Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Oud-Katholieke Kerk

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

Oud-Katholieke Kerk(en) is de benaming voor de autocefale (zelfstandige) katholieke kerken die ontstonden omdat zij het Romeinse kerkcentralisme afwezen. Vanaf 1870 verwierpen zij het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid (Eerste Vaticaans Concilie), samen met het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis (1854). Zij zijn verenigd in de Utrechtse Unie.

Voorgeschiedenis

Aan het eind van de 17e eeuw kwam de Utrechtse apostolisch vicaris Petrus Codde in conflict met de jezuïeten, die hem van jansenisme betichtten. Een langdurig conflict volgde. In de nasleep van Coddes veroordeling door de paus, werd hij in 1702 gesuspendeerd (uit het ambt geschorst). Uit ontevredenheid over zijn schorsing kwam in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een anti-centralistische beweging in de Kerk op gang. Een deel van de geestelijkheid in met name Utrecht en Holland had het gevoel dat de paus en met name de jezuïetenorde de Nederlandse katholieken probeerden op te stoken tegen de Republiek.

Na Coddes overlijden in 1710 ontstond er een vacante zetel en rumoer rondom de door Rome gefavoriseerde opvolger Gerardus Potcamp. In de anti-centralistische stemming besloot het Utrechtse kapittel in 1723 om zelf een nieuwe bisschop te kiezen. Cornelius Steenoven werd verkozen en zonder toestemming van Rome tot bisschop gewijd door Dominique Varlet, een wegens jansenisme verbannen Franse bisschop op doorreis naar Libanon. Steenoven werd zo de eerste schismatieke, van Rome afgescheiden, (aarts-)bisschop van de Oud-Katholieke Kerk.

Een groot aantal van de Nederlandse katholieke geestelijken in de provincies Holland en Utrecht sloot zich aan bij bisschop Steenoven. Zij noemden zich de Roomsch Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Clerezie. Een meerderheid van de gelovigen bleef, na enige jaren van verwarring, trouw aan Rome en de pauselijk bevestigde kerkbestuurders.

De paus verklaarde Nederland tot missiegebied en gaf vooral de jezuïeten de opdracht om alle katholieken te bewegen zich weer onder het directe gezag van Rome te plaatsen. Door deze hermissionering verbonden heel wat afgescheiden katholieken zich in de volgende eeuwen opnieuw met Rome.

Het duurde tot 1853 vooraleer de opnieuw bij Rome aangesloten katholieke kerk zich in Nederland opnieuw in bisdommen kon organiseren en er pausgezinde bisschoppen op de zetels plaatsnamen. De Roomsch Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Clerezie had sinds Steenovens wijding geen vacante zetel. Door het ’bisschoppelijk herstel van 1853’ zoals dit in de rooms-katholieke kerk wordt genoemd, kreeg Utrecht vanaf toen een tweede aartsbisschoppelijke zetel.

De oude tridentijnse ritus werd niet sterk aangepast, maar werd onder invloed van de jansenisten en de Synode van Pistoia (die later door paus Pius VI werd veroordeeld[1]) naar het Nederlands vertaald. De gregoriaanse gezangen werd omberijmd tot Nederlandse zang op gregoriaanse grondslag (Nedergoriaans) of vervangen door volkszang.

Duitsland

Verzet tegen de leer van de onfeilbaarheid van de pauselijke ’ex cathedra’-uitspraken, die in 1870 tijdens het Eerste Vaticaans Concilie tot dogma werd verklaard, leidde in de Duitstalige landen tot afsplitsingen van de Rooms-Katholieke Kerk, onder meer onder leiding van priester dr. Ignaz von Döllinger (1799–1890) en tot vorming van andere oudkatholieke kerkgemeenschappen (Altkatholische Kirche). Spoedig zocht men vanuit Bonn, München, Koblenz, Zwitserland, Wenen en vooral Duitstalig Bohemen contact met de Utrechtse kerk.

Priester Döllinger werd op 17 april 1871 geëxcommuniceerd door de aartsbisschop van München. Op een in München georganiseerd congres werd vervolgens besloten een onafhankelijke kerk te stichten.

In de oud-katholieke kerken werden belangrijke vernieuwingen ingevoerd. Onder meer werd de celibaatsverplichting van de priesters afgeschaft (1882 in het Duitse Rijk, 1922 in Nederland) en werd het gebruik van de landstaal in de liturgie ingevoerd.

In 1889 verenigden de ’nieuwe’ Duitse oudkatholieken zich met de kerken in Holland en Utrecht in de internationale Unie van Utrecht. Ook oudkatholieke kerken in Oostenrijk, Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije, Polen (de Pools-Nationale Kerk) en de Verenigde Staten zijn hierbij aangesloten.

Een aantal onafhankelijke oud-rooms-katholieke kerken (1908) scheidden zich in 1910 af van de Unie van Utrecht omdat zij de nadruk legden op bepaalde gebruiken zoals de Latijnse liturgie en heiligenverering, die in de Oud-Katholieke Kerk op de achtergrond waren geraakt. In 1998 stapte de Poolse Nationale Katholieke Kerk in de Verenigde Staten (een kerk van Poolse immigranten) uit de Unie van Utrecht uit protest tegen de priesterwijding van vrouwen.

Aan het hoofd van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland staat nog altijd de aartsbisschop van Utrecht. De huidige aartsbisschop is Joris Vercammen. Zijn zetel is de Sint-Gertrudiskathedraal.

Oorspronkelijk heette de Oud-Katholieke Kerk: Oud Roomsch Katholieke Kerk, maar na verloop van tijd verkoos men de verwijzing naar Rome te laten vallen.

Theologische positie

De oudkatholieke kerken verwerpen nadrukkelijk het pontificaat in de vorm van het primaatschap zoals door het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 gedefinieerd. Men verwerpt de paus als primaat met algehele jurisdictie over de gehele Katholieke Kerk en daarnaast verwerpt men zijn onfeilbaarheid op doctrinair en zedelijk vlak krachtens de autoriteit van de Apostolische Stoel van Petrus ’ex cathedra’. Daarnaast kenmerken de meeste oudkatholieken zich ook door het verwerpen van het in 1854 door paus Pius IX vastgestelde dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (dit wil zeggen: dat Maria’s moeder ’Anna’ maagd zou zijn geweest) en de ’lichamelijke tenhemelopneming van Maria’, die pas in 1950 tot dogma werd verklaard. Volgens de oudkatholieken zijn deze drie dogmata niet op de juiste manier tot stand gekomen. Een dogma kan alleen afgekondigd worden door een Oecumenisch Concilie, waar iedere kerkgemeenschap is vertegenwoordigd.

De leer van de zeven heilige sacramenten en van de Heilige Schrift in verhouding tot de Traditie (Overlevering) werd door de oudkatholieken behouden. Zij plaatsen de eucharistie boven de andere sacramenten. Het Sacramentslof met uitstelling van het Allerheiligste werd beperkt tot een korte dienst, aansluitend aan de Vespers, wat aanvankelijk leidde tot klachten van conservatievere oudkatholieke clerici tegen hun oud-katholieke bisschoppen. De biecht werd facultatief gesteld en kreeg een formulier met een grondiger bijbels kader van verwijzingen. De Romeinse heiligenkalender werd ingekort en verder aangevuld met heiligen van lokale bodem.

Verdere wijzigingen in de liturgie worden in de Oud-Katholieke Kerk geaccepteerd; deze kwamen reeds vroeg in de 20e eeuw voor. Sedert 1910 worden in Nederland de erediensten in de moedertaal gevierd.

Het verplichte celibaat werd reeds vroeg (1878: Duitsland en 1922: Nederland) opgeheven.

In overeenstemming met de „Verklaring van Utrecht” van 1889, aanvaarden ze de eerste zeven oecumenische concilies en de katholieke leer zoals die voor 1054 werd geformuleerd. Sinds 1925 erkenden zij de anglicaanse ordinaties, en sinds 1932 bestaat er een communio (full-communion: volledige kerkelijke overeenkomst) tussen de Anglicaanse Kerk en de Oud-Katholieke kerk. Tegenwoordig vinden ook gezamenlijke bisschopswijdingen plaats. Wijdingen van priesters en diakens vinden door de eigen bisschop in het eigen bisdom plaats. De opleiding voor priesters vindt plaats op het Oudkatholiek Seminarie in Utrecht.

Eind twintigste eeuw volgden de Oud-Katholieke Kerk van Nederland en enige andere oudkatholieke kerken de Anglicaanse Kerk in de openstelling van het priesterambt voor vrouwen. Inmiddels functioneren in drie oudkatholieke parochiekerken in Nederland vrouwelijke priesters. De ambten van diaken, priester en bisschop staan open voor zowel gehuwde of ongehuwde mannen of vrouwen.

In de twintigste eeuw ontwikkelden de oudkatholieke kerkgenootschappen zich in de richting van de oecumenische consensus, onder invloed van de contemporaine anglicaanse en orthodoxe theologie. Progressieve opvattingen over de inzegening van gelijkgeslachtelijke huwelijken en de priesterwijding van de vrouw zijn wijd verbreid. De liturgische viering maakt op buitenstaanders een eerder klassieke indruk.

Verhouding tot de Rooms-Katholieke Kerk

Na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) kwam opnieuw toenadering tot de Rooms-Katholieke Kerk tot stand. Meer eenvormigheid tussen de oudkatholieken en rooms-katholieken kwam tot stand doordat de Rooms-Katholieke Kerk in de liturgie naast het Latijn ook de volkstaal invoerde, samen met een nieuwe ritus van misgebeden. Dit zorgde dit ervoor dat beide kerken terug meer op elkaar gingen lijken. De nieuwe Romeinse misritus had ook een invloed op de oudkatholieke kerken die reeds lang voordien een versie van de oude misritus in de volkstaal gebruikten.

De oudste oudkatholieke kerkgemeenschap, de Oud-Katholieke Kerk van Nederland (1723), onderhoudt nu weer sterke oecumenische banden met de Rooms-Katholieke Kerk, hoewel deze toenadering recentelijk toch weer bemoeilijkt is als gevolg van de (door Rome principieel afgewezen) openstelling van het priesterschap voor vrouwen.

Sinds eind 2006 werd in de toenadering tussen beide kerken een nieuwe stap gezet. Een gemengde commissie van bisschoppen, priesters en theologen uit beide kerkgemeenschappen verklaarde dat er tussen beide kerken geen problemen zijn die niet overwonnen zouden kunnen worden. Zowel de oudkatholieke aartsbisschop van Utrecht, mgr. dr. Joris Vercammen als de secretaris van de Pauselijke Raad ter Bevordering van de Eenheid van de Christenen te Rome, Walter kardinaal Kasper stemden in met deze conclusie. De commissie blijft haar werkzaamheden voortzetten.[2]

Liturgie

De Oud-Katholieke Kerk kent een uitgebreide en voor buitenstaanders mogelijk ingewikkelde liturgie. Een eucharistieviering wordt samengesteld uit een groot aantal onderdelen die in drie boeken terug te vinden zijn:

  • Het Oudkatholiek Lectionarium: dit bevat alle lezingen voor alle zon- en feestdagen.
  • Het Oudkatholiek Kerkboek: dit bevat de liturgische teksten, waaronder ook de onberijmde psalmen.
  • Het Oudkatholiek Gezangboek: dit bevat de gezangen en misordinaria. In januari 2007 is dit boek verschenen in een geheel vernieuwde en uitgebreide tweede editie. Deze uitbreidingen van het toch al zo omvangrijke boek zijn ook los verkrijgbaar als supplement dat achterin de eerste editie kan worden ingevoegd.

Een „gewone” eucharistieviering is als volgt opgebouwd:

  1. Introïtus (openingszang)
  2. Groet – de priester begroet de gelovigen met de woorden van de apostel Paulus. De gemeente antwoordt.
  3. Schuldbelijdenis
  4. Kyrie – het eerste deel uit het „ordinarium” (de mis)
  5. De lofzang „Gloria” – het tweede deel uit het ordinarium.
  6. Gebed van de dag – doorgaans zingt de priester dit gebed.
  7. Eerste Schriftlezing – de eerste lezing wordt uit het Oude Testament genomen
  8. Graduale of eerste antwoordpsalm – veelal genomen uit de Psalmen 120 tot en met 134.
  9. Tweede Schriftlezing – in deze lezing wordt een deel uit een apostelbrief gelezen.
  10. Hallelujah of tweede antwoordpsalm
  11. Evangelielezing – de derde lezing wordt altijd genomen uit een van de vier evangelieboeken, Mattheüs, Marcus, Lucas of Johannes en wordt gedaan door de priester. De gemeente luistert staande naar de woorden van de goede boodschap.
  12. Acclamatie – (acclamare is het Latijnse woord voor toejuichen.) In een korte zang benadrukt de gemeente het gelezene.
  13. Prediking – de priester verkondigt, leert en overdenkt, uitgaande van de gelezen gedeeltes van de Heilige Schrift.
  14. Geloofsbelijdenis – het credo (meestal de uitvoering van Nicea, soms de apostolische geloofsbelijdenis) wordt staande gezongen of gesproken
  15. Voorbeden – de priester, de lector of een gemeentelid spreekt de voorbeden uit. Men bidt voor de wereld, de kerk, personen en de persoonlijke intenties. De persoonlijke gebeden kunnen vooraf genoemd worden bij de priester of in stilte worden gebeden. De gemeente neemt de onderdelen van de voorbeden telkens over met een korte zang (acclamatie): „Wij bidden U, verhoor ons” of een andere aangegeven tekst.
  16. Vredegroet – de priester citeert een vers uit de brief van Paulus aan de Filippenzen, waarna de gemeenteleden elkaar de hand schudden en elkaar vrede wensen.
  17. Opdracht van de gaven – terwijl een lied wordt gezongen, worden de geldelijke gaven door parochianen verzameld en naar het altaar gebracht. De priester zet het brood en de wijn klaar; hierna volgt het offertoriumgebed.
  18. Eucharistisch gebed – (eucharistie is Grieks voor dank, lofzegging.) In de orde van dienst staat aangegeven voor welk gebed is gekozen. In het gebed klinken de woorden die Jezus bij zijn laatste maal heeft gesproken; het eucharistisch gebed wordt onderbroken door het:
  19. Heilig – het derde deel uit het ordinarium.
  20. Het Gebed van de Heer – het „Onze Vader”, wordt veelal gezongen.
  21. Lam Gods – het vierde deel uit het ordinarium (vergelijk Agnus Dei).
  22. Communie: de avondmaalsviering; in het oudkatholiek Kerkboek staat omschreven wie deel kunnen nemen aan deze viering: Tot de heilige communie zijn allen genodigd die gedoopt zijn, in hun kerkgemeenschap deelnemen aan de tafel van de Heer en met ons zijn tegenwoordiging willen vieren.
  23. Gezang na de Communie – na de communie wordt een gezang gezongen.
  24. Gebed na de Communie – na het gezang volgt als afsluiting een gebed.
  25. Looft en Dankt – gezongen acclamatie.
  26. Zegen – uitgesproken door de priester.
  27. Slotzang – na het zingen van het laatste lied verlaten de gelovigen de kerk.

Leden

Het aantal leden van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland nam in de afgelopen jaren sterk af, volgens het SILA (de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie) dat het ledenaantal registreert van een aantal kerken, waaronder de Oud-Katholieke Kerk. Eind 2013 waren er minder dan 5.000 leden. Negen jaar voordien, in 2004, telde de Oud-Katholieke Kerk in Nederland nog 5.820 leden.[3] Het aantal kerkgangers bedroeg in 2007 1034 personen.[4] Grote concentraties van leden vindt men onder meer in de vroegere vissersplaatsen Egmond en IJmuiden, in deze laatste gemeente als gevolg van verhuizingen van kerkleden vanuit Egmond. De meeste oud-katholieke parochies vindt men in de provincies Zuid- en Noord-Holland, en Utrecht.

Jaartal Aantal [5]
2004 5.820
2006 5.654
2007 5.550
2008 5.469
2009 5.275
2010 5.173
2011 5.143
2012 5.081
2013 4.997

Zie ook

Weblinks

Unie van Utrecht

Kerken die afhangen van de Unie van Utrecht

1px.pngWikimedia Commons  Zie ook de categorie met mediabestanden in verband met Old Catholic churches op Wikimedia Commons.

The Catholic Encyclopedia (1917)  (en) Old Catholics, in: Catholic Encyclopedia, New York, Robert Appleton Company, 1907-1912. (vertaal via: Vertaal via Google translate)

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties