Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Eliya Tsetan Phuntsog

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eliya Tsetan Phuntsog (ook geschreven als Eliyah Tseten Phuntsog e.a.) (Sadu, bij Leh, Ladakh, 1907/19081973) was een Tibetaans christen die in 1970 een herziening van de vertaling van het Nieuwe Testament in het Tibetaans uitgaf. Hij was de schoonzoon van de Tibetaanse Bijbelvertaler Yoseb Gergan en werd een geestelijke van de Moravische broeders.

Leven

Tsetan Phuntsog werd geboren in een adellijke familie (sku drag) die ministers en heersers van Ladakh had voortgebracht. Hij was een neef van de koning van Ladakh[1] en droeg de Tibetaanse titel Nono, de titel voor een edelman of prins. Phuntsog studeerde in het Rinzongklooster van de gelugorde en was van plan om monnik te worden. Toen zijn vader overleed, wss hij genoodzaakt het kloosterleven op te geven om voor het gezin te zorgen. Hij was in de boeddhistische gemeenschap erg gerespecteerd en werd beschouwd als een leider van de gemeenschap van de boeddhistische leken.

In 1926 ontmoette hij Yoseb Gergan, die hem bij een latere gelegenheid één van zijn teksten over het christendom te lezen gaf.

In 1933 was hij samen met Rahul Sankrityayan (1893-1963) een redacteur van een eerste Tibetaanse taalcursus.

Bij zijn bekering tot het christendom in 1934 nam hij de naam „Eliya” aan als doopnaam. Niet lang daarna trouwde hij met Yoseb Gergans dochter Sungkyil. Hoewel men wegens zijn hoge sociale status begreep dat zijn bekering geen gevolg is van opportunisme, zorgde deze voor grote verontwaardiging en had als gevolg dat hij zijn sociale status en zijn reputatie als onberispelijk man verloor. Phuntsog had meer dan zes jaar geaarzeld voor hij die stap zette, en hij was zich ten volle bewust van de risico’s die eraan verbonden waren. Toen het klooster Rinzong lucht kreeg van zijn bekering, reageerde het zoals gebruikelijk zou worden in deze regio: men eiste de onmiddeljke terugbetaling van alle voorschotten die hij had gekregen voor het onderhoud van de familie, en begon ook een campagne om potentiële toekomstige bekeerlingen af te schrikken. Personen die tot het christendom overgingen, werden niet enkel door de boeddhistische monniken, maar ook door hun familie verstoten.

In 1940 vroeg men hem om als bemiddelaar op te treden aan de Tibetaanse grens in verband met een geschil over een nomade die daar in 1935 werd vermoord.

En 1948 speelde hij een belangrijke rol tijdens de oorlog tegen Pakistan. Na het staakt-het-vuren in 1950 werd hij zelfs benoemd tot Tehsildar, hoofd van de belastingsdienst, te Leh, hoofdstad van Ladakh, India.

Samen met het echtpaar Pierre en Catherine Vittoz, op dat moment de laatste Europese zendelingen in Leh, die in 1956 de streek moesten verlaten, werkte hij in de jaren 1950 nog aan de uitgave van anticommunistische pamfletten. In 1953 begon hij met Vittoz aan voorbereidend werk voor een herziene uitgave van het Nieuwe Testament.

Hij experimenteerde in de jaren 1950 met een vereenvoudigde spelling voor het Tibetaans, die meer aanleunt bij de hedendaagse uitspraak. Hij stelde voor om de letter ཨ, de niet uitgesproken letter „a”, te laten vallen en waar deze wordt uitgesproken te vervangen door འ, „a”. Boeddhisten vonden zijn poging subversief, omdat de schrijftaal zich hierdoor zou verwijderen van de klassieke spelling uit de oude boeddhistische geschriften. Zo zou de spelling bijvoorbeeld het bekende mantra Om mani padme hum van uitzicht laten veranderen. Na demonstraties tegen zijn spellingsvoorstellen werd hij onder druk gezet om ontslag te nemen van zijn ambtenaarsfuctie.

In 1959 verhuisde hij naar Uttar Pradesh. Hij slaagde er na verloop van tijd in, zijn positie te herwinnen. Hij won een rechtszaak met de familie en hielp zijn volksgenoten die op de vlucht waren voor de Chinese bezetting van Tibet om een nieuw woongebied te vinden in Clement Town in de buurt van Dehradun in India. In 1963 stichtte hij te Rajpur een tehuis voor Tibetaanse vluchtelingenkinderen.

Phuntsog werd de auteur van verscheidene toneelstukken, liedjes en gedichten met christelijke thema’s.

Zienswijzen

Phuntsog besefte dat de boeddhistische en christelijke religiositeit ver uiteen liggen, en wenste een meer Tibetaanse vorm van het christendom. Hij vond het problematisch dat veel Tibetaanse bekeerlingen ook westerse kledingsstijl, sociaal gedrag en voedingsgewoonten gingen imiteren of overnemen en daardoor van hun bevolkingsgroep gingen vervreemden. Hij dacht in een bepaald syncretisme, waarbij hij Jezus Christus als goeroe voorstelde en groot belang hechtte aan meditatie.

Bronnen