Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Herman Van den Reeck

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

Herman Van den Reeck (Borgerhout, 21 april 1901Antwerpen, 12 juli 1920) was een Vlaams student, die op negentienjarige leeftijd overleed nadat hij tijdens een 11-juli-betoging door de politie werd neergeschoten. Hierdoor werd hij beschouwd als een „martelaar” voor de Vlaamse zaak.

Leven

Al op zeer jeugdige leeftijd engageerde Van den Reeck zich in de Vlaamse Beweging. Hij volgde hierin het voorbeeld van zijn vader Joseph Van den Reeck, de secretaris van de in november 1917 in de lokalen van het Atheneum gestichte Volkshogeschool.

Van 1911 tot 1918 volgde hij de Grieks-Latijnse humaniora aan het Koninklijk Atheneum Antwerpen. Hij ondersteunde de activistische initiatieven van onder andere Firmin Mortier en Lode Craeybeckx met de Activistische Schoolbond, en was lid van de verboden Vlaamsche Bond. Daarnaast volgde hij avondleergangen aan de Volkshogeschool. Vóór zijn achttiende stichtte hij in de Vlaamsche Bond een leesgroep en een wetenschappelijke kring en gaf er lezingen.

In maart 1918 hervatte hij de uitgave van het activistische studentenblad De Goedendag. Hij pleitte voor de onmiddellijke vernederlandsing van het lager en middelbaar onderwijs in Vlaanderen.

Na de oorlog werd Van den Reeck, mogelijk dankzij zijn jeugdige leeftijd, niet vervolgd wegens het activisme.[1] Na de bevrijding schreef hij zich in aan de Université Libre de Bruxelles en ging er Natuurwetenschappen studeren. Door zijn flamingantisme werd hij bijna uit de school gezet.

In het voetspoor van Marnix Gijsen, Victor J. Brunclair en Paul van Ostaijen voelde hij zich aangetrokken tot de expressionistische avant-garde,[1] en schreef hij artikelen voor diverse tijdschriften van die stroming: Lumière, Ruimte en Staatsgevaarlijk.[1]

Zijn afkeer van de Franstalige bourgeoisie vertaalde zich in Vlaamsgezindheid en links radicalisme. Hij nam contact op met Cornelius Boeke, de auteur van het Manifest voor een christelijke Internationale en secretaris van de progressief-christelijke Christian International Movement. Van den Reeck voelde zich zeer aangesproken door Boeke’s zienswijze dat het communisme een logische consequentie was van het christendom. Van den Reeck was ook pacifist en sloot zich aan bij de Clarté-groep. Hij predikte de zelfopoffering met als doel de emancipatie van Vlaanderen.[1]

11 juli-viering 1920

Jan De Vos, de liberale burgemeester van Antwerpen, had samenscholingen op 11 juli verboden. Desondanks kwamen op 11 juli 1920 ongeveer 30.000 Vlamingen samen in Borgerhout voor een niet-geautoriseerde Guldensporenviering. Na de manifestatie begaven een groot aantal van hen zich naar het centrum van Antwerpen. Burgemeester De Vos trok zich wegens ziekte enkele uren terug en gaf in tussentijd eerste schepen Louis Strauss het bevel over de politie. Toen Strauss de opdracht gaf om de Vlaamse Leeuw-vlaggen van de betogers in beslag te nemen, kwam het tot schermutselingen. Herman Van den Reeck probeerde te verhinderen dat de vlag van een groep meisjes werd afgenomen, maar een politieman schoot lukraak in de menigte, waardoor Van den Reeck vanop korte afstand werd getroffen. De kogel drong binnen via de bovenarm en doorboorde beide longen. Van den Reeck werd pas naar het Sint-Elisabeth-ziekenhuis overgebracht nadat hij drie kwartier in het politiebureau had gelegen en onder dwang een schuldbekentenis had ondertekend. De volgende dag bezweek hij aan zijn verwondingen.

Begrafenis en nawerking

De begrafenis van Herman Van den Reeck op 17 juli 1920 vond plaats met groot eerbetoon en werd massaal bijgewoond door flaminganten van uiteenlopende strekking, onder wie Camille Huysmans, Herman Van Puymbrouck, Berten Pil, Alfons Van de Perre en Staf De Clercq. Hij werd beschreven als de eerste „Vlaamse martelaar sedert 1830”.[2]

De maanden na zijn dood verschenen verscheidene hommages aan Van den Reeck in boeken en tijdschriften. Onder andere Victor J. Brunclair, Paul van Ostaijen,[3][4] Wies Moens,[5] Marnix Gijsen, Albert van Hoogenbemt, Geert Pijnenburg en René De Clercq schreven een gedicht over hem. Ook dr. August Borms schreef vanuit zijn gevangeniscel in Leuven een „Kerkerbloempje op ’t graf van mijn diepbetreurden oud-leerling Herman Van den Reeck”.[6] Gaston Burssens verkondigde in het driedelige gedicht De held vooral de socialistische revolutie, die door de dood van Van den Reeck mogelijk werd gemaakt:

„Het land wordt vruchtbaar, rijk aan goud, waarachter de zon, rood
als de rode vlag van opstand en van opstanding
te wapperen hangt”.[7]

Van den Reecks dood had uitwerkingen op zowel de Antwerpse stadspolitiek als op de nationale politiek.

De kranten De Schelde en de Volksgazet openden een inschrijving voor een grafmonument. Hierdoor werd in slechts enkele weken tijd 25.000 fr. bijeengebracht, een immens bedrag voor die tijd. Het monument werd onthuld op het Kielkerkhof op 9 juli 1922, met Pol De Mont als spreker.

In 1928 werd te Antwerpen de Volksuniversiteit Herman Van den Reeck opgericht.

In 1966 werd hij bijgezet op de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof naast Hendrik Conscience. Dit typeerde de symboolwaarde die hij in de Vlaamse Beweging had gekregen.[8]

Weblinks

Verwijzingen

rel=nofollow