Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Geschiedenis van de westerse filosofie

Uit Wikisage
(Doorverwezen vanaf Westerse filosofie)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Filosofie
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Geschiedenis van de westerse filosofie
Oosterse filosofie Hindoeïsme
Chinese filosofie
Japanse filosofie
Confucianisme
Taoïsme
Boeddhisme
Zoroastrisme
Arabische filosofie
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen

De geschiedenis van de westerse filosofie heeft betrekking op de filosofische tradities van de westerse wereld. Hiermee wordt van oudsher Europa bedoeld en later kwam de Nieuwe Wereld met Noord- en Zuid-Amerika daarbij. De westerse filosofie begon vorm te krijgen vanaf de zevende eeuw voor onze jaartelling en is voor een belangrijk deel geworteld in de cultuur van het klassieke Griekenland en het Romeinse Rijk- net als de Arabische filosofie - en in de religies van het westen, voornamelijk het christendom. Ze kan grofweg worden ingedeeld in vier perioden: de klassieke filosofie, de middeleeuwse filosofie, de moderne filosofie en de hedendaagse filosofie.

De westerse filosofie heeft zich niet in volstrekt isolement van andere delen van de wereld ontwikkeld. In de derde eeuw voor onze jaartelling beschouwde neoplatinist Plotinus de ziel op een manier die sterk lijkt op de Indische filosofie.[1] In de westerse postmoderne filosofie zijn ook duidelijk toenaderingen naar de oosterse filosofie zichtbaar, bijvoorbeeld bij een begrip als deconstructie.

Klassieke filosofie

Hoofdartikel.png Zie klassieke filosofie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De bakermat van de westerse filosofie ligt in het oude Griekenland. Vooral ná de Perzische Oorlogen in de vijfde eeuw voor onze jaartelling kenden de Griekse steden onder de leiding van Perikles een grote bloei, op zowel politiek als cultureel vlak. De oude Griekse filosofen vormen samen met de Romeinse filosofen de klassieke filosofie, die we kunnen indelen in drie perioden: de wordingsperiode, de bloeiperiode en de nabloei. De Zeven Wijzen worden soms beschouwd als de grondleggers van de Griekse filosofie. De opsommingen van wie nu precies tot deze zeven wijzen behoren, stemmen niet steeds overeen, maar men kan een aantal van hen, zoals Thales van Milete, die volgens alle lijsten tot de zeven wijzen behoort, beschouwen als natuurfilosofen.

De opkomstperiode loopt ongeveer vanaf de zevende eeuw tot de vijfde eeuw voor Christus. De natuurfilosofen, die horen bij deze wordingsperiode, baseerden hun filosofie op gegevens uit de natuur. Zo zag Thales van Milete het element water als oerstof en probeerde het onveranderlijke te vinden om zo het veranderlijke te begrijpen. Iets kennelijk onstoffelijks als vuur moet uiteindelijk tot de oerstof kunnen worden herleid.[2] Heraclitus doet ongeveer het tegenovergestelde. Hij nam als uitgangspunt dat alles uiteindelijk beweging is. Bekend is de uitspraak panta rhei wat betekent ’alles stroomt’.[2] Andere bekende filosofen uit de opkomstperiode zijn Anaximander, Anaximenes (lucht als oerstof), Pythagoras, Parmenides, Zeno van Elea en Democritus.

Met de bloeitijd van de klassieke filosofie wordt de periode van de vijfde eeuw tot de derde eeuw voor Christus aangeduid. De filosofen die op de ontwikkeling van de westerse filosofie de meeste blijvende invloed hebben uitgeoefend zijn ongetwijfeld Socrates, Plato en Aristoteles. Socrates heeft zelf geen enkel geschrift nagelaten, maar zijn leerling Plato laat Socrates veelvuldig optreden als persoon in zijn dialogen. Belangrijk bij Socrates was zijn methode van maieutiek, een methode van vragen stellen waarbij de gesprekspartner wordt gedwongen zich open te stellen voor een bepaalde kritische redenering. Aan Plato wordt veelal een dualisme toegeschreven, aangezien hij onderscheid maakt tussen de waarneembare wereld en ideeën, zoals Rechtvaardigheid.[2] Aristoteles maakt onderscheid tussen vorm en materie, waarbij hij de theorieën van Thales van Milete en Heraclitus in een nieuw daglicht stelt.[2]

De Romeinse filosofen komen eigenlijk pas op in de nabloei van de klassieke filosofie van de derde eeuw tot de eerste eeuw voor Christus. De bekendste Romeinse filosofen zijn Cicero en Seneca. Cicero vormt het begin van een filosofische traditie bij de Romeinen. Hij vertaalde filosofische teksten vanuit het Grieks in het Latijn. Hij kan worden gezien als een eclectisch filosoof zonder een echt eigen systeem.[3] Voor de latere filosoof Seneca staat een kracht die het heelal ordent centraal. Hij noem`de deze kracht de rede (ratio), de voorzienigheid (providentia), het noodlot (fatum), de godheid (deus) of de natuur (natura).[2] Zowel Cicero als Seneca borduurden direct voort op de Griekse filosofie, waarbij zij een voorkeur hadden voor de filosofie van de Stoa.[2][3]

Middeleeuwse filosofie

Hoofdartikel.png Zie middeleeuwse filosofie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Patristiek

Vanaf de eerste eeuw na Christus ontstaat een nieuwe periode in de westerse filosofie die de patristiek wordt genoemd, de periode van de kerkvaders. De geschiedenis van de filosofie loopt gedurende deze periode enkele eeuwen vrijwel parallel met de ontwikkeling van het christendom. Onder keizer Theodosius I werd in 380 het katholieke christendom de officiële staatsgodsdienst van het West-Romeinse Rijk. Na de val van het West-Romeinse Rijk in 476 blijft de Rooms-Katholieke Kerk zijn invloed in Europa uitbreiden. Veel denkers uit deze periode zijn naar hedendaagse begrippen meer theologen dan filosofen. In een uitspraak die aan Tertullianus wordt toegeschreven, wordt de waarheid van het geloof boven de waarheid van het denken gesteld: „ik geloof, juist omdat het onzinnig is” (Latijn: credo quia absurdum).[1]

Belangrijke thema's voor de filosofie van de patristiek waren enerzijds de verhouding tussen God en de mens en de wereld en anderzijds de waarheid van christendom. Bij deze kwesties werd in de patristiek sterk teruggegrepen op Plato en neoplatonistische denkers als Plotinus.[1]

Aurelius Augustinus was misschien wel de kerkvader met de meeste invloed op de samenleving en de filosofie. In zijn werk Confessiones beschreef hij hoe hij zich tot het katholieke christendom bekeerde. Er is in Augustinus' filosofie geen plaats voor vrije wil. God weet het uiteindelijke oordeel over ieder mens al van tevoren. Volgens Augustinus is de strijd tussen geloof en ongeloof het eigenlijke thema van de wereldgeschiedenis. Na de dogma's van Augustinus is er lange tijd weinig veranderd in de filosofie. Pas met de ontwikkeling van de scholastiek omstreeks het jaar 800 komt hier verandering in.[1]

Scholastiek

De scholastiek is de naam voor de filosofie tijdens de hoge en late middeleeuwen. In het Heilige Roomse Rijk bloeide de West-Europese cultuur enorm op tijdens de ’Karolingische renaissance’. Er werd aan het hof van Karel de Grote onder leiding van Alcuinus ook filosofie bedreven. In deze periode, die de vroege scholastiek genoemd wordt, brandde de universaliënstrijd los tussen de realisten die geloofden dat de werkelijkheid bestaat uit ideeën en dat de dingen hier uit volgen (Latijn: universalia ante res) en de nominalisten die stelden dat ideeën slechts namen in ons denken zijn die volgen uit de werkelijkheid van de dingen (Latijn: universalia post res). Petrus Abaelardus komt met een oplossing: de ideeën zijn in de dingen (Latijn: universalia in rebus), want voor God zijn de ideeën vóór de dingen en voor de mensen zijn de ideeën na de dingen.[1]

Terwijl men zich in de tijd van de kerkvaders vooral op Plato richtte, werd in de scholastiek Aristoteles een steeds belangrijkere bron van inspiratie. Albertus Magnus schreef als eerste westerling over alle werken van Aristoteles en de commentaren afkomstig van de Arabische filosofen. Zijn leerling Thomas van Aquino is de belangrijkste filosoof van de hoge scholastiek. Hij maakte als eerste een duidelijk onderscheid tussen de bronteksten van Aristoteles en zijn eigen commentaar. De redelijke ziel is, voor Thomas van Aquino, de wezenlijke vorm van het menselijk lichaam, die losstaat van de passieve materie. Onze kennis is afkomstig van goddelijke ideeën en is zonder subjectieve modificatie objectief en waar. De bovennatuurlijke waarheid (van God) kunnen wij slechts kennen door openbaring.[1]

Filosofen uit de late scholastiek zijn Johannes Duns Scotus, Willem van Ockham en Roger Bacon. Voor de wetenschapsfilosofie is ’Ockhams scheermes’ nog steeds van belang. Ockham stelde daarin dat een theorie niet ingewikkelder moet worden gemaakt dan noodzakelijk: „Men moet de zijnden niet zonder noodzaak verveelvoudigen” (Latijn: Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda).

Moderne filosofie

Hoofdartikel.png Zie moderne filosofie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De periode in de filosofie na de middeleeuwen wordt de moderne filosofie genoemd, niet te verwarren met de hedendaagse filosofie. De moderne filosofie loopt van de veertiende tot en met de negentiende eeuw en omvat de Renaissance, de Verlichting en de Romantiek.

In de veertiende eeuw ontstond de Renaissance in Italië en verbreidde zich over West- en Centraal-Europa. Dit was een wedergeboorte van het erfgoed uit de klassieke oudheid met een sterk werelds karakter.[4] In deze periode ontstaat het humanisme waarin de rede en de verantwoordelijkheid en vrijheid van de mens centraal staan. Eén van de bekendste humanisten is de Nederlander Desiderius Erasmus. Hij geeft de Griekse tekst uit van het Nieuwe Testament, daarvoor beschikte hij over een Byzantijnse tekst. Deze versie zou later, uitgegeven door Elzevir, de Textus Receptus gaan heten. (Daarvoor las men uitsluitend de Latijnse vertaling en vertalingen daarvan) . Verder schrijft hij in Lof der Zotheid kritisch over kerk en wetenschap.

In de zestiende en zeventiende eeuw was de kritische houding die de humanisten hebben ook te vinden bij wetenschappers als Galileo Galilei.[4] Over de vraag wat als grond van onze kennis kan dienen verschilden de wetenschappers en ook de filosofen sterk van mening. De empiristen, zoals Francis Bacon en David Hume, stelden dat alle ware kennis tot ervaring moeten kunnen worden herleid, terwijl de rationalisten, zoals René Descartes en Gottfried Leibniz, stelden dat de mens beschikt over ideeën en zekerheden die niet aan ervaringen kunnen worden getoetst.[5] Met de woorden cogito ergo sum (Nederlands: 'ik denk dus ik besta') wordt duidelijk hoe belangrijk het verstand is voor Descartes: een mens kan aan alles twijfelen, maar zeker is dat hij twijfelt en dus bestaat.

Immanuel Kant kwam met een oplossing voor het filosofische conflict tussen empiristen en rationalisten: verstand en waarneming zijn volgens hem onlosmakelijk met elkaar verbonden. De verstandsvormen ruimte en tijd zijn voor Kant a priori bij de mens aanwezig, maar zijn op zichzelf leeg. De waarnemingen zijn op zichzelf vormloos, maar krijgen door het verstand hun vorm. In een pamflet uit 1784 over de vraag wat Verlichting (Duits: Aufklärung) is, schrijft hij dat de mens de moed moet hebben om zijn verstand te gebruiken (Latijn: Sapere aude!).[6] In de hedendaagse filosofie is Kants invloed ook op andere filosofische vakgebieden, zoals ethiek en esthetica, nog steeds groot.

In de Romantiek van de negentiende eeuw waren er twee invloedrijke dialectische filosofen, eerst Georg Hegel en daarna Karl Marx. De dialectiek in het werk van Hegel wordt gezien als een voortzetting van de filosofie van Kant en Fichte: de filosofie is een eindeloos proces van these, antithese en synthese, waarin geen echte waarheid wordt gevonden, maar waarbij de gevonden waarheid wel steeds dieper wordt. Hegel beschouwt zijn fenomenologie van de geest als de synthese zijn van al het voorgaande. Terwijl Hegel stelde dat de ideeën van mensen de geschiedenis bepalen, beweerde Marx dat het materiële verhoudingen, namelijk de verhouding tussen arbeid en kapitaal zijn die aan deze ideeën ten grondslag liggen. Uit het marxisme is later het communisme voortgekomen.

Andere filosofen uit de Romantiek zijn Søren Kierkegaard, Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche, al worden zij soms ook al tot de hedendaagse filosofie gerekend. Nietzsche werd in belangrijke mate beïnvloed door Schopenhauer. In 1882 schreef Nietzsche de woorden „God is dood”, waarmee hij niet zegt dat God niet bestaat, maar dat de mensen de God van de traditionele religie ’vermoord’ hebben, waardoor de mens op zichzelf is teruggeworpen. In zijn literair-filosofische boek Aldus sprak Zarathoestra beschreef Nietzsche hoe de mens kan worden gezien als slechts een fase tussen aap en übermensch en dat de mens uiteindelijk nog 'groter' moet worden.

Hedendaagse filosofie

Hoofdartikel.png Zie hedendaagse filosofie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De hedendaagse filosofie, of contemporaine filosofie, begint rond 1900. Binnen de hedendaagse filosofie wordt wel eens onderscheid gemaakt tussen de Angelsaksische traditie, ontstaan in de eerste plaats in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, en de continentale traditie, ontstaan in landen als Duitsland en Frankrijk.

Angelsaksische traditie

Bekende filosofen uit de Angelsaksische traditie zijn Gottlob Frege, Bertrand Russell, Ludwig Wittgenstein, John Austin, Donald Davidson, Noam Chomsky, John Searle en Richard Rorty. Veel van hen behoren tot of komen voort uit de analytische school.

Continentale traditie

De fenomenologie vindt zijn oorsprong bij Edmund Husserl. Het is een voor zich laten spreken van de fenomenen, waarbij de intuïtieve ervaring een belangrijke rol speelt.[5] Maurice Merleau-Ponty en Martin Heidegger hebben de fenomenologie verder ontwikkeld. Heidegger gebruikt de term Dasein tegenover Kants Ding an sich waarmee hij aangeeft dat de fenomenen er op wezenlijke manier zijn voor de mens.

De fenomenologie bracht in de twintigste eeuw nieuwe existentialistische filosofie voort, in navolging van Kierkegaard en Nietzsche. Het unieke van de individuele mens is hierin belangrijk. Sartre legt hierbij de volle nadruk op de vrijheid en de verantwoordelijkheid van ieder individu. Bij Emmanuel Lévinas zijn het Ik en de Ander onlosmakelijk met elkaar verbonden. De Ander of Alteriteit is een onophefbaar anders-zijn. Lévinas leverde hiermee kritiek op de westerse filosofie, waarin volgens hem al sinds de oude Grieken geen plek is voor anders-zijn.[5]

Twee vertegenwoordigers van het post-structuralisme (soms ook postmodernisme genoemd) zijn Michel Foucault en Jacques Derrida.

Andere filosofen zijn Hans-Georg Gadamer, grondlegger van de filosofische hermeneutiek, en de postmoderne Gilles Deleuze.

Andere stromingen zijn de politiek links georiënteerde Frankfurter Schule, voortbouwend op (neo)marxistische maatschappijkritiek, en de feministische filosofie.

Referenties

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 H. J. Störig (Nederlandse vertaling van P. Brommer), Geschiedenis van de filosofie. Deel I, 1962
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 2,5 J. Ysebaert, Seneca CE ’95, 1994, ISBN 907502701X
  3. 3,0 3,1 E. Jans et al., Cicero philosophicus: Gedachten over goden en geluk, 1999, ISBN 90-74252-88-5
  4. 4,0 4,1 Renaissance (14e-16e eeuw)
  5. 5,0 5,1 5,2 N. Groen en R. Veen, Filosofie. Personen en begrippen van A tot Z, 1990/1999, ISBN 90-274-6776-5
  6. º I. Kant (Engelse vertaling uit 1997 van P. Halsall), What is Enlightenment?, 1784

Aanbevolen naslagwerken

 
rel=nofollow