Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Word and Object

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

Word and Object is een boek van Willard Van Orman Quine uit 1960. In dit boek houdt Quine een betoog voor een epistemologie die nauw samen hangt met de natuurwetenschappen (genaturaliseerde epistemologie). Het uiteindelijke doel van het boek is hoofdstuk 7, waarin Quine beslist wat hij wel en wat hij niet in zijn ontologie toestaat. In de voorgaande hoofdstukken komen echter ook andere thema's aan bod. Zo probeert Quine in hoofdstuk 2 te komen tot een empirische opvatting van betekenis. Daarnaast kijkt Quine in hoofdstuk vijf op welke manier formuleringen in de natuurlijke taal geparafraseerd kunnen worden naar de logica.

Hoofdstuk 1 - Language and Truth

In hoofdstuk 1 begint Quine met het aannemen van een aantal stellingen over de relatie tussen taal en realiteit. Gewone fysieke objecten maken zich kenbaar aan ons door hun invloed op onze zintuigen. Deze stelling wordt gefundeerd door onze algemene kennis over fysieke objecten. Zintuiglijke waarneming is geen samenhangend autonoom gebied, de samenhang wordt namelijk gecreëerd door linguïstische verwijzingen naar eerdere zintuiglijke waarnemingen. Het is belangrijk om onderzoek te doen naar de zintuiglijke achtergrond van gewone taal over fysieke objecten om zo hun basis te funderen en realiteit aan te tonen. Zo’n onderzoek zal plaatsvinden binnen een conceptueel systeem: een web van ervaringen en opvattingen. Deze ervaringen en opvattingen verschillen per individu, waardoor ook ieders perceptie van de werkelijkheid verschilt. Hierdoor zullen nooit twee personen een taal op dezelfde manier vatten.

Onze taal blijft adequaat door de continue verandering in theorie. Sociaal correct gebruik van taal wordt ons geleerd binnen de maatschappij, zelfs in situaties waarin geen sociale invloed direct voelbaar is. Wij leren correct taalgebruik omdat wij binnen een sociale omgeving worden beloond voor het doen van juiste uitspraken, en bestraft voor het doen van onjuiste uitspraken. Woorden overleven in taal ofwel door hun mate van objectiviteit ofwel door hun instrumentele waarde. Een woord als “Ouch” echter, valt onder geen van beide en overleeft omdat het een uitdrukking van stress betreft.

Er zijn enkele voorwaarden voor situaties waarin een term geleerd kan worden door middel van inductie (dus op basis van voorgedane situaties). Zo moet er genoeg gelijkenis zijn tussen de situaties voor de lerende partij, die een basis kan vormen voor generalisatie. Communicatie verbindt ons in een uniformiteit waarin intersubjectiviteit mogelijk is over de connectie tussen woorden en ervaringen. Onze talige kennis kan uitgebreid worden door verbale associaties, tussen zinnen maar ook tussen termen. Zinnen zijn op een holistische manier verbonden, en dus nooit slechts gefundeerd op één andere zin. Deze holistische structuur bevat alle wetenschappen, en daarmee alles wat we kunnen zeggen over de wereld.

Quine introduceert de eternal sentence, die tijdloos is en waarvan de waarheidswaarde vast staat. Daartegenover zet hij de occasion sentence, die wel tijdsgebonden is, en dus waar is over één, of een aantal, situatie(s).

Hoofdstuk 2 - Translation and Meaning

In hoofdstuk twee kijkt Quine in hoeverre het mogelijk is om te komen tot een empirische opvatting van betekenis.[1] Dit doet Quine met wat hij radicale vertaling noemt. [2] Bij radicale vertaling wordt er gekeken in hoeverre het mogelijk is een vreemde taal te vertalen die gesproken wordt door mensen waar tot op dat moment nog geen contact mee is gelegd. Er is dus helemaal niets bekend over de sprekers van de vreemde taal die wordt geprobeerd te vertalen. Quine wil in hoofdstuk twee kijken hoe ver de vertaler kan komen met zijn vertaling, en zo nagaan in hoeverre het mogelijk is om tot een empirische invulling van betekenis te komen. Een van de belangrijkste begrippen binnen radicale vertaling is de stimulus betekenis. De stimulus-betekenis (stimulus meaning) van een zin voor een persoon is de combinatie van de affirmatieve stimulus-betekenis en de negatieve stimulus-betekenis, onder de voorwaarde dat beide bestaan.

De affirmatieve stimulus-betekenis (affirmative stimulus meaning) van een zin is de klasse van stimulaties die iemand doen instemmen met de zin. De affirmatieve stimulus-betekenis van 'Er is een konijn' bestaat bijvoorbeeld uit alle situaties waarin de ondervraagde persoon bevestigd dat er een konijn is.

De negatieve stimulus-betekenis (negative stimulus meaning) van een zin is de klasse van stimulaties die iemand de zin doen afwijzen. De negatieve stimulus-betekenis van 'Er is een konijn' bestaat bijvoorbeeld uit alle situaties waarin de ondervraagde persoon ontkent dat er een konijn is.

De modulus van de stimulus-betekenis is de maximale duur die voor de stimulatie wordt aangenomen. De modulus van 'De kat zit op de mat' is bijvoorbeeld hooguit een seconde - zit de kat niet meer op de mat, dan zal iemand niet instemmen met 'De kat zit op mat'. De modulus van 'De ochtendkrant is bezorgd' is langer - iemand zal ook met de zin instemmen als de krant een uur of zelfs meerdere uren geleden is bezorgd. [3]

Occasion sentences en standing sentences

Occasion sentences zijn zinnen die affirmatief of negatief beantwoord kunnen worden, enkel aan de hand van een huidige (aan)gegeven stimulatie. Voorbeelden van occasion sentences zijn: 'Gavagai', en 'His face is dirty'. [3]

Standing sentences zijn zinnen die min of meer onafhankelijk van de actuele stimulatie zijn. Standing sentences verschillen met occasion sentences in de zin dat de spreker zijn eerder gegeven antwoord kan herhalen als we hem of haar op een later tijdstip confronteren met dezelfde vraag. Een voorbeeld van een standing sentence is 'The Times has come'. [3] Dagelijks zal de spreker een bevestigend antwoord geven op deze zin, omdat deze krant elke dag verschijnt. Deze standing sentence is hierom min of meer onafhankelijk van een huidige stimulatie. Een standing sentence kan een occasion sentence worden wanneer de modulus wordt vergroot.

Stimulaties die geen deel uitmaken van de affirmatieve- of negatieve stimulus-betekenis van een occasion sentence geven beperkingen aan de uitspraak die gedaan kan worden wat betreft de betekenis van deze zin. Dit kan komen door een vorm van besluiteloosheid bij de spreker (in het geval van een slecht zicht op de situatie bijvoorbeeld). Stimulaties die geen deel uitmaken van de affirmatieve- of negatieve stimulus betekenis van een standing sentence geven beperkingen aan een uitspraak wat betreft de betekenis van de gegeven zin, of zijn irrelevant voor een uitspraak over de betekenis van deze zin. Door middel van stimulus-betekenissen is het mogelijk om een occasion sentence te vertalen, omdat de stimulus-betekenis van een occasion sentence het geheel van huidige disposities van de spreker is waar een affirmatief of negatief antwoord op gegeven kan worden. Deze disposities zijn hetgeen waar de vertaler zijn antwoorden uit kan destileren voor de vertaling. De vertaler zoekt een zo aansluitend mogelijke vertaling aan de hand van stimulus-betekenissen. Het enige waar de vertaler zijn vertaling op kan baseren zijn stimulus-betekenissen.

Observationaliteit en observatiezinnen

De observationaliteit (observationality) van een zin is sociaal bepaald: deze hangt af van hoezeer de stimulus-betekenis binnen een talige gemeenschap van persoon tot persoon verschilt. Hoe meer de stimulus-betekenis verschilt, des te lager is de observationaliteit.[4]

Van sommige zinnen kan de stimulus-betekenis niet gelijk worden gesteld aan de 'betekenis' van een zin. Van de zin 'Vrijgezel' bijvoorbeeld (de één-woordzin variant van 'Kijk, een vrijgezel!') loopt de stimulus-betekenis van persoon tot persoon teveel uiteen.

Voorbeeld

Stel dat Alma weet dat Bhagya vrijgezel is, maar Carlos weet dat niet; Carlos weet echter wel dat Dabir vrijgezel is, wat Alma niet weet. Alma zal in de nabijheid van alleen Bhagya instemmen met de zin 'Vrijgezel' en in de nabijheid van alleen Dabir niet. Carlos doet het juist andersom. Toch is het niet zo dat Alma en Carlos een verschillende 'betekenis' toekennen aan het woord - ze kennen deze 'betekenis' alleen op een andere manier dan door mensen die wijzen op mannen of vrouwen die vrijgezel zijn. Zinnen zoals 'Vrijgezel' hebben een lage observationaliteit - alleen als we de modulus ongelofelijk ver oprekken kunnen we de betekenis van de zin 'Vrijgezel' eventueel gelijkstellen aan de stimulus-betekenis.[5]

Zinnen waarvan de 'betekenis' gelijk kan worden gesteld aan de stimulus-betekenis, zijn observatiezinnen (observation sentences).[6]

Stimulus-synonymie

Twee zinnen zijn stimulus-synoniem (stimulus-synonymous) wanneer de stimulus-betekenis gelijk is.[7]

Hoewel 'Vrijgezel' en 'Ongetrouwde man of vrouw' zinnen zijn met een lage observationaliteit en de stimulus-betekenis ervan van persoon tot persoon verschilt, zijn deze zinnen voor een persoon wel stimulus-synoniem aan elkaar. Dat wil zeggen: Hoewel Alma's stimulus-betekenis van 'Vrijgezel' verschilt van die van Carlos (zie hierboven), verschilt haar stimulus-betekenis van 'Ongetrouwde man of vrouw' niet van die van 'Vrijgezel'. Hoe kan dit? Quines antwoord is dat beide zinnen afzonderlijk van elkaar worden geleerd en iemand vervolgens door introspectie kan ontdekken dat de zinnen gelijk zijn aan elkaar.[8]

Zo kan het ook dat sommige zinnen voor sommige mensen wel stimulus-synoniem zijn en voor andere niet. Quine geeft het voorbeeld van een bergbeklimmer die geleerd heeft een berg die te zien is vanuit Tibet 'Everest' te noemen en een berg die vanuit Nepal zichtbaar is 'Gaurisanker'. Later komt hij erachter dat het gaat om één en dezelfde berg. Voor hem zijn 'Everest' en 'Gaurisanker' nu stimulus-synoniem; voor zijn nog niet ingelichte vriend zijn ze dat niet.[9]

Wanneer twee zinnen stimulus-synoniem zijn voor vrijwel alle leden van een talige gemeenschap, zijn de zinnen sociaal stimulus-synoniem.[10]

Logica en radicale vertaling

Naast het achterhalen van de betekenis van occasion sentences kijkt Quine in hoeverre het mogelijk is om binnen radicale vertaling de logische connectieven te vertalen. [11] Volgens Quine is dit mogelijk door eerst te kijken of er instemmend of afwijzend op een zin wordt gereageerd. Een voorbeeld van een logisch connectief dat kan worden vertaald is de waarheidsfunctie negatie. Neem bijvoorbeeld alle korte zinnen die leiden tot instemming. Vervolgens blijkt er een uitdrukking te zijn die voor al deze zinnen kan worden gezet, en nadat deze uitdrukking voor de korte zin wordt gezet leidt de zin niet meer tot bevestiging maar tot ontkenning. Andersom kan deze uitdrukking ook voor alle korte zinnen die tot ontkenning leiden worden gezet, en nadat deze uitdrukking voor deze zin is gezet leidt de zin niet meer tot ontkenning maar tot bevestiging. Zo kan middels de semantische criteria voor negatie vastgesteld worden welke uitdrukking in de vreemde taal staat voor negatie. Op soortgelijke wijze is het volgens Quine ook mogelijk om de betekenis van de logische connectieven disjunctie en conjunctie in de vreemde taal te achterhalen.

Volgens Quine is het vervolgens niet mogelijk om andere onderdelen van de logica uit de vreemde taal te vertalen, zoals constructies als “alle konijnen zijn bang” of “sommige konijnen zijn bang.[12]. Dit is niet mogelijk omdat de waarheid van constructies als “alle konijnen zijn bang” afhangt van het object waar het over gaat, in dit geval “konijnen”. [13] Quine heeft echter eerder vastgesteld dat via de betekenis van de stimulus niet kan worden vastgesteld of de spreker van de vreemde taal het heeft over “konijnen” of over bijvoorbeeld “delen van konijnen”. Kortom, er kan niet worden vastgesteld over welk object er precies gesproken wordt en omdat de juistheid van deze logische constructie afhangt van het object is het niet mogelijk om deze logische constructie te vertalen.

Naast het vertalen van logische connectieven als negatie, disjunctie, en conjunctie speelt de logica ook een rol bij de vertaling zelf. [14] Quine stelt namelijk dat als de spreker van de vreemde taal volgens de vertaling ‘p en niet p’ zegt - een contradictie - dat het dan waarschijnlijker is dat de vertaling het mis heeft, dan dat de spreker van de vreemde taal een andere logica hanteert (waarin contradicties voorkomen). De vertaling zou dan dus moeten worden aangepast. Quine gaat er dus vanuit dat de sprekers van de vreemde taal dezelfde logica hanteren als de vertalers. In bredere zin gaat Quine hier in op de relatie tussen logica en de natuurlijke taal, een relatie die elders in Word & Object ook naar voren komt. Bijvoorbeeld in hoofdstuk vijf waarin Quine bespreekt hoe de natuurlijke taal kan worden geparafraseerd naar de logica. [15] De parafrase van de natuurlijke taal naar de logica heeft volgens Quine een verhelderende functie. Als er in de natuurlijke taal bijvoorbeeld sprake is van ambiguïteit, dan kan door een parafrase naar de logica die ambiguïteit verdwijnen. Dit houdt wel in dat de relatie tussen de natuurlijke taal en de parafrase in de logica niet synoniem is. Daarnaast is het mogelijk dat middels de parafrase naar de logica beter kan worden achterhaald wat het conceptuele schema is dat door de spreker wordt gehanteerd. [16] Op dit moment is echter het belangrijkste punt dat de relatie tussen natuurlijke taal en logica niet alleen in hoofdstuk twee naar voren komt, maar ook elders in het boek.

Hoofdstuk 3 - The Ontogenesis of Reference

In hoofdstuk twee is uitgelegd dat vertalingen van de ene taal in een andere onbepaald zijn, omdat het onmogelijk is te bepalen of we naar hetzelfde (deel) verwijzen, wanneer we bijvoorbeeld een paard zien. Iemand zou kunnen verwijzen naar een onderdeel van een paard, zoals het hoofd, naar het gehele paard, of naar paardheid in het algemeen. Dit hangt af van een specifiek apparaat binnen een taal, waarin is vastgelegd waar woorden naar verwijzen. Dit apparaat is echter zelf onvertaalbaar en om het te kunnen begrijpen, moet volgens Quine gekeken worden naar de relatie tussen de onderdelen hierbinnen.[17] Dit doet Quine in hoofdstuk 3 door te bestuderen hoe kinderen leren te refereren, dus hoe zij een taal verwerven, en de verschillende manieren waarop taal kan refereren naar de wereld. Op deze manier onderzoekt Quine in hoofdstuk 3 de referentiële functie van taal. Vanaf dit hoofdstuk zal Quine het specifiek over het Engels hebben, en niet over talen in het algemeen. [18]

Prelinguistic quality space

In sectie 17 legt Quine aan de hand van Skinners theorie uit hoe kinderen een taal leren. Door middel van operante conditionering kunnen kinderen associaties leggen tussen bepaalde gedragingen en de beloningen die daarop volgen[19]. In het begin zal een kind willekeurig klanken produceren, maar zodra het toevalligerwijs een woordje als ‘mama’ produceert, komt daar een grote positieve respons op van de moeder, vaak in de vorm van een beloning. Wanneer het uitspreken van een woord gepaard gaat met een bepaalde stimulus en dit wordt beloond, kan een kind de associatie leggen tussen het woord en de stimulus.Bijvoorbeeld als het kind ‘mama’ roept terwijl de moeder in het zichtveld is van het kind, wordt het kind beloond, echter als alleen de vader in de buurt is, zal het niet beloond worden, waardoor de associatie niet bekrachtigd wordt. Dit verklaart echter niet hoe mensen in staat zijn onderscheid te maken tussen verschillende stimuli. Dit kan volgens Quine alleen als mensen een prelinguistic quality space[20] hebben; een ruimte waarin alle zintuiglijke indrukken worden opgedeeld in momenten en bijvoorbeeld kleuren. Het is de manier waarop de indrukken worden geordend door een persoon. Dit kan verschillend zijn tussen individuen; voor de een is iets oranje, wat een ander rood vindt.

Fonetische normen

Bij het leren van woorden kunnen de fonetische uitspraken ervan vaag zijn[21]. Er zijn bepaalde normen, die ervoor zorgen dat je dingen hetzelfde uitspreekt als een ander, zodat je elkaar begrijpt. Hoe verder van de fonetische (klanken) norm afgeweken wordt in de quality space, des te lastiger het is onderscheid te maken tussen woorden. Quine vergelijkt afwijkend gebruik van fonemen met uit de toon zingen[22]. Een kind leert deze normen door feedback uit de omgeving, want als de uitspraak te ver verwijderd is van de fonetische normen van bijvoorbeeld de ouders, zullen zij niet reageren op deze uitspraken, terwijl wanneer de uitspraken voldoen aan de norm, het kind beloond wordt.[23] Op een gegeven moment kan het kind na één keer een nieuwe uitspraak te horen, al gissen naar de norm van dat woord. Dit kan volgens Quine door de volgende regel: The norms of segments of an utterance are segments of the norm of the utterance[23]. Omdat de fonemen al eerder zijn voorgekomen in andere uitspraken, kan het kind doorkrijgen welke fonetische norm gepaard gaat bij het horen van een nieuwe uitspraak.

Verdeelde referenties

Het onderscheid tussen algemene en singuliere termen moet een kind zien te leren. Algemene termen leert een kind door zinnen te onderscheiden waarin de term gelijk blijft, voor verschillende objecten van hetzelfde soort[24]. Het lastige is voor een kind dat verwijzingen verdeeld kunnen zijn, dat wil zeggen dat een verwijzing naar een deel kan verwijzen, of naar een heel object, of naar meerdere objecten[24]. De singuliere term ‘schoen’, en de algemene term ‘schoenen’ verdelen de verwijzing anders, namelijk ‘schoen’ verwijst naar één object, terwijl de term ‘schoenen’ verwijst naar twee objecten. Woorden die geen verdeling maken van verwijzingen zijn de zogenoemde mass terms , zoals ‘water’ of ‘suiker’[24]. Een kind kan dit volgens Quine leren door contextueel associaties te leggen en door generalisaties te maken van het gebruik van die woorden op hogere niveaus[25].

Enkelvoudige en algemene termen

Voor Quines poging om het mechanisme van referentie te vatten zijn enkelvoudige en algemene termen en hum onderscheid belangrijke noties. [26] Het expliciete onderscheid in grammaticale rol zoals hieronder zal worden uitgelegd, wordt geïntroduceerd in sectie 20: Predication. Later, in sectie 38, Conciliatory Remarks. Elimination of Singular Terms. zal Quine echter stellen dat enkelvoudige termen gereduceerd kunnen worden tot algemene termen.

Quine maakt een onderscheid tussen enkelvoudige termen (singular terms) en algemene termen (general terms) op basis van de verschillende grammaticale rol die zij vervullen binnen zinnen. [26] Dit komt duidelijk naar voren bij predicatie, dat een enkelvoudige en algemene term combineert tot een zin van de logische vorm 'Fa'. Hierin staat 'F' voor de predikaatpositie en deze wordt ingenomen door een algemene term; 'a' staat voor de subjectpositie en deze wordt ingenomen door een enkelvoudige term.

Neem bijvoorbeeld de zin 'Mama is a woman'. Deze gaat over een subject, waarnaar de enkelvoudige term 'Mama' verwijst, waarover iets wordt beweerd d.m.v. een predikaat, de algemene term 'is a woman'. Zinnen van de vorm 'Fa' zijn waar als de algemene term waar is wat betreft het object waarnaar de enkelvoudige term refereert. 'Mama is a woman' is dus waar als de persoon waar 'Mama' naar refereert een vrouw is.

Een algemene term is ofwel absoluut ofwel relatief.

Absolute algemene termen

Een absolute algemene term is waar of onwaar wat betreft een bepaald object. Het neutrale logische schema van een predicatie waarin een absolute algemene term voorkomt is 'Fa'. Binnen absolute algemene termen (absolute general term) zijn er weer meerdere vormen van predicatie te onderscheiden, namelijk: 'a is an F', 'a is F' en 'a Fs'. Deze verschillen onderling in grammaticale rol. Absolute algemene termen komen voor:

  • als zelfstandig naamwoord ('Helen is a singer)
  • als bijvoeglijk naamwoord (Helen is talented')
  • als werkwoord, in de form (Helen sings)

Dit grammaticale verschil heeft echter geen invloed op referentie. Daarom breng Quine ze dan ook allemaal terug tot de vorm 'Fa' voor zijn verdere analyse.[27]

Relatieve algemene termen

Een relatieve algemene term (relative general term) heeft in tegenstelling tot een absolute algemene term betrekking tot meerdere objecten. Een relatieve algemene term is waar of onwaar wat betreft een bepaald object in relatie tot weer één of meerdere andere objecten. Zij komen voor in de neutrale vorm van predicatie 'Fab', 'Fabc', 'Fabcd' enzovoorts. [28]

Daarbinnen zijn weer meerdere reduceerbare vormen van predicatie te onderscheiden, namelijk: 'a is F to b' en 'a Fs b'. Relatieve algemene termen komen voor:

  • als een zelfstandig naamwoord + voorzetsel, ('Arthur is the brother of Daan')
  • als een bijvoeglijk naamwoord + voorzetsel ('This branch is part of that tree')
  • als een bijvoeglijk naamwoord + conjuncite ('Your grade is the same as mine')
  • als een transitief werkwoord ('She send us seven emails')
  • als alleenstaand voorzetsel ('I'm under the table')

Demonstratieve enkelvoudige termen

Een bepaald soort enkelvoudige term dat Quine uitlicht is de demonstratieve enkelvoudige term (demonstrative singular term). Deze worden gevormd door het combineren van 'this' of 'that' (demonstrative particles) met een algemene term. 'This' en 'that' hebben een flexibele verwijzing, waardoor er zodra een kind deze kan toepassen ook verwezen kan worden naar objecten zonder eigennaam en objecten waarvan de eigennaam niet bekend is aan de spreker.[29] Met behulp van de algemene term 'river' krijg je bijvoorbeeld de demonstratieve enkelvoudige term 'this river', waardoor je weer achter de naam van de Nijl zou kunnen komen, bijvoorbeeld. Demonstratieve enkelvoudige termen kunnen ook weer gebruikt worden om meer algemene termen te leren kennen, omdat het in staat stelt een verschil te maken tussen 'this river' en 'that river'. [30] Door demonstratieve enkelvoudige termen raak het taalverwervingsproces dus in een stroomversnelling.

Identiteit

Volgens Quine is de identiteit, uitgedrukt door 'is' of '=', hetzelfde als 'is hetzelfde object als'.[31] Dus "a = b" geldt als 'a' en 'b' naar hetzelfde object verwijzen. De identiteit speelt een hierdoor een essentiële rol in de ontwikkeling van taal bij een kind. Een kind begrijpt algemene termen namelijk pas, als hij de verschillende instanties van de verdeelde referentie van de algemene term kan onderscheiden maar wel met de algemene term aanduiden. [32] Zonder identiteit zouden we niet kunnen weten of het kind niet een nieuwe massaterm gebruikt. [33]

Veel andere filosofen zien problemen in de identiteit, Quine bespreekt onder anderen Hume, Leibniz, Frege, Korzybski, Whitehead en Wittgenstein. [34] In de zin "a = b" zijn 'a' en 'b' niet dezelfde termen, en daardoor niet gelijk in elk aspect. Hierdoor kan de zin "a = b" niet waar zijn volgens eerder genoemde filosofen. Quine stelt dat ze het verwijzende teken en het object waarnaar verwezen wordt verwarren. Twee termen hoeven niet identiek te zijn om een identiteit aan te tonen, omdat het gaat om de verwijzing. [35]

Enkele jaren voor de publicatie van Word and Object schreef Quine "No entity without identity". [36] Dit werd een slogan voor zijn regimentatie van taal en theorie. Omdat de identiteit bij Quine nauw verbonden is met de verdeelde referentie en algemene termen, wilde hij alleen objecten in zijn ontologie die een heldere notie van identiteit hadden. Hierover volgt bij de latere hoofdstukken meer.

Hoofdstuk 4 - Vagaries of Reference

In hoofdstuk 4 heeft Quine het over onduidelijkheden van verwijzingen van de Engelse taal. Om deze onduidelijkheid te specificeren maakt Quine een onderscheid tussen vaagheid en ambiguïteit. Vaagheid van termen heeft betrekking op diffuse verwijzingen, daarentegen hebben ambigue zinnen compleet verschillende verwijzingen. Zinnen die ambigu zijn leiden tot interpretaties met verschillende waarheidswaarde. Zinnen die vage termen bevatten hebben niet noodzakelijk verschillende waarheidswaarden. Naast de begrippen vaagheid en ambiguïteit worden 'referentiële positie' (purely referential position) en 'substitutie van identiteit' besproken.

Vaagheid

Vaagheid van termen kan op drie manieren voorkomen:

  1. De verwijzing naar het fysieke object heeft geen heldere begrenzing. Een voorbeeld hiervan is dat het vaag is wanneer je Mount Rainier betreedt. Mount Rainier heeft een vage verwijzing naar een gebied.
  2. Een term is vaag omdat het onduidelijk is waar de verwijzing van de ene term ophoudt en waar de volgende begint. Het is bijvoorbeeld vaag welk gebied we heuvelachtig noemen en welk gebied bergachtig.
  3. De verwijzing van een term is vaag omdat het onduidelijk is wanneer de term naar één object verwijst en wanneer naar meerdere. Bijvoorbeeld het Michigan-Huronmeer kan gezien worden als één groot meer of als twee aparte meren.

Vaagheid van termen heeft volgens Quine twee positieve aspecten:

  1. De niet rigide verwijzingen van termen stellen ons in staat om met weinig termen veel uit te drukken. Quine legt dit uit via een metafoor over schildersverf en mozaïektegeltjes. Hierbij stelt hij dat rigide verwijzingen zo iets zijn als mozaïektegeltjes, ze zijn onveranderlijk in het uitdrukken van één kleur. Verf daarentegen kan zich mengen. Doordat de verf niet rigide is kan met een combinatie van een paar kleuren een grote variëteit worden uitgedrukt.
  2. Vaagheid kan gebruikt worden bij het uitleggen van complexe en technische concepten. Stel we willen A uitleggen. A is complex en kan alleen goed begrepen worden door B te begrijpen. B kan bovendien niet worden begrepen zonder kennis te hebben van A. In deze situatie kunnen we het best eerst A vaag uitleggen, dan B uitleggen en dan terugkeren bij A.

De waarheidswaarde van een zin kan volgens Quine wél (1) en níet (2) beïnvloed worden door vaagheid van termen. Voor beide gevallen een voorbeeld:

  1. In de vraag “wat is het grootste zoet water meer?” is het van belang of we het Michigan-Huronmeer als één of als meerdere meren zien.
  2. In het geval dat we ons afvragen hoe hoog de Mount Rainier is dan maakt het niet uit dat het vaag is waar de voet van de berg zich bevindt. In dit geval heeft vaagheid van de berg geen invloed op de waarheidswaarde van de zin.

Ambiguïteit

Ambiguïteit komt voor in termen en in zinsconstructies. De ambiguïteit zorgt ervoor dat zinnen onder verschillende interpretaties verschillende waarheidswaarde hebben. Ambiguïteit is echter niet uitsluitend de veroorzaker van wisselende waarheidswaardes. De waarheidswaarde van de zin “de deur is open” kan bijvoorbeeld beïnvloed worden door de deur te open.

Ambigue termen

Ambigue termen hebben twee of meerdere verwijzingen die niets met elkaar gemeen hebben. Een voorbeeld hiervan is light in “these feathers are light”. Light kan zowel betrekking hebben op het gewicht van de veren als op de kleur. Een gebruikelijke methode door lexicografen en linguïsten is om ambigue termen aan te wijzen als homoniemen. Volgens Quine is dit slechts het verleggen van het probleem. Stel iemand wil “light” in zijn moedertaal vertalen en in zijn taal bestaan er twee aparte woorden voor lichte kleur en licht gewicht. In dat geval heeft deze vertaler niets aan de wetenschap dat “light” een homoniem is. Hij moet een interpretatie van de term geven in zijn moedertaal.

Ambigue zinsconstructies (ambigue syntax)

Ambiguïteit van zinsconstructies kan op drie manieren ontstaan.

  1. Een zinsconstructie kan ambigu zijn omdat het werkwoord in de zin als een gewoonte of als een actie geïnterpreteerd kan worden. Bijvoorbeeld, de zin “Tabby eet muizen” kan de activiteit van tabby beschrijven (“Tabby eet nu muizen”) of een toestand waarin Tabby zich bevindt (“Tabby heeft de gewoonte om muizen te eten”).
  2. Onduidelijke verwijswoorden in een zin kunnen tot verschillende interpretaties leiden. Bijvoorbeeld “he” in de zin “A lawyer told a colleaque that he thought a client of his more critical of himself than any of his rivals”, kan naar verwijzen naar “a lawyer” of naar “a colleaque”. Onder verschillende interpretaties heeft de zin verschillende waarheidswaarde.
  3. Een woord kan een positie in een zin innemen waarbij het onduidelijk is of de term een eigenschap uitdrukt of deel is van een term. Bijvoorbeeld, de zin “het mooie meisjes kamp” kan geïnterpreteerd worden als dat de “meisjes” mooi zijn of dat het “meisjes kamp” mooi is.

Problemen 2 en 3 kunnen worden opgelost door de zinnen op een mathematische manier te parafraseren. Bij probleem 2 wordt de ambiguïteit weggenomen door de onduidelijke verwijzingen te parafraseren met variabelen. Hierdoor wordt de “he” in het voorbeeld gebonden aan of “a lawyer” of “a colleaque”. Dit gebeurt in de parafrase “A lawyer x told a colleaque y that x thought a client of z than any of z’s”. Probleem 3 wordt opgelost door de termen te groeperen. “Het mooie meisjes kamp” wordt daarbij “(mooie (meisjes kamp))” of “((mooie meisjes) kamp)”. Het voordeel van een dergelijke mathematische parafrase is volgens Quine dat zinnen die eerst ambigu waren, dat na de parafrase dat niet meer zijn.

Zuiver referentiële positie (purely referential position) en substitutie van identiteit (substitution of identity):

Wanneer een enkelvoudige term (de appel) in een zin wordt gebruikt puur om haar object te specificeren, en de zin is waar over het object dan blijft de zin waar wanneer de enkelvoudige term wordt verwisseld door een andere enkelvoudige term die nog steeds naar hetzelfde object verwijst. Dit is het criterium voor wat Quine zuiver referentiële positie noemt, substitutie van identiteit moet mogelijk zijn op die positie.[37] De referentiële positie van termen hangt af van de constructie waarin ze staan. Een constructie met aanhalingstekens kan de refererende functie blokkeren van de term die tussen aanhalingstekens staat. Als een constructie de refererende functie van een term blokkeert dan is die constructie niet transparant maar ondoorzichtig (Opaque).

Voorbeeld

Dit is een voorbeeld waarin substitutie van identiteit lijdt tot een onware zin. (1) is waar maar (2) is onwaar.

  1. Erik gelooft dat Abraham de echtgenoot is van Sarah.
  2. Erik gelooft dat de vader van Isaak de echtgenoot is van Sarah.

Erik weet niet dat Abraham = De vader van Isaak waardoor (2) onwaar wordt. De constructie die hier blokkerend werkt voor de referentiële functie van ‘Abraham’ in (1) is ‘gelooft dat’, deze constructie is ondoorzichtig.

Voorbeeld

In dit voorbeeld is (1) waar en (2) onwaar terwijl Socrates de leraar van Plato was. Substitutie van identiteit leidt tot een onware zin en dus is hier sprake van referentiele opaciteit.

  1. Socrates was ooit zes’ rijmt
  2. ‘De leraar van Plato was ooit zes’ rijmt

(2) is onwaar omdat ‘De leraar van Plato was ooit zes’ niet rijmt. Wanneer Plato een naam had gehad die rijmt op zes was (2) wel waar geweest omdat de naam was geëindigd op –es, de waarheidsconditie van de zin is dus afhankelijk van het woord en niet afhankelijk van het object waar de term naar verwijst.

Voorbeeld

‘Appel’ schrijf je met twee P’s

Hoofdstuk 5 - Regimentation

In hoofdstuk 5 zal Quine zich nog verder distantiëren van ons alledaags taalgebruik (ordinary language) dan in de vorige hoofdstukken. In de vorige hoofdstukken was zijn doel vooral het verhelderen van ons conceptual scheme, in hoofdstuk vijf heeft hij als doel het simplificeren van theorieën. Hij wil dit doen door een universele logica te ontwikkelen waartoe alle zinnen in ordinary language kunnen worden gereduceerd.

Space-time

Het gebruik van verschillende werkwoordstijden in ordinary language brengt vaak inconsequenties met zich mee.[38] Zo heeft het woordje “is” een andere betekenis in de zin ‘7 is een oneven getal’ dan in de zin ‘George trouwde Mary en Mary is weduwe.’ In de eerste zin is het woordje “is” tijdloos en in de tweede zin niet. Quine stelt voor om alle werkwoordstijden te vervangen voor wat we nu de tegenwoordige tijd noemen en deze altijd als tijdloos op te vatten. De zin ‘George trouwde Mary en Mary is weduwe’ wordt dan: ‘George trouwt Mary eerder dan nu en Mary is nu weduwe’. Quine is vierdimensionalist en dus van mening dat de objecten, hoe wij ze waarnemen, slechts momentopnames zijn uit hun verloop. Een gevolg van deze manier van verwijzen is dat objecten veranderen in zich voltrekkende processen waar op een bepaald tijdstip iets over kan worden gezegd. Elke tijdsperiode, bijvoorbeeld een uur, dag of maand, wordt zo tot een “plak” uit de vierdimensionale materiële wereld. Tijd komt zo dus op één lijn te staan met ruimte en Quine verwijst hiernaar met de term space-time. Zijn voorstel is om dit concept voortaan te handhaven en ons concept van tijd uit taal te verwerpen.

Namen bij Quine

Een tweede concept dat Quine vrijwel volledig uit de taal wil verwijderen zijn namen. Namen nemen namelijk vrijwel nooit een ‘referentiële positie’ (purely referential position) in, in een zin. Een voorbeeld zijn namen, die nergens naar verwijzen, bijvoorbeeld “Pegasus bestaat”. Over dit soort zinnen kan niet gezegd worden of ze een waarheidswaarde hebben, ze zijn waar noch onwaar. De oplossing die Quine aandraagt is alle enkelvoudige termen (singular terms) reduceren tot variabelen in combinatie met een predicaat. De zin ‘Pegasus bestaat’ wordt zo: ‘(∃x)(Px)’. Deze zin kan weer vertaald worden naar natuurlijke taal: ‘Er is een x en x is Pegasus’, waarbij “is Pegasus” dus de functie van een predicaat vervult in de zin. Zo veranderen we enkelvoudige termen dus in algemene termen, die slecht waar zijn van één of nul objecten, afhankelijk van of ze naar iets in de wereld verwijzen. Termen zoals Pegasus worden predicaten die waar zijn van nul objecten.

Hoofdstuk 6 - Flight from Intension

In het zesde hoofdstuk probeert Quine elke vorm van intensionaliteit aan de taal te onttrekken. Hij moet hiervoor eerst een duidelijk onderscheid maken tussen sentences, eternal sentences en propositions.

Sentences

Een sentence is een taaluiting van een spreker die op enig moment waar of onwaar kan zijn. De waar- of onwaarheid kan afhangen van de spreker en van de tijd en plaats waarop de uiting wordt gedaan. Zo hangt de waar- of onwaarheid van ‘de deur is open’ bijvoorbeeld af van welke deur wordt bedoeld, en op welk tijdstip. We kunnen naar sentences verwijzen, zoals hiervoor ook gebeurt, door gebruik te maken van aanhalingstekens (‘...’).

Eternal sentences

Een eternal sentence is een sentence waarvan de waarheidswaarde nooit verandert. Van elke sentence is een eternal sentence te maken door voldoende specifieke informatie aan te vullen met betrekking tot de tijd, de plaats en de spreker. Zo is van de sentence ‘de deur is open’ eenvoudig een eternal sentence te maken: ‘de voordeur van het Paleis op de Dam is open op 12 januari 2011 om 12 minuten over 4 ’s middags.’ Die zin is waar, of onwaar (ook al is het lastig die waar- of onwaarheid nu nog te achterhalen), ongeacht door wie, op welke plaats en op welk moment hij wordt uitgesproken.

Propositions

Een proposition is een object waarnaar verwezen wordt door een sentence. Dezelfde sentence kan, afhankelijk van de tijd, plaats en spreker, naar verschillende propositions verwijzen. Een eternal sentence verwijst echter altijd naar slechts één proposition. Quine noteert de proposition waarnaar de eternal sentence p verwijst als [p]. Zo verwijst de sentence ‘vandaag schijnt de zon in Amsterdam’ op 1 januari 2011 naar de proposition [op 1 januari 2011 schijnt de zon in Amsterdam], maar op 2 januari 2011 naar de proposition [op 2 januari 2011 schijnt de zon in Amsterdam]. Propositions kunnen het lijdend voorwerp zijn van werkwoorden met een propositional attitude, dat wil zeggen, werkwoorden waar een bijzin beginnende met ‘dat’ op kan volgen, zoals ‘weten. Bijvoorbeeld: ‘Tom weet dat [p].’

Hoofdstuk 7 - Ontic Decision

In hoofdstuk 7 neemt Quine een beslissing over de vraag welke objecten hij wil accepteren in zijn ontologie en welke uit het oogpunt van simplificatie verwijderd moeten worden.

Theoretisch nut

De eerste afweging die Quine maakt in de opbouw van zijn ontologie, is tot in hoeverre de toevoeging van een entiteit nut heeft voor de theorie (utility for theory[39]). Aan de hand van deze afweging beoordeelt hij eerst concrete, geoperationaliseerd als fysieke, objecten. In tegenstelling tot abstracte objecten zijn fysieke objecten over het algemeen goed empirisch observeerbaar, en dat lijkt een goede reden voor inclusie in de ontologie. De vraag is of, als je de rechtvaardiging door observeerbaarheid door trekt, niet moet concluderen dat het slechts valide is om zekerheid te hebben over zintuiglijke indrukken, sense data. Sense data is immers de meest directe vorm van observatie. Vanuit een persoonlijke voorkeur voor een kenbare wereld om zich heen[40] neemt hij liever de externe objecten in zijn ontologie op. Hij ziet vervolgens dat het overbodig zou zijn om dan nog de objecten als sense data aan zijn ontologie toe te voegen: sense data objecten spreken niet noodzakelijk het bestaan van reële objecten tegen, noch ontstaan er (taal)filosofische dilemma's door sense data objecten niet op te nemen.[41] Men kan bijvoorbeeld alsnog zinnig spreken over zijn eigen hallucinaties (mits de gehallucineerde objecten in een propositionele attitude zijn uitgedrukt). Quine vindt het dus vanuit een overweging van theoretisch nut, namelijk simpelheid, niet nodig om sense data objecten aan zijn ontologie toe te voegen. Fysieke deeltjes die te klein zijn voor observatie, maar voldoende bewezen zijn te bestaan door de natuurkunde, voegt hij echter wel toe, zodat er homogeniteit is onder alle fysieke objecten - een ander kenmerk van simpliciteit van theorie.

Abstracte entiteiten

Het voordeel van observeerbaarheid maakt het bestaan van concrete entiteiten voor Quine overtuigender dan het bestaan van abstracte entiteiten. Hij weigert mee te gaan met het standpunt dat sommige abstracte objecten op "een andere manier" existentiëren dan concrete objecten, en besluit dat objecten of wel, of niet bestaan in zijn ontologie.[42] Toch sluit hij niet alle abstracte entiteiten uit: hij ziet een grote toegevoegde waarde in klassen en getallen[43]. Met klassen kan op minimale manier een grote schaal van relaties worden uitgedrukt, en met getallen een kwantiteit. Ze voegen zodanig toe aan het theoretisch nut dat Quine ze aan zijn ontologie toevoegt, en daarmee beslist dat klassen en getallen werkelijk bestaan. Over attributen is Quine minder enthousiast:[44] ze zijn soms gebaseerd op de (eerder verworpen) sense data en ze zijn intersubjectief onvergelijkbaar. Toch ziet hij een toegevoegde waarde zolang ze een klasse beschrijven, zoals diersoort of hondheid.[45]

Om meer duidelijkheid te krijgen over de ontologie formuleert hij zijn tweede afweging, de doctrine van de ontologische toewijding (ontological commitment). Deze doctrine stelt dat ontologie slechts uitgedrukt dient te worden in kwantificatielogica, opdat de volledige impliciete ontologische toewijding achter de uitspraak hiermee expliciet gemaakt wordt.

Overige entiteiten die Quine afwijst zijn voorzetselgedeeltes[46] zoals "sake" in "for the sake of", die op zichzelf niets betekenen; meeteenheden, die hooguit als deel van een "grootheid-in-eenheden" uitgedrukt predikaat betekenis krijgen (bijvoorbeeld "lengte-in-centimeters"); 'mogelijke objecten', die volgens Quine meestal Russelliaans te reduceren zijn tot zinvolle termen[47]; en feiten, een woord dat een tijdsonafhankelijke en abstracte waarheidsdrager uitdrukt, wat sterk vloekt met Quines bovengenoemde ideeën over de veranderlijkheid van waarheid.[48]

Bruikbare Mythes

Sommige objecten en theorieën zijn problematisch, omdat ze onwaar zijn, of er een beter alternatief voorhanden is, of omdat ze contradictoir zijn met andere objecten of theorieën, maar het heeft toch de voorkeur ze niet te elimineren. Twee voorbeelden zijn de infinitesimaal en ideële objecten. Een infinitesimaal is een oneindig klein getal groter dan nul. Hoewel een infinitesimaal een merkwaardig construct is, zijn de toepassingen ervan bruikbaar en geeft het rekenen met een infinitesimaal, onder meer in differentiaalrekening, correcte uitkomsten. Iets dergelijks geldt ook voor ideële objecten zoals massapunten, geïsoleerde systemen en oppervlaktes zonder weerstand. Het bestaan ervan is slechts theoretisch, maar ze zijn bruikbaar als weloverwogen mythes in termen van begrijpelijkheid, schoonheid en eenvoud.

Hoewel dergelijke mythes in sommige gevallen tekortschieten in het beschrijven van de werkelijkheid kan het toch nuttig zijn om ze in stand te houden uit pragmatische overwegingen. Op een zelfde manier zijn ook de wetten van Newton bruikbare mythes die slechts symbolische waarde hebben omdat ze op een eenvoudige manier de aannemelijkere relativiteitstheorie vertegenwoordigen. De wetten van Newton zijn in feite een veralgemenisering van de relativiteitstheorie waarbij de individuele, eenvoudigere, maar ook minder correcte zinnen uitgedrukt in Newtoniaanse fysica kunnen worden geparafraseerd in de complexere, maar correctere zinnen van de relativiteitstheorie.

Kennis ontwikkelt zich in een veelvoud van theorieën, die elk een beperkte toepassing hebben. Vaak is er overlap, soms spreken ze elkaar tegen en soms overlappen ze en spreken ze elkaar tegen. Toch is het soms handig om theorieën die elkaar op sommige punten tegenspreken, zoals de wetten van Newton en de relativiteitstheorie, beide in stand te houden uit praktische overwegingen.[49]

"Semantic Ascent"

Quine komt met de manoeuvre van “semantic ascent” aan het eind van hoofdstuk 7. Deze manoeuvre beschrijft de verandering in discussie waar we van praten over objecten overgaan naar praten over woorden zelf. In plaats van praten in bepaalde termen praten we nu over termen. Waar praten in bepaalde termen soms kan leiden tot onnodige verwarring kan door “semantic ascent” de discussie verheldert worden omdat we dan gewoon kunnen kijken naar in welke context een term bruikbaar is.

Dit idee, oorspronkelijk bedacht door Rudolf Carnap, is volgens Quine van grote waarde voor filosofische discussie, hoewel hij in tegenstelling tot Carnap vindt dat het daar niet beperkt tot hoeft te blijven. Semantic ascent werkt doordat het de discussie verplaats naar een domein waarin men het eens is over welke objecten het gaat (dwz., woorden).

Voor Quine is het idee van “semantic ascent” in meer of mindere mate bruikbaar voor elke discussie die gaat over welke objecten moeten worden toegelaten in ontologie. Voor hem verschilt de taak van de filosoof hierdoor alleen van die van de wetenschapper of wiskundige in dat de filosoof meer bezig is met semantic ascent. De taak van de filosoof is het ophelderen en opschonen van de ontologie, duidelijk maken wat moet worden toegelaten en paradoxen en problemen oplossen.[50]

Q5142451 op Wikidata  Intertaalkoppelingen via Wikidata (via reasonator)

rel=nofollow

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties
  • Quine, Willard Van Orman. 1960. Word and Object. New edition 2013. Cambridge/London: The MIT Press.
  1. º Quine, Word and Object, p. 23
  2. º idem, p. 25
  3. 3,0 3,1 3,2 idem, p. 29
  4. º Idem, p. 40
  5. º Idem, p. 37
  6. º Idem, p. 38
  7. º Idem, p. 41
  8. º Idem, p. 42
  9. º Idem, p. 44-5
  10. º Idem, p. 46
  11. º Idem, p. 52
  12. º Idem, p. 54
  13. º Idem, p. 55
  14. º Idem, p. 53
  15. º Idem,p. 144
  16. º iIdem,P; 146
  17. º Idem, p. 73
  18. º Idem, p. 73
  19. º Skinner, B.F. (1953). Science and Human Behavior. New York: Macmillan
  20. º Quine, Word and Object, p. 75
  21. º Idem, p.77
  22. º Idem, p.78
  23. 23,0 23,1 Idem, p.81
  24. 24,0 24,1 24,2 Idem, p.83
  25. º Idem, p.85
  26. 26,0 26,1 Idem, p. 87
  27. º Idem, p. 88
  28. º Idem, p. 96-97
  29. º Idem, p. 91
  30. º Idem, p. 93
  31. º Quine, Willard Van Orman. (1960) Word and Object. MIT press: Cambridge, Massachusetts 1970. p. 114-115
  32. º Quine, Willard Van Orman. (1960) Word and Object. MIT press: Cambridge, Massachusetts 1970. p. 93
  33. º Quine, Willard Van Orman. (1960) Word and Object. MIT press: Cambridge, Massachusetts 1970. p. 93
  34. º Quine, Willard Van Orman. (1960) Word and Object. MIT press: Cambridge, Massachusetts 1970. p. 116-117
  35. º Quine, Willard Van Orman. (1960) Word and Object. MIT press: Cambridge, Massachusetts 1970. p. 116-117
  36. º Quine, Willard Van Orman: Speaking of Objects. In: Proceedings and Addressesof the American Philosophical Association. Volume 31, 1957-1958, p. 5–22.
  37. º Idem, p. 128
  38. º Idem, p. 155
  39. º Idem, p. 217
  40. º Idem, p. 217
  41. º Idem, p. 216
  42. º Idem, p. 222-223
  43. º Idem, p. 218-219
  44. º Idem, p. 220
  45. º Idem, p. 221
  46. º Idem, p. 225-226
  47. º Idem, p. 226-227
  48. º Idem, p. 227-228
  49. º Idem, p. 228-231
  50. º Idem, p. 249-254