Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Aardappel

Uit Wikisage
(Doorverwezen vanaf Solanum tuberosum)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De aardappel oftewel Solanum tuberosum is een plant die ondergronds een energievoorraad in de vorm van zetmeel aanlegt. Het zetmeel wordt bewaard in de vorm van knollen, die eveneens aardappelen of aardappels worden genoemd. De knollen worden gevormd aan ondergrondse stengels, stolonen genoemd. In veel Europese en westerse landen is de aardappel een basisvoedingsmiddel. Net als rijst, pasta en brood is de aardappel een belangrijke bron van koolhydraten.

Kenmerken

De aardappel behoort tot de nachtschadefamilie, net als de tomaat, de paprika en de tabak. De groene delen van de aardappel zijn dus giftig. Net als andere leden van de nachtschadefamilie bevat de plant alkaloïden. Aardappelplanten kunnen naast knollen ook bessen vormen, welke in tegenstelling tot die van de tomaat zeer giftig zijn. Tussen de verschillende aardappelrassen zijn er grote verschillen in de vorming van bessen.

Daarnaast kunnen de knollen ook giftig zijn door een hoog gehalte aan solanine. Daardoor zijn zetmeelaardappels van bepaalde rassen niet geschikt voor menselijke consumptie. Ook als aardappelen tijdens het bewaren worden blootgesteld aan licht stijgt het gehalte aan solanine. De knollen worden groen en zijn daarna ongeschikt om te eten.

In de aardappel komen twee typen zetmeel voor, amylose en amylopectine, waarvan 21% amylose. In 2005 is voor het eerst een ras in de handel gekomen dat bijna 100% amylopectine bevat.
Een ander onderscheid is er tussen rassen met vastkokende aardappels (droogkokers), die bij het koken hun stevigheid behouden, en rassen met kruimige of bloemige aardappels (afkokers), die bij langer koken uit elkaar vallen en daardoor het meest geschikt zijn om te pureren.

Herkomst

De aardappel is vanuit Zuid-Amerika naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers. Waarschijnlijk nam Diego de Amalya de eerste plant in 1536 mee uit Peru of Chili, waar deze aardappel bekend stond als chunu. De Inca's verbouwden de plant toen al honderden jaren. De aardappelplant groeide ook op grote hoogten in de Andes, waar veel andere planten niet meer kunnen groeien. Op basis van DNA-onderzoek is aangetoond dat alle aardappels afstammen van één plant uit zuid-Peru.

Monniken waren verantwoordelijk voor de verspreiding van de aardappel vanuit Spanje naar de andere Europese landen. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen. Ook in botanische tuinen vond de aardappelplant zijn weg. De aardappel groeit al sinds de Tachtigjarige Oorlog in de Leidse Hortus, sinds 1640 in Groningen en sinds 1689 in Amsterdam.

Carolus Clusius plantte in 1588 in Mechelen voor het eerst aardappelen in de tuin van van Pitsemburg. In 1601 schreef hij over de voortplanting van de aardappel door zaad. Men ontdekte dat uit zaad van een paarsbloeiende plant ook witbloeiende planten opgroeiden. Er zijn in Europa door selectie dus waarschijnlijk al vroeg verschillende rassen ontstaan. In Nederland kruiste Petrus Hondius (geboren in 1578 te Vlissingen en overleden in augustus 1621 te Terneuzen) aardappelen met elkaar. Door virus-infecties gingen de rassen echter snel achteruit en werd regelmatig teruggegrepen op zaad.

De boeren wilden aanvankelijk niets van de plant weten. Omdat de stengels en bessen giftig zijn, dachten ze dat de knollen ook ongezond zouden zijn. Pas in 1727 werd de aardappel, voor het eerst in Friesland, als voedsel erkend. Langzamerhand kreeg de aardappel toch steeds meer de rol van volksvoedsel en in de 17e eeuw werd de aardappel in alle Europese landen verbouwd. Vanwege het hoge gehalte aan vitamine C werd de knol, met name tijdens lange zeereizen, ook gebruikt ter voorkoming van scheurbuik.

Geert Veenhuizen (o.a. Eigenheimer en Rode Ster) en Kornelis Lieuwes de Vries (Bintje) waren Nederlanders die zich in de 18e en 19e eeuw bezighielden met de teelt en ontwikkeling van de aardappel.

Teelt

In Nederland is er een teelt van

  • consumptie-aardappelen,
  • zetmeelaardappelen en
  • pootaardappelen.

De belangrijkste teeltgebieden van consumptie-aardappels in Nederland zijn Flevoland, Zeeland en Noord-Brabant. In de veenkoloniën worden veel fabrieks-aardappels voor de zetmeelwinning geteeld. In het noorden, vanwege minder luizen, pootaardappels.

De aardappel heeft 2n=48 chromosomen en is een tetraploïde plant, waarvan alle chromosomen van één plantensoort afkomstig zijn (autoploïde). Aardappels worden bijna altijd gekweekt van één enkele kloon met zo goed mogelijke genen. Alle 'bintjes' bijvoorbeeld zijn van één kloon afkomstig.

Op de akker

Nadat de grond door grondbewerking is gereed gemaakt, worden de pootaardappelen in de grond gestopt. Voor een normale teelt worden in april de pootaardappelen gepoot en met een klein beetje grond bedekt. Dat kan door middel van een aardappelpootmachine. De aardappelen worden op (grond)ruggen geteeld. In de loop van het groeiseizoen wordt enkele keren aangeaard met behulp van een aardappelaanaarder. Hierbij wordt aan twee kanten een laagje aarde van de zijkant van de groeiplek over de wortels van de plant geschoven. Hierdoor blijven de wortels steeds goed bedekt met grond, zodat er geen groene knollen ontstaan en ontstaat ook de rug waarin de knollen zich kunnen ontwikkelen.

Voordat de knollen gerooid worden, wordt het gewas loofgeklapt en/of doodgespoten. Door deze loofdoding vormen de knollen een steviger schil, waardoor ze bij het rooien minder beschadigd worden. De knollen worden met een rooimachine uit de grond gehaald. Afhankelijk van het ras wordt er vroeg, middelvroeg of laat geoogst.

Een probleem bij aardappelen is het stootblauw, dat ontstaat doordat de knol tijdens of na het rooien beschadigd wordt door o.a. een te grote valhoogte, drukplekken, gooien of stoten. Onder de schil ontstaan blauwe plekken, die veel schilverlies geven.

Vroeger werden de aardappelen tijdens de winter in een bult opgeslagen op het land. De bult werd met riet en modder afgedekt. Bij het bewaren in huis is het belangrijk, dat de aardappelvoorraad steeds goed donker wordt bewaard. Zodra de aardappelen licht zien krijgen ze de neiging om bij de ogen witte uitlopers te vormen. Een lichtdichte houten kist is een ideale bewaarplaats. Deze moet het liefst niet geverfd zijn, zodat het vocht kan ontsnappen en de aardappelen niet zo snel gaan schimmelen.

Ziektebestrijding

Tijdens het seizoen wordt, afhankelijk van het weer, door de meeste telers elke 7 tot 10 dagen met een chemisch bestrijdingsmiddel gespoten tegen de aardappelziekte (phytophthora). De noodzaak van chemische bestrijding is alleen te beperken door de keuze van zoveel mogelijk ziekte-resistente rassen. Met behulp van Plantenveredeling, bijvoorbeeld door middel van genetische modificatie, wordt getracht om meer resistente rassen te ontwikkelen, maar dit verloopt nog maar moeizaam.
Bij de teelt van aardappelrassen zoals Bintje, Bildtstar en Eigenheimer wordt relatief veel gif gebruikt. Aardappelen uit de gangbare teelt waarbij minder milieubestrijdingsmiddelen worden gebruikt, zijn onder meer Corine, Doré, Escort, Alpha, Van Gogh en Santé.[1]

Biologische teelt

In de biologische aardappelteelt wordt niet gespoten. Het gevolg is wel, dat het groeiseizoen direct voorbij is zodra het perceel op grotere schaal is besmet met phytophthora. Kleine besmettingen kunnen nog worden ingedamd door de planten plaatselijk dood te branden. Vóór de oogst worden op het gehele perceel de planten doodgebrand. Door vroegtijdige besmetting daalt de oogstopbrengst bij de biologische teelt aanzienlijk en door het grillige verloop treden er van jaar tot jaar ook grote verschillen op. Doordat biologische producten veelal rechtstreeks aan de consument worden verkocht, is de teelt ervan vaak toch lonend.
Interessante informatie over de biologische aardappelteelt (ook bruikbaar bij traditionele teelt) is te vinden in het document Biologische aardappelteelt.

Ziekten en plagen

Aardappels zijn vatbaar voor diverse ziekten en plagen. Dat zijn bijvoorbeeld:

aardappelziekte (phytophthora )
alternaria
fusarium (droogrot: lakschurft
netschurft (Streptomyces spp.)
zilverschurft
Rhizoctonia-ziekte
verwelkingsziekte
stengelnatrot
zwartbenigheid
bruinrot
wratziekte
bladluis
coloradokever 
aardappelmoeheid (aardappelcystenaaltje)
Globodera rostochiensis
Globodera pallida
wortelknobbelaaltjes
Meloidogyne hapla
Meloidogyne chitwoodii
Meloidogyne fallax
bladrolvirus
aardappel X virus
aardappel Y virus
aardappel S virus
aardappelspindelknolviroïde (PSTVd)


Rassen

Aardappelrassen met een lemma op Wikisage zijn:


Verwerking

Consumptie-aardappels (45%)

Zetmeelaardappels (31%)

Pootaardappels (24%)

  • Verkoop in binnen- en buitenland als nieuw pootgoed

Anekdotes en wetenswaardigheden

  • Momenteel (juni 2008) is er een hoog-oplopend conflict tussen Chili en Peru over welk van de twee landen de ware oorsprong van de aardappel is. [2]
  • Een anekdote doet de ronde, dat toen de aardappel aan het Franse hof geïntroduceerd werd, de koks de aardappels zelf wegwierpen op de afvalhoop en juist het meest giftige deel van de plant, de bessen, voor de koning en zijn gasten bereidden. Uiteraard beviel dit niet erg en de aardappels werden door de tuinman op de afvalhoop verbrand, Deze man was slechts een arme werkman met veel kinderen. Toen hij de afval hoop opruimde zag hij de geroosterde knollen en opende er een. Hij proefde ervan en concludeerde dat het prima eten voor zijn kinderen was.
  • Een andere anekdote verhaalt, dat het erg moeilijk bleek te zijn om het gewone volk aan het eten van aardappels te wennen. Knollen stonden niet hoog in aanzien. De koning liet daarop een veld met aardappels verbouwen en liet het door zijn elitetroepen bewaken met de opdracht niet al te best op te letten. Het volk dat zich afvroeg wat voor kostelijke groente daar wel niet verbouwd moest worden stal daarop de aardappels uit de grond en wende aldus aan het eten van aardappels.
  • Om de aardappeloogst uit de grond te halen (handmatig) werd vroeger het hele gezin ingeschakeld. Tijdens de oogst bleven vele kinderen dan ook weg van de schoolbanken. Dit bewoog de Belgische overheid ertoe om de herfstvakantie in te voeren.
  • De grootste aardappel ooit woog 2,015 kg, was 25 cm lang en had een omtrek van 70,5 cm.
  • De hoogste aardappelplanten ooit waren 2,5 meter hoog en waren het resultaat van een kruising tussen Agria's en Bintjes. De meeste aardappelplanten kunnen zo lang worden als ze gemolken worden. Melken wil hier zeggen dat de jonge knolletjes steeds van de plant verwijderd worden. Dit wordt gedaan bij de plantenveredeling om planten die normaal niet willen bloeien in bloei te krijgen en zo ze met elkaar te kunnen kruisen.
  • Het aardappelras Bintje is aan zijn naam gekomen doordat in het jaar 1905 bovenmeester Klaas de Vries samen met zijn leerlingen bezig was met het kweken van aardappelrassen. De mooiste aardappelsoort noemde hij naar zijn ijverigste leerling, genaamd Bintje Jansma.
  • In de 17e eeuw werd de aardappelteelt op het waddeneiland Texel gedomineerd door de familie Oosterdijk. Heel Texel was voor zijn dagelijkse aardappel afhankelijk van deze boerenfamilie. Door malaise in de aardappelhandel deed Marc, de enige zoon van de familie, eens de uitspraak: Malheur meakt eerdappels tot een sleur. Deze spreuk wordt dezer dagen op Texel nog met enige regelmaat gebruikt.

Zie ook

Externe links

Wikimedia Commons  Vrije mediabestanden over Potato op Wikimedia Commons

1px.pngWikimedia Commons  Zie ook de categorie met mediabestanden in verband met Potatoes op Wikimedia Commons.