Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Louis Hoogsteden

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Louis Hoogsteden was een tienjarige jongen die in 1895 in Rotterdam werd vermoord. De dader is nooit gevonden.

Alouisius '(Louis)' Franciscus Hoogsteden werd op 10 augustus 1885 in Rotterdam geboren en was de zoon van Aloysius Franciscus Hoogsteden en Anna Maria Cornelia Agatha Hoogsteden. Hij kwam uit een gezin van acht kinderen.

De vermissing

Op maandag 18 november 1895, rond 16.00 uur, vertrok hij van school naar huis. Net als hij de Josephstraat wou verlaten en naar zijn nabij gelegen ouderlijke huis in de Gouvernestraat wou gaan, werd hij aangesproken door een onbekende man die hem de weg vroeg naar de Nieuwe Binnenweg. Hij zou vijf munten krijgen als beloning, aldus een medescholier. Op de genoemde plaats is Louis inderdaad nog gezien, maar sindsdien was hij echter spoorloos verdwenen. Zijn vader vertrouwde het niet en deed meteen aangifte aan het politiebureau in de Witte de Withstraat. Een week later was het kind echter nog steeds niet terug. De politie verspreidde overal in de stad aanplakbiljetten met het portret van Louis. De hoofdcommissaris zegde toe, dat wie informatie of tips zou hebben die zouden leiden tot ’ontdekking van de verblijfplaats van het kind’, een ’ruime geldelijke beloning’ zou krijgen.

Het misdrijf, de moordbrief en de verdachten

Precies tien dagen later, op donderdag 28 november, werd rond 09.30 uur het volledig naakte lichaam van het kind na een grootscheepse zoektocht door de politie gevonden. Dit was op een afgelegen, braakliggend stuk in de Coolpolder nabij de Schoonebergerweg. Het lichaam vertoonde duidelijke sporen van geweld, en sectie wees uit dat Hoogsteden door wurging om het leven was gebracht. Ten behoeve van de opsporing van de dader werden door de politie weer aanplakbiljetten verspreid. Deze keer werd een beloning uitgeloofd van 1000 gulden voor wie de gouden tip zou geven. Op de dag waarop het lijkje gevonden werd, gebeurde ’s middags nog iets heel opmerkelijks. In een brief van hoofdcommissaris Voormolen, gericht aan de officier van justitie van Rotterdam, stond namelijk het volgende: de post had een ongefrankeerde brief bezorgd van de vermoedelijke moordenaar. De bewuste brief moest, zo meldde het postkantoor, diezelfde donderdagochtend tussen 07.30 uur en 09.50 uur op de post zijn gedaan (…) en kan dus hoogstwaarschijnlijk niet na het vinden van het lijkje zijn geschreven, aldus Voormolen. De brief was met potlood geschreven en nogal warrig. De tekst luidde als volgt:

Hoogstede dat valt je niet erg mee dat je zoon weg is, maar ik heb wraak genomen den 18 November, ik was om tien uur. Hij is dood. Hij lijd begrave op dat land bij die polderhuisjes daar achter in die laagten in dat vierkante stuk grond met gras verlengde Binnenweg daar de school is. Ik ben gisteren naar Mookem[1] vertrokken, en kom nog eens terug om wraak te nemen met jullie. Ik ben een persoon tot alles in staat en ben sjaak. Ik heb een lange, harige jas aan, ik ben tamelijk van lengte. Soms ga ik naar Antwerpen. Snor en sik is weg met geel Engels broek heb ik. Ik hoop dat je hem vindt. Om 8 uur was ik met hem Haagscheveer en om 7 uur ook om oliekoeken te gaan koopen voor zijn galgmaal. Tot Julie als ik hier komp van Mookem, denk dan om je dochter van 11 jaar. Nu dag schobberd… Halten Mookem Amsterdam.[2]

De brief werd via de pers door de politie verspreid. De verdwijning en de moord op het jongetje zorgde voor veel ophef in Amsterdam en kreeg enorm veel aandacht van landelijke kranten. Op 30 november, twee dagen na de vondst van het lichaampje, verzocht de Minister van Justitie aan hoofdcommissaris Voormolen hem schriftelijke informatie te geven over alles wat de politie al had ondernomen vanaf het moment dat Louis werd vermist. Via de officier van justitie in Rotterdam beantwoordde Voormolen odat verzoek op 4 december in de vorm van een zeven pagina’s tellend ’geheim rapport’. Voormolen liet in de tekst duidelijk merken dat sommige dingen hem behoorlijk irriteerden, zoals het feit dat de vermissing van Louis pas een dag na de aangifte van vermissing in het dagrapport van de politie werd geschreven. Ook zou er ten onrechte in staan, dat de vader op de dag zelf ’niet aan een misdrijf dacht’.

Tijdens de zoektocht naar de verdachte ging de eerste aandacht om meerdere redenen naar de Rotterdamse Willem van Berkel, de zwager van vader Hoogsteden. Dit was omdat er in een door van Berkel geschreven brief aan zijn schoonzus volgens deskundige ’veel overeenkomsten’ zouden zitten in zijn handschrift en dat van de moordenaar. Ook zou hij zelfs voor zijn huwelijk als pedofiel bekend hebben gestaan en betrokken zijn geweest bij onder andere vechtpartijen en een mishandeling. Hij is echter altijd blijven ontkennen, en omdat men tegen hem ook geen bewijs had, moest hij, na een tijd in voorlopige hechtenis te hebben gezeten, op vrije voeten gesteld worden. (Het was toen 3 juni 1896).

Er gingen vele maanden voorbij. Nog bijna dagelijks schreven kranten over de verdwijning en de moord op de tienjarige Hoogsteden. Daarbij laten ze hun fantasieën nogal eens in de vrije loop. De hoofdcommissaris beschuldigde het Rotterdamsch Nieuwsblad er zelfs van alleen maar onjuiste verhalen over de zaak te schrijven. Toen vroeg de hoofdcommissaris van Justitie per brief aan hoofdcommissaris Voormolen om opheldering over de vraag of het juist was dat een of meerdere politieambtenaren informatie aan de pers hadden gegeven. Dit zou immers het gevolg hebben gehad dat het onderzoek zou zijn bemoeilijkt. Voormolen antwoordde dat hij van dat laatste niet op de hoogte was, en dat er binnen het politiekorps een regeling bestaat die bepaalt dat agenten linea recta ontslagen kunnen worden als zij inlichtingen geven aan de pers.

Op 22 mei 1896 leken er vorderingen te zijn in de zaak. De politie hield namelijk een nieuwe verdachte aan: de bootwerker Wilhelmus Johannes de Vos. Aanleiding voor verdenking was het feit dat hij, ruim een jaar voor de moord, verdacht is geweest van onzedelijke handelingen met jonge meisjes. Daarnaast zou ook zijn handschrift veel overeenkomsten vertonen met dat in de ’moordbrief’. Ook de Vos ontkent alles, en na enige tijd in het Huis van Bewaring te hebben gezeten, wordt hij op 3 oktober daaruit ontslagen en tegelijkertijd buiten verdenking gesteld.

Daarna zijn er nooit meer aanwijzingen gevonden over wie de dader zou kunnen zijn. Na enige tijd vraagt de minister van Justitie aan de officier van Justitie, mr. C. H. B. Boot, om opheldering over het feit dat van Berkel en de Vos zo lang in voorlopige hechtenis zijn gehouden. Daarop schrijft deze een brief, waarin hij ook vertelt dat hij denkt te weten dat de Vos de moordenaar van Louis Hoogsteden is. Dit heeft men echter nooit meer kunnen bewijzen. Deze kindermoord in 1895 behoort daarom tot één van de vele onopgeloste moorden in Nederland.[3]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties
  • Moord te Rotterdam, Uitgeverij De Fonteinoktober 2006