Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Baby

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
(Voor de Franse plaats en gemeente Baby, zie Baby (gemeente))

Een baby (meisje) van 11 dagen oud.

Baby oftewel zuigeling is een aanduiding voor de jongste kinderen. Men spreekt over een baby totdat het kind peuter wordt genoemd. Vaak wordt ook een foetus of ongeboren kind, dus nog in de baarmoeder, een baby of buikbaby genoemd.

Pasgeborenen

Een pasgeboren baby wordt tot de leeftijd van dertig dagen of gedurende zijn verblijf op een neonatale afdeling boreling, neonaat of neonatus genoemd (Latijn: nieuwgeborene). Vanaf 30 dagen tot één jaar wordt een baby zuigeling genoemd.

In tegenstelling tot jongen van andere diersoorten, is de baby bij een mens vrijwel tot niets in staat. Bij apen bijvoorbeeld kan het jong zich al direct na de geboorte aan de moeder vasthouden. Mensenbaby's hebben weliswaar een grijpreflex (zie hieronder), maar die is niet sterk genoeg om zich zelf op te trekken of vast te houden. Ook kan een baby zijn relatief grote hoofd niet zelf rechtop houden. Ook bij buideldieren zijn de pasgeboren jongen volledig hulpeloos, maar daar groeien ze zonder verdere verzorging door in de buidel van de moeder.

Dit valt te wijten aan het feit dat de hersenen nog onvoldoende ontwikkeld zijn. Bij de geboorte heeft een mens ongeveer 350g aan hersenen, dit is zo'n 30% van het volwassen gewicht. Ter vergelijking heeft een pasgeboren chimpansee al vanaf de geboorte 65% van het volwassen gewicht. In het eerste levensjaar maken de hersenen dus een geweldige ontwikkeling door. Dankzij het feit dat de mens bij zijn geboorte relatief weinig ontwikkelde hersenen meekrijgt, krijgt het kind de kans flexibel te ontwikkelen. In het eerste levensjaar kunnen zeer veel verschillende belangrijke functies - zoals lichamelijke, psychologische, sociale, morele enzovoort - tot ontwikkeling komen.

Volgens Adolf Portmann is na 9 maanden sprake van een fysiologische geboorte, de psychologische geboorte gebeurt ongeveer een jaar na de fysiologische geboorte. De pasgeboren verblijft intussen in de psychosociale moederschoot. Op het einde van de "tweede dracht" tenslotte, vindt volgens hem de psychologische geboorte of eigenlijke menswording plaats.

Binding aan moeder en vader

Omdat de baby volledig afhankelijk is van de ouders, is het belangrijk voor de overleving dat de baby zijn ouders aan zich weet te binden. Zo gaat de baby na ongeveer 6 weken spontaan naar zijn verzorgers lachen. Na een normale bevalling voelt de moeder zich in de meeste gevallen onmiddellijk aangetrokken tot haar baby. Dit heeft mogelijk te maken met de specifieke geur die een jonge baby afgeeft.

Voeding

Borstvoeding

De natuurlijke voedingsbron voor baby's is moedermelk die door de borsten van de moeder wordt geproduceerd. Steeds wordt door onderzoek bevestigd dat moedermelk de ideale voeding voor de baby is. Het bevat alle voedingsstoffen die de baby nodig heeft in exact de juiste verhouding, met de juiste temperatuur, en altijd vers. Bovendien bevat moedermelk cellen en antistoffen die de baby beschermen tegen bacteriën en virussen. Verder stelt men een lichte stijging vast van het IQ (intelligentiequotiënt) van de baby bij langdurige borstvoeding. Ook voor de moeder heeft borstvoeding geven gunstige effecten op de gezondheid, zoals een lagere kans op borstkanker en een sneller herstel van de baarmoeder na de bevalling.

Voor het geven van borstvoeding moet de moeder uiteraard de baby bij zich in de buurt hebben, zeker gedurende de eerste periode. Moedermelk kan ook afgekolfd worden en in een flesje gegeven worden, hoewel aangeraden wordt niet met een flesje te beginnen voordat de baby 4 tot 6 weken oud is en het aan de borst drinken goed onder de knie heeft. Als de baby eenmaal uit een flesje kan drinken, kan de moeder desgewenst uitstapjes maken of aan het werk gaan zonder de baby, terwijl ze gekolfde melk voor de baby achterlaat.

Borstvoeding geven is voor baby en moeder de beste en gemakkelijkste manier van voeden. Borstvoeding geven is natuurlijk, maar moet wel geleerd worden door moeder en kind. Soms komen er problemen voor door slechte begeleiding, zoals tepelkloven door het niet goed aanleggen van de baby. In zo'n geval is het aan te raden een lactatiekundige te laten meekijken.

