Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Jean-Jacques Rousseau

Uit Wikisage
Versie door Mendelo (overleg | bijdragen) op 9 jan 2017 om 15:03 (paar omformuleringen)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jean-Jacques Rousseau (Genève, 28 juni 1712Ermenonville, 2 juli 1778) was een Zwitsers-Frans schrijver, componist, filosoof en botanicus. Hij heeft een diepgaande invloed uitgeoefend op de filosofie, de literatuur, de smaak, zeden en de politiek.[1]

Leven

Jeugd

Jean-Jacques Rousseau werd in 1712 in Genève geboren als zoon van Isaac Rousseau, een vermaarde klokkenmaker, die o.a. werkte voor de sultan in Constantinopel. Zijn moeder, Suzanne Bernard, was ook de dochter van een klokkenmaker, die overleed toen zij negen was. Zij was daarna opgevoed in het gezin van haar oom, een predikant. Zij overleed negen dagen na de bevalling aan kraamvrouwenkoorts. De eerste tien jaar van zijn leven werd hij door de jongste en muzikale zuster van zijn vader verzorgd en daarna woonde hij bij zijn vader, die teruggekeerd was. Samen met hem las hij de romans van zijn overleden moeder en nam de geschiedenissen van Plutarchus door. Rousseau haalde kwajongensstreken uit: hij herinnerde zich later dat hij in de kookketel van een knorrige buurvrouw urineerde terwijl zij naar de kerk was.

In 1722 vluchtte Isaac Rousseau de stad uit wegens de gevangenisstraf die hem dreigde, nadat hij in een gevecht een officier had verwond. Hij vertrouwde Jean-Jacques toe aan de zorg van zijn zwager, Gabriel Bernard. De volgende twee jaar werd Rousseau samen met zijn neef opgevoed door de predikant Lambercier in Bossey. Daar kreeg hij waardering voor het leven op het land. Zijn zeven jaar oudere broer, François, verliet al vroeg het huis en vertrok richting Duitsland, waar men zijn spoor verliest in de omgeving van Freiburg im Breisgau. Vanaf zijn twaalfde zou Jean-Jacques Rousseau als leerjongen werken bij notaris Masseron, maar werd ontslagen. Het jaar daarop werkte hij als leerjongen bij de graveur Abel Ducommun. In 1726 hertrouwde Isaac Rousseau, en toonde vanaf dan niet zo veel belangstelling voor zijn zoon.

Naar Frankrijk

Op 14 maart 1728, toen Jean-Jacques bijna 16 jaar was, liep hij weg uit Genève. Hij volgde de raad op van een pastoor uit de Savoye om onderdak te vragen bij een 29-jarige ontwikkelde vrouw in Annecy, Madame de Warens. Zij werd door een bisschop betaald om jonge protestanten tot de moederkerk te doen terugkeren. Zij werd zijn tutor en stuurde hem naar Turijn. Hij bleef haar zijn leven lang ‘Maman’ noemen. Vanaf zijn 20e werd hij haar minnaar en tot zijn 28e bleef hij bij haar wonen; hij ontdekte later dat zij ook een relatie had met haar huisknecht. Rousseau maakte reizen, zong in het koor van de kathedraal van Annecy en werkte bij het kadaster. Hij was geïnteresseerd in de vraag hoe men kinderen muziek kon leren en met behulp van Warens werd hij huisleraar voor de zonen van een rechter in Lyon. Rousseau kon die jongens niet aan en trok op zijn 29e (1742) te voet naar Parijs. Daar hoopte hij belangstelling te kunnen wekken voor een door hem ontwikkeld muziekschrift, dat gebaseerd is op getallen. Als jongeman dacht Rousseau dat taal en muziek op gelijke voet met elkaar konden leven, maar later geloofde hij niet meer dat je 'taal kon laten zingen of muziek laten spreken'. Om het hart van de luisteraar te roeren moest een componist de muziek voorop stellen, want anders kon je de tekst net zo goed declameren.[2]

Hij werd in de intellectuele kringen welwillend ontvangen, maar in zijn muziekschrift zag men geen nut. Rousseau schreef een verhandeling over de moderne muziek (1743) en liet zich uitzenden naar de Republiek Venetië als secretaris van de Franse ambassadeur Montaigu. Hij was geboeid door de opera seria, maar ergerde zich daar aan de leegheid en ijdelheid van zijn werkgever, die vergat hem te betalen. Rousseau keerde terug naar Parijs in de hoop recht te verkrijgen.

Thérèse Levasseur en Rousseau’s vijf onwettige kinderen

In 1745 leerde hij in zijn kosthuis te Parijs Thérèse Levasseur kennen, de jonge dochter van een ontslagen ambtenaar, en begon een vaste relatie met haar. Zij werkte als wasvrouw en naaister en was analfabete, maar haar sociale intelligentie moet groot geweest zijn. Toen zij het volgende jaar zwanger raakte, haalde hij haar over, met de steun van haar moeder, de baby bij de geboorte af te staan aan een vondelingenhuis. Dat was toen in Parijs niet ongewoon. Hetzelfde gebeurde met de vier volgende baby’s.

Dit gedrag wordt vandaag gebruikt als zwaarste tegenwerping tegen zijn persoonlijkheid, zoals ook reeds tijdens zijn leven, door Voltaire. Vooral Rousseau’s geloofwaardigheid als opvoedkundig theoreticus wordt er door ondermijnd. Rousseau zelf voert in de Emile en in zijn Bekentenissen een hele reeks excuses aan. Zijn belangrijkste argument is, dat hij niet of slecht betaald werd voor zijn werk, waardoor Thérèse zelf voor het levensonderhoud van de kinderen had moeten zorgen en zij niet bijkomend ook nog voor de opvoeding van de kinderen kon zorgen. In 1756 vestigde hij zich met haar en haar moeder in Montmorency. Rousseau trouwde pas met haar in 1768.

Encyclopédie-auteur en operacomponist

Hij raakte bevriend met Diderot. Rond 1749 vroeg Diderot hem om artikelen over muziek te schrijven zijn grote project, de beroemde Encyclopédie, monument van de Verlichting. Rousseau nam deel aan de bijeenkomsten bij Paul Henri Thiry d'Holbach, waar hij ook Nicolas de Condorcet, Jean Le Rond d'Alembert en Friedrich Melchior Grimm ontnoette. Rousseau bezocht Diderot dagelijks toen die vanwege zijn radicale wetenschappelijke theorieën in de gevangenis zat, en discussieerde met hem over het mogelijke antwoord op een uitgeschreven prijsvraag, waarmee hij in 1750 beroemd zou worden.

Rousseau schreef verschillende toneelstukken en componeerde een aantal opera’s. Zijn opera Le devin du village (De waarzegger van het dorp) werd in 1752 succesvol opgevoerd in het Kasteel van Fontainebleau in aanwezigheid van koning Louis XV (Lodewijk XV) en diens maîtresse Madame de Pompadour. De koning wilde Rousseau een jaargeld aanbieden maar die weigerde op de uitnodiging in te gaan. Vanwege de zeer ongewone afwijzing kreeg Rousseau niet, zoals toen gebruikelijk was, gratis toegang tot de opera. Rousseau was een tegenstander van Rameau en zijn these van het primaat van de harmonie over de melodie tegen de Encyclopedisten in de zo genoemde buffonistenstrijd. Rousseau koos de kant van de Italiaanse opera.

Doorbraak als denker over de maatschappij

Als denker werd Rousseau bekend in 1750 toen hij de prijsvraag won die was uitgeschreven door de Academie van Dijon. De opgegeven vraag was: „Si le progrès des sciences et des arts a contribué à corrompre ou à épurer les mœurs?” (Heeft de vooruitgang van de wetenschap en de kunsten bijgedragen aan het corrumperen of aan het zuiveren van de zeden?). Rousseau gaf hierop een paradoxaal antwoord met zijn Discours sur les sciences et les arts. Hierin stelde hij dat de vooruitgang van kunst, letteren en wetenschap ernstige vijanden van de moraal waren en door het kweken van behoeften tevens de bron van slavernij. De vooruitgang van kennis had regeringen sterker gemaakt en de individuele vrijheid geknecht, maar de ongelijkheid was sterk toegenomen. Rousