Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Pieter Carel Wijnmalen

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pieter Carel Wijnmalen (Zaamslag, 1777Steenbergen, 18 juni 1833) was een Nederlandse burgemeester, dijkgraaf, notaris en grootgrondbezitter wiens opvallende levensloop weerklank heeft gevonden in een reeks historische sagen rondom zijn persoon in en om de West-Brabantse stad Steenbergen.

Biografie en historiciteit

De sagen rondom Pieter Carel Wijnmalen zijn een samenraapsel van volksgeloof, anachronismen en herinneringen aan religieuze twisten en propaganda die in de eerste helft van de 19e eeuw plaats vonden in Steenbergen. Toch is de persoon van Pieter Carel Wijnmalen zeker geen verzinsel.

Pieter Carel Wijnmalen werd geboren op 11 november 1777 in het Zeeuws-Vlaamse dorp Zaamslag, waar zijn vader, Cornelius Wijnmalen, de plaatselijke dominee was. Toen zijn vader in 1787 op vijfenveertigjarige leeftijd stierf, verviel het gezin tot armoede.

Kort na de inval van Franse Revolutionairen in 1795 werd de dan zeventienjarige Wijnmalen aangenomen als klerk op het stadhuis te Steenbergen. Vanuit deze bescheiden achtergrond zou Pieter Carel Wijnmalen uitgroeien tot een schatrijke grootgrondbezitter, burgemeester, notaris en dijkgraaf van alle rond Steenbergen gesitueerde polders.[1]

Naar wordt aangenomen was deze opmerkelijke carrière niet mogelijk geweest zonder steun van de familie Le Jeune, rijk geworden dankzij de Nederlandse posterijen, die het berooide Zeeuws-Vlaamse gezin (ook drie van zijn zusters en twee broers trekken enkele maanden later naar Steenbergen) onder haar hoede nam.[2] De familie Wijnmalen kwam voor veel Steenbergenaren uit het niets en verkreeg, niet in de laatste plaats door een reeks verstandshuwelijken, razendsnel een dominante positie in het bestuur en openbare leven van de stad.

Hoewel er relatief veel historische bronnen zijn overgeleverd over het leven van Pieter Carel Wijnmalen, is het moeilijk een gegronde karakterbeschrijving te geven. Veel van de bewaard gebleven conflicten met stadsgenoten scheppen echter het beeld van een moeilijk man.

De verwijzingen naar ontrouw of buitenhuwelijkse activiteiten die in de verhalen een terugkerend thema vormen zijn niet na te gaan, opvallend is wel een gedocumenteerd voorval dat plaats vond in 1797. De destijds twintigjarige Pieter Carel Wijnmalen trouwde in dat jaar met Anthonia de Weert, dochter van een welvarende Steenbergse familie Berckmans de Weert. Echter voor het huwelijk gesloten kon worden probeerde een ander meisje, Elisabeth Clement, het huwelijk te blokkeren. Zij beschikte over een door haarzelf en Wijnmalen op 12 september 1795 ondertekende trouwbelofte waarop zij elkaar beloven te trouwen. De akte stelde dat "na geruime tijd verkeer hebbende gehad... zoo danig dat er eene wederzijdsche liefde en genegentheid heeft plaatsgegrepen" tussen Elisabeth en Pieter Carel en dat deze laatste ook "lange tijd" nadien was voortgegaan met het betonen van zijn "liefde en genegentheid" waarbij hij ook meerdere malen zijn trouwbelofte mondeling zou hebben herhaald. Wijnmalen echter, noemde de akte bij de zitting “kinderspel” en wijst de procureur erop dat deze daarbij niet rechtsgeldig is omdat de handtekening van een volwassene ontbreekt. De mondelinge beloften die hij jegens Elisabeth zou hebben gemaakt doet hij af als leugens. De procureur beslist dat het document inderdaad niet rechtsgeldig is en er dus gerechtelijk geen reden is waarom Wijnmalen niet met De Weert kan trouwen, wat zij vervolgens dan ook doen. Ongetwijfeld zal dit voorval Wijnmalens reputatie geen goed hebben gedaan.[1]

Hij valt echter pas in werkelijke ongenade wanneer hij zich verzet tegen de restauratie van de katholieken te Steenbergen. Met de Franse tijd komt ook godsdienstvrijheid, de oude kerken behoren volgens nieuwe wetten niet langer toe aan de protestantse gemeenschap, maar aan de geloofsgemeenschap met de meeste aanhangers. In het geval van Steenbergen zijn dit de katholieken, die dan ook onmiskenbaar te kennen geven dat zij de oude Sint-Jakobskerk terug willen. Dit stuit op verzet van de protestanten, waarbij Pieter Carel Wijnmalen (als burgemeester van Steenbergen) en zijn broer Cornelius (nauw betrokken bij de protestantse gemeenschap) een sleutelrol spelen. Vooral Pieter Carel zal vanaf 1803 tot ver in de jaren dertig herhaaldelijk in conflict komen met de katholieke bewoners en vertegenwoordigers.

De kwestie escaleerde met conflict over het kerkhof. Volgens overgeleverde notulen[3] wilden de Steenbergse katholieken een eigen kerkhof omdat zij vonden dat de door de hervormde gemeente berekende begrafeniskosten te hoog waren. Grond werd aangekocht en het kerkhof werd aangelegd, dit alles "conform de bestaende wetten gehandeld" en "in oogen schouw" van burgemeester Wijnmalen. Desondanks ontving pastoor Smits op 1 mei 1828 (in totaal hadden er toen al zeven begrafenissen op het nieuwe kerkhof plaatsgehad) een brief van de burgemeester waarin het begraven op het nieuwe kerkhof werd verboden omdat dit zou zijn aangelegd zonder toestemming van het plaatselijk bestuur.

Omdat er recentelijk een vrouw uit Heensche Molen, Adriana van Treijen, was overleden die op het katholieke kerkhof begraven diende te worden, ontstond een ongemakkelijke situatie. De pastoor ondernam stappen door naar de gouverneur van Brabant in 's Hertogenbosch te reizen, waarop Wijnmalen direct na diens vertrek het kerkhof door de marechaussee liet bewaken. De pastoor kwam terug met een brief van de gouverneur waarin Wijnmalen een reprimande kreeg en gelast werd het kerkhof onmiddellijk open te stellen, iets wat Wijnmalen pas laat die avond bij monde van zijn secretaris liet doen. De volgende dag werd Adriana van Treijen begraven, en koelden de gemoederen al zou Wijnmalen tot in 1829 blijven procederen tegen de begraafplaats. Het is deze affaire, die in zeer verkapte vorm in veel van de sagen terugkomt; de fictieve Wijnmalens "kwaadaardigheid" tegen de "dapperheid en vroomheid" van een pastoor of priester.

Een kleine vier jaar later overleed Pieter Carel Wijnmalen en werd begraven op de protestantse begraafplaats, een kerkhof dat ironisch genoeg niet voldeed aan de eisen die hij in zijn verweerschriften wel van de katholieke begraafplaats eiste. In het jaar van zijn dood brak de protestantse gemeenschap van Steenbergen de oude en felbevochten Sint-Jakobskerk af om er onder leiding van Pieter Carels broer de huidige Witte Kerk voor in de plaats te bouwen.[1]

Sagen

De overlevering stelt Wijnmalen voor als een boosaardig man. Terugkerende thema's zijn ontrouw, nepotisme, anti-katholicisme, machtsmisbruik en onaantastbaarheid. Een harteloos en liefdeloos persoon die een pact met de duivel heeft gesloten. De sagen rond zijn persoon zijn gedocumenteerd, waarbij een drietal hoofdverhalen worden onderscheiden die hieronder beknopt zijn weergegeven.

Leeswaarschuwing — Onderstaande tekst bevat details van de plot en/of de afloop van het verhaal

De Heer en de Pachters

In deze sage is Wijnmalen de Burgemeester van Steenbergen en daarbij de steenrijke eigenaar van een landgoed, genaamd Ekelenberg. Als grootgrondbezitter is hij de eigenaar van verschillende boerderijen die hij verpacht. Wanneer een pachter zijn pacht niet langer kan betalen, stelt hij de pachter in staat op andere wijze aan zijn schuld te voldoen, namelijk door hem toe te staan de nacht met de pachters vrouw door te brengen. Deze afspraken maakte hij niet in eigen persoon, maar door middel van een oude knecht van Wijnmalen die hierbij optreedt als "zielenverkoper" en koetsier. In de donkere nacht moest deze knecht er op uit om de vrouw van een arme pachter naar het landgoed van de geheimzinnige burgemeester te halen. Wijnmalen zelf was getrouwd, maar zijn, naar verluidt vervloekte, huwelijk bleef kinderloos, hoewel hij een veelvoud aan buitenechtelijke kinderen zou hebben. Zijn eigen vrouw zou na de bruidsnacht nooit meer een woord tot hem hebben gesproken en zwierf slechts eenzaam door de dreven rondom Ekelenberg.

De Steenbergenaren zouden slechts in het diepste geheim blijk hebben kunnen geven van hun kennis van de praktijken van Wijnmalen. Dit zouden zij hebben gedaan door een spotvers op de sluisdeur van de nieuwe (maar door een bouwkundige fout niet werkende) sluis aan de Havendijk te schilderen. De tekst, "Deze sluis die wil niet trekken, voor hoerebazen en voor gekken", zou een duidelijk een toespeling op Pieter Carel Wijnmalen (welke volgens de overlevering de dijkgraaf was van de betreffende polder) zijn geweest.

Het slot op het kerkhof

Wijnmalen zou openlijk zijn slechtheid hebben getoond toen hij de Steenbergse katholieken verbood hun doden te begraven. In deze tijd zouden de katholieken geen eigen kerk hebben gehad, deze was afgenomen door de protestanten. Na veel moeite bouwden zij zelf een eigen kerk en bijbehorend kerkhof. Een vrouw uit een gehucht in de buurt van Steenbergen zou er als eerste begraven worden, maar als de lijkstatie het kerkhof nadert zijn de hekken gesloten. Op orders van Wijnmalen staan er gewapende wachters voor de poort. De pastoor loopt echter moedig door, steekt zijn stok naar voren en spreekt een gebed uit waarop de poorten zichzelf openen en de wachters met stomheid geslagen zijn.

De Duivel op de Lijkwagen

Het lugubere verhaal van de begrafenis van Pieter Carel Wijnmalen bestaat in verschillende versies. In alle versies wordt Wijnmalen diep in de nacht zijn begraven, waarbij kort na het verlaten van zijn huis de duivel zijn opwachting maakt. Een verschrikkelijk onweer breekt los en de lijkkist valt van de wagen af. Het lijk van Wijnmalen rolt uit de kist. De kist wordt leeg naar het kerkhof gebracht, want Pieter Carel Wijnmalen was veranderd in een grote steen. Die steen zou nu nog in de buurt van Ekelenberg liggen, met vlakbij een Maria-kapelletje. Volgens de legende zou er bloed uit de steen komen als er met een speld in geprikt werd.

In een andere versie van de dood van Wijnmalen wordt de aanwezigheid van de steen verklaart door het ingrijpen van de pastoor tijdens de begrafenis. In dit verhaal weigeren de paarden te lopen. Niets lukt om de lijkwagen in beweging te krijgen, waarna de conclusie wordt getrokken dat de duivel in het spel is. Er wordt een priester gezocht die bij aankomst onbevreesd op de wagen klimt en vurig bij het lijk begon te bidden. Na enige tijd beveelt de priester dat de kist wordt geopend, waarop de zware steen te voorschijn komt.

In weer een andere versie is het een gevaarlijke hond die plots op de lijkkist springt die niemand kan of durft verjagen. Alleen de pastoor durft het door de duivel bezeten beest al biddend te benaderen en zou tot de hond gesproken hebben "Hebt ge nog macht. Zo bijt mijn handen maar af!" waarop de hond niet beet, maar verdween.

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties
  1. 1,0 1,1 1,2 De Duivel op de Lijkwagen, M. de Jong, 1953
  2. º Van der Baan, blz. 181, 182; Nederland's patriciaat, 3e jrg., 's-Gravenhage 1953, blz. 338 e.v.; De gegevens m.b.t. het postwezen zijn ontleend aan een studie van C. A. M. van Bavel in de gedenkbundel Uit stad en land van Steenbergen, uitgave bij gelegenheid van de herdenking 500 jaar Nassau-stad 1458-1958, blz. 130 e.v. Behalve van deze gedrukte bronnen werd gebruik gemaakt van gegevens uit resolutieboeken en van de overlijdensakte van P. C. Wijnmalen, aanwezig in het gemeente-archief te Steenbergen.
  3. º Juten, blz. 92; Notulenboek van de r.k. kerkeraad, nr. 5, r.k. pastorie, Steenbergen.