De borstvoeding moet vanaf de eerste dag goed op gang gebracht worden door de baby de eerste dag(en) heel vaak aan te leggen, soms wel elk uur of elke twee uur. Onder invloed van het zogen, komt de borstvoeding dan over het algemeen in de loop van enkele dagen op gang. Als men de melkproductie extra wil stimuleren omdat de baby niet krachtig of vaak genoeg wil zuigen, kan men gaan bijkolven en dit met een lepeltje of spuitje bijgeven. Door op de plas- en poepluiers en het gewicht te letten, kan men de groei in de gaten houden terwijl de borstvoeding goed op gang komt. Wanneer de baby niet genoeg aankomt, kan de moeder extra voeding geven. Eerste keus is de afgekolfde moedermelk van de moeder zelf of van de melkbank. Wanneer dit niet beschikbaar is, kan worden bijgevoed met kunstmelk.

Flesvoeding

Als de ouders ervoor kiezen geen borstvoeding te geven, kan flesvoeding worden gegeven. Alhoewel de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanraadt 6 maanden exclusieve borstvoeding te geven en er daarna nog mee door te gaan tot het kind 2 jaar oud is, stoppen veel vrouwen in de westerse wereld na een aantal maanden met borstvoeding en stappen over op kunstmatige zuigelingenvoeding (flesvoeding). Deze voeding is gebaseerd op koemelk met toevoegingen, die zoveel mogelijk afgestemd wordt op de verhoudingen van voedingsstoffen in moedermelk. Er is aparte voeding voor prematuren, dysmaturen, neonaten, zuigelingen van verschillende leeftijden en baby's met allergieën. Deze soorten kunstvoeding zijn in Nederland en België enkel verkrijgbaar in de apotheek. Een organisatie waar veel kennis over flesvoeding aanwezig is, is het Voedingscentrum in Nederland en Kind en Gezin in Vlaanderen.

Vast voedsel

Vanaf de zesde maand gaat de baby geleidelijk beginnen met vast voedsel. Incidenteel zal een zorgverlener op basis van specifieke omstandigheden adviseren enkele weken eerder te beginnen met bijvoeden. Meestal begint men met fruit, groente en pap. Bijvoeding kan in de vorm van goed gepureerde vruchten gegeven worden of, in het geval van zacht fruit en groenten, ook in stukjes aangeboden worden (de 'Rapley'-methode). Ook zonder tanden kan een baby van 6 maanden zacht fruit en groenten al met de kaakjes vermalen. Langzamerhand gaat de baby steeds meer vast voedsel eten en steeds minder moedermelk of kunstmelk drinken.

Verzorging

De baby is in alle opzichten afhankelijk en moet volledig verzorgd worden. De verzorging bestaat voornamelijk uit het geven van voeding, verschonen en laten slapen. De baby moet meerdere malen (minstens vier tot zes keer) per dag een schone luier om zolang hij niet zindelijk is. Hierbij kunnen de billen en de geslachtsorganen van de baby met een vochtig doekje worden schoongemaakt. Er kan een speciale zalf in de huidplooien worden gesmeerd om huidirritatie te vermijden. Talkpoeder wordt ten strengste afgeraden omwille van ernstige nevenverschijnselen[feit?]. Bij onvoldoende vaak verschonen van de luier kan er sneller luieruitslag ontstaan. Vaak huilt een baby van ongenoegen als hij een vieze luier heeft.

Een baby wordt vaak verschoond op een aankleedkussen die meestal op een commode ligt. Dit heeft als voordeel dat de baby zacht ligt en er niet makkelijk af kan rollen. De verzorger of ouders kunnen op een goede werkhoogte staan en hebben via de plankjes van de commode alles bij de hand.

Gezondheidszorg

In Nederland en België wordt elk kind onmiddellijk na de geboorte onderzocht en getest op zijn lichaamsfuncties aan de hand van de Apgar-score en na enkele dagen getest op een aantal aangeboren ziekten, die bij snelle behandeling of met een dieet een betere levensverwachting geven. Onderdeel van dit onderzoek is de bekende hielprik.

Slapen

Een pasgeborene slaapt veel, gedurende de eerste 2 weken slaapt de pasgeborene ongeveer 2/3 van de tijd. Waarvan het zich gedurende de helft daarvan in de REM-slaap bevindt. Als het kind wakker is, bevindt het zich bovendien vaak in een doezelige toestand waarbij de alertheid erg beperkt is.

Volgens Heinz Prechtl zijn er 5 verschillende waakzaamheidstoestanden waarin een baby zich kan bevinden.

  • Toestand 1: rustige slaap.
  • Toestand 2: actieve REM- of droomslaap.
  • Toestand 3: passieve waaktoestand.
  • Toestand 4: actieve en alerte waakstand.
  • Toestand 5: huilen.

De reden van de grote hoeveelheid REM-slaap is waarschijnlijk te zoeken in het feit dat de cortex van de grote hersenen voldoende simulatie nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Omdat hij tijdens lange passieve slaapperiodes deze prikkels niet zou krijgen, zorgt hij voor interne prikkels, wat concreet als dromen wordt ingevuld.

Een veilige slaap is voor de baby erg belangrijk. Wiegendood komt weinig voor, maar is een grote angst voor ouders. Het is heel gebruikelijk dat baby's niet de hele nacht 'doorslapen'. Zeker de eerste maanden horen nachtvoedingen er bij, maar voor veel kinderen ook langer.

Reflexen

Portmann noemt de pasgeboren baby hulpeloos, jonge kinderen moeten bij bijna alles geholpen worden. Toch beschikt het kind al over een minimale uitrusting om in leven te blijven en doelmatig om te gaan met zijn omgeving. Er bestaan natuurlijke fysiologische mechanismen - temperatuurregeling, bloedcirculatie, ... - die instaan voor het innerlijk huishouden van het lichaam. Daarnaast vertoont het kind ook enkele aangeboren primitieve reactiepatronen op uitwendige prikkels, reflexen genaamd.

Er zijn een aantal blijvende reflexen met een vitale functie zoals:

Typisch voor pasgeborenen zijn echter de voorbijgaande reflexen, wat reactiepatronen zijn die slechts de eerste weken of maanden na de geboorte zichtbaar zijn. Sommige van deze voorbijgaande reflexen hebben ook een vitale functie, anderen zijn op het eerste zicht functieloos. Wellicht stammen deze af van de verre voorgeschiedenis. Men noemt ze dan ook de archaïsche reflexen.

Enkele voorbijgaande reflexen:

  • Zoekreflex of snuffelreflex. Bij zacht aanraken van de wang van de baby draait het kind zijn hoofd die kant op en doet hij zijn mond open. Dit stelt de baby in staat snel de tepel te vinden van de borst van zijn moeder.
  • Zuigreflex. Zodra de baby iets in zijn mond voelt, begint hij te zuigen, ongeacht of hij een vinger, de zuigfles of de borst in zijn mond heeft.
  • Grijpreflex. Als iemand een vinger in de handpalm van de baby legt, pakt hij deze onmiddellijk stevig beet. Door het met de twee handen te doen kan de baby uit liggende positie makkelijk rechtop getrokken worden. De voeten vertonen een dergelijke reflex, maar met de voet kan een baby natuurlijk niet echt iets vasthouden.
  • Babinski-reflex. Als men met een puntig voorwerp over de buitenrand van de voetzool van voren naar achteren strijkt, richt de grote teen zich op. Terwijl de andere tenen zich spreiden. Deze reflex verdwijnt maar heel geleidelijk en de functie is onbekend.
  • Asymmetrische Tonische Nekreflex. Dit is het begin van oog-handcoördinatie. Als iemand de baby naar zijn handje laat kijken en dan zijn hoofdje draait, strekt de arm zich uit. De ogen volgen vervolgens de weg van het handje.
  • Schrikreflex of Moro-reflex. Bij een plotseling beweging (bijvoorbeeld als de baby bijna valt) doet de baby zijn armen wijd open en sluit ze daarna weer langzaam. Ook bij een hard geluid kan dit gebeuren. Als de baby daarbij erg geschrokken is, gaat hij huilen. Deze reflex doet denken aan een jong aapje dat zich vastgrijpt aan de moeder.
  • Loopreflex. Als de baby rechtop gehouden wordt door hem onder zijn oksels vast te houden en men laat zijn voetjes zachtjes de vloer raken, dan trekt hij één been op, alsof hij een stap wil maken. Door het opgetrokken voetje de grond te laten raken, tilt de baby zijn andere voet op. Deze reflex verdwijnt echter al snel na de geboorte.
  • Kruipreflex. Als het kind op zijn buik gelegd wordt, neemt het een foetale houding aan. Als het wakker is, strekt en buigt het om beurten de beide beentjes.
  • Zwemreflex. Als het kind met het gezicht naar beneden in het water gehouden wordt, begint het meteen met de armpjes te peddelen en met de beentjes te trappelen.

De reflexen van een baby zijn ook onder te verdelen in drie groepen:

  • de primitieve reflexen. Dit zijn vlucht- en overlevingsreflexen die zich al in de baarmoeder ontwikkelen en van belang zijn om de eerste maanden te overleven. De reflexen hebben hun oorsprong in de hersenstam. Dit zijn de hierboven genoemde reflexen.
  • de transitionele reflexen. Deze komen uit de tussenhersenen en hebben te maken met het trotseren van de zwaartekracht. Ze ontstaan tussen de zesde en achtste maand na de geboorte en verdwijnen daarna weer.
  • de posturale reflexen. Deze komen ongeveer tien maanden na de geboorte tevoorschijn en zijn afkomstig uit de hersenschors. Deze reflexen hebben te maken met staan, lopen, praten en dergelijke. Deze reflexen blijven de rest van het leven bestaan.

Spel en interactie

De interactie met een baby is in het begin vrij eenzijdig, de baby kan nog niet veel respons geven aan de ouder. Op de leeftijd van ongeveer zes weken begint de baby te lachen als een bekend gezicht verschijnt. Een paar maanden later kan de baby al een eerste spel spelen: kiekeboe.

Zie ook

WikiWoordenboek
Zoek baby