang van ontstaan in correlatie tot de auteur, maar de leer van het leven zelf. Het 'Verstehen' is het bepalend element van de zijnswijze van het menselijk bestaan als oorspronkelijk begrijpen dat ieder mens is meegegeven als bestemdheid alles een zin te moeten geven.

De romantische hermeneutiek van Schleiermacher

Friedrich Schleiermacher (1768-1843) schreef een Allgemeine Hermeneutik die veel invloed kreeg. Hij wil meer algemene regels vaststellen voor iedere interpretatie van teksten. Voor de oudere hermeneutici was de mogelijkheid van het verstaan zo vanzelfsprekend dat deze niet ter discussie werd gesteld. Zij vooronderstellen dat er een bovenhistorische rede bestaat. Schleiermacher vraagt kritisch naar de historische vooronderstellingen van tekstbegrip. Het doel van de interpretatie is de betekenis van de tekst in zijn unieke individualiteit te reconstrueren. Iedere tekst wordt bepaald door zijn individuele historische verschijningsvorm. Hij voert kritisch onderzoek uit naar de aard en de grenzen van het verstaan.

Dilthey's hermeneutiek van de geesteswetenschappen

Wilhelm Dilthey (1833-1911) publiceerde een Kritik der historischen Vernunft. Meer dan in Schleiermachers leer der tekstinterpretatie wordt de hermeneutiek bij Dilthey tot een algemene methode van de geesteswetenschappen. Hij verzet zich tegen het positivisme en het methodologisch monopolie van de causale verklaring. Het menselijk gedrag en de maatschappelijke wereld gedraagt zich niet zoals de anorganische en organische natuur, zegt Dilthey, en daarom moeten de geesteswetenschappen een principiëel andere methode volgen.

Historische kennis wordt volgens Dilthey gekenmerkt door het innerlijk verstaan van betekenissen: een verschijnsel moet niet verklaard worden, maar in zijn betekenis verstaan worden: een beweging van buiten naar binnen, van de fysische verschijningsvorm naar zijn geestelijke betekenis. Een beeld van Rodin is geen klomp metaal, maar een geestelijk product, een Gebilde met een eigen structuur.

Heideggers hermeneutische fenomenologie

Ook Martin Heidegger (1889-1976) leverde een belangrijke bijdrage aan de hermeneutiek, speciaal in zijn magnum opus Sein und Zeit (1927). Heidegger knoopt aan bij Dilthey, maar meer dan enkel de vraag naar een wetenschappelijke methode wil Heidegger de vraag vooropstellen naar de bepaling van het verstaan als wijze waarop de mens is. Heidegger formuleert een ontologische radicalisering van de hermeneutiek: bestaan is verstaan, verstaan is één van de meest fundamentele kenmerken van de menselijke existentie, de existentiefilosofie. De mens wordt gekenmerkt door een besef van zijn bestaan en van het bestaan van de dingen buiten hem. Hij duidt de menselijke zijnswijze aan als een 'er-zijn', Dasein. De fenomenologie streeft naar exacte beschrijving, los van interpretatie, en laat zich wel verbinden met een interpreterende wetenschap als de hermeneutiek.

De wetenschap houdt zich uitsluitend bezig met het onderzoeken van de zijnden en ontnemen de mens daardoor het zicht op de vraag naar het Zijn zelf (zijnsvergetenheid). Heidegger wijst daarom de wetenschap af, en richt zich tot de poëzie (Hölderlin, Stefan George).

Gadamers bijdrage aan de hermeneutiek

Hans Georg Gadamer sluit aan bij Heidegger. Zijn filosofische hermeneutiek is te beschrijven als een vruchtbare concretisering van Heidegger.

Volgens Gadamer laten de vertegenwoordigers van de methodologische hermeneutiek zich teveel leiden door het kennisideaal van de natuurwetenschappen.

Het hermeneutische probleem betreft het verschijnsel van het verstaan en van de juiste uitleg van wat verstaan wordt. Het hermeneutische probleem is niet alleen een probleem van de geesteswetenschappen, geen puur theoretische leer, het maakt deel uit van de menselijke ervaring, en er bestaan ook theologische en juridische hermeneutiek.

Gadamer zet zich af tegen het methodologische in de hermeneutiek van Schleiermacher en Dilthey, die volgens hem voornamelijk gericht is op een kentheoretische fundering van de geesteswetenschappelijke kennis. Gadamer wil hermeneutiek niet reduceren tot louter geesteswetenschap.

Het vraagstuk van het buitenwetenschappelijke verstaan van teksten laat zich niet reduceren tot een methodologische vraagstuk. Het verstaan is eigen aan het menselijke bestaan als zodanig. Gadamer wil de geesteswetenschappen relateren aan de ervaringen van de filosofie, de kunst en de geschiedenis.

Alleen de filosofische verdieping in het verschijnsel van het verstaan is in staat om buitenwetenschappelijke ervaringen filosofisch te legitimeren.

Ook in de kunst wordt een waarheid ervaren die door de wetenschap niet kan worden vervangen of overtroffen. Net als filosofie helpt kunst ons de grenzen van het wetenschappelijke bewustzijn in te zien: vanuit de rechtvaardiging van de waarheidsaanspraak van de kunst zal Gadamer een begrip van waarheid ontwikkelen dat geldigheid bezit voor alle vormen van hermeneutische ervaring.

De historische overlevering spreekt zelf ook een waarheid uit. Gadamer stelt dat de mens opdracht heeft deel te nemen aan de traditie. De waarheid van de historische overlevering overstijgt hetgeen in de wetenschap kan worden onderzocht.

De filosofische hermeneutiek die Gadamer wil ontwikkelen is geen methodenleer van de geesteswetenschappen, zoals de oude filologische en de theologische hermeneutiek, maar wil laten zien wat de wetenschappen, boven hun methodisch zelfbewustzijn uit, zijn en doen, en vooral: wat hen met het geheel van onze wereldervaring verbindt.

Er bestaat niet zoiets als een natuurlijke orde die losstaat van de historische overlevering. Het blijvende in alle verandering, de historische overlevering en de natuurlijke levensorde vormen samen de eenheid van de wereld waarin we leven.

De hermeneutische cirkel

Een woord heeft in de hermeneutiek geen vaste betekenis, het is afhankelijk van de context. We zouden om te begrijpen dus alle toepassingen moeten kennen, dit is echter een oneindige opgave.

De hermeneutische cirkel leidt van het algemene naar de specifieke betekenis en weer terug. Volledige objectiviteit van het verstaan kan nooit worden bereikt. Voor Schleiermacher heeft de hermeneutische cirkel een methodologische betekenis. Voor Gadamer en Heidegger heeft de hermeneutische cirkel een ontologische betekenis, het zegt iets over de structuur van de werkelijkheid als zodanig.

Kritieken op de moderne hermeneutiek

Vanuit de Oostenrijkse School is er kritiek gekomen op vooral de moderne hermeneutiek, zoals die begon bij Heidegger, werd voortgezet door Gadamer en zich uitbreidde naar de economische wetenschap. Zo schreef Murray Rothbard het essay The Hermeneutical Invasion of Philosophy and Economics, waarin hij de moderne hermeneutiek op de korrel neemt. Hierin leunt hij op eerder kritisch werk van David Gordon en Jonathan Barnes. Rothbards voornaamste kritiekpunten zijn:

  • Zelf-contradictoir.

Rothbard noemt de moderne hermeneutiek en het deconstructionisme (van mensen als Michel Foucault, Paul Ricoeur en Jacques Derrida) nihilistisch, relativistisch en solipsistisch. Zij stellen namelijk dat er geen objectieve waarheid is en dat als die er al is, die nooit ontdekt kan worden door de subjectiviteit in de waarneming van elk persoon. Zo kan een lezer nooit weten wat een auteur bedoelde en zelfs die laatste kan zichzelf niet begrijpen, door de verwardheid en verstrooidheid van elk mens. Het begrijpen van literaire teksten van (ook beroemde auteurs als) Shakespeare, Conrad, Aristoteles en Machiavelli wordt zo onmogelijk, evenals literaire en filosofische kritiek, die toch beginnen met het achterhalen van de bedoeling van de auteur. Zo schreef Gadamer veel over Aristoteles, maar volgens de hermeneutische principes kan hij zich slechts beperken tot "wat Aristoteles voor mij betekent" – wat hij volgens de hermeneutische doctrine weer niet kan weten, voor de buitenwereld oninteressant is en ook onbegrijpelijk: men kan Gadamer dan immers ook niet begrijpen. Deconstructionisme en modern hermeneutisme zijn dus zelf-contradictoir en het lezen van hun auteurs is volgens hun eigen logica overbodig.

  • Onbegrijpelijkheid.

Hermeneutici blinken uit in onbegrijpelijk, vaag en onleesbaar taalgebruik, het opstapelen van jargon en (Heidegger in Sein und Zeit) het bezigen van nietszeggende termen als Anwesen des Anwesenden, Dingen des Dings, Nichten des Nichts en het zeigenden Zeichen des Zeigzeugs. Gadamer gaf dit punt zelf toe; er bestond zelfs de term Gad: een maatstaf voor onnodige complicaties in het denken. Ook het aura van wijsheid en magie, al begonnen bij Hegel, doet de helderheid geen goed.

  • Collectivisme.

Niet toevallig zijn veel hermeneutici eigenlijk Marxisten. Want Marxisme is onjuist en onwetenschappelijk, maar omdat volgens hermeneutici niets objectief waar is en alle gezichtspunten en proposities subjectief zijn, is dat geen probleem. De hermeneutiek biedt geen handvatten om Marxisme af te wijzen en daarom kan men het als even waardevol zien als andere stromingen. De collectivistische neigingen ziet men terug bij de nazi-sympathie van Heidegger en Gadamer (later ook Sovjet-sympathisant).

  • Openheid en conversatie

Rothbard stelt een tweedeling vast binnen de hermeneutiek. Het beruchte, relativistische en nihilistische anything goes van Paul Feyerabend maakt bijvoorbeeld astrologie gelijkwaardig aan astronomie en verklaart wetenschap zinloos. Maar opvallend genoeg kiezen andere hermeneutici toch liever op (impliciete) morele gronden voor een oneindige conversatie, hoewel zij beweren dat er geen objectieve waarheid is en dat men wetenschappers en theoretici niet kan begrijpen. Waarheid bestaat bij hen uit veranderlijke en arbitraire consensus, waarvoor zij geen dan weer geen empirische of logische criteria hebben. Het altijd openhouden van de mogelijkheid dat de ander gelijk heeft, is een drogreden omdat men in sommige gevallen er toch zeker van is dat de ander het fout heeft. Zoals in het geval van dictators. Het openhouden van de conversatie is de tegenhanger van repressieve tolerantie. Verder gevolg van openheid is dat hermeneutici zich erg breed op andere auteurs beroepen en daarmee volgens Rothbard een beroep op autoriteit doen en dus nogal scholastiek te werk gaan.

  • Hermeutische economie

De hermeneutiek is de economische wetenschap ingeslopen door de crisis, aan het eind van de twintigste eeuw, van zowel het Keynesianisme als de neoklassieke theorie van Milton Friedman, die (ten onrechte) het logisch positivisme in de economie introduceerde. Ook de economische hermeneutici hebben nogal eens een afkeer van het gebruik van mathematica in de economie, maar hermeneutiek in dat vakgebied is eigenlijk nog onwenselijker. De vijand van je vijand is niet altijd je vriend, aldus Rothbard. Hierbij kan men voor de positivisten nog enig begrip opbrengen, aangezien zij veelal groot werden in het Wenen van Hegelianisme en de nog jonge Heidegger, met hun dialektiek en protohermeneutiek, waarmee zij (bijvoorbeeld Karl Popper, Rudolf Carnap, Hans Reichenbach, Moritz Schlick) wellicht wilden afrekenen.

Zie ook

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Steenstra, S.G. (red.), Inleiding in de filosofie: Hedendaagse filosofie (Open Universiteit, Heerlen 1994), ISBN 90-358-1264-6.

Kritische bronnen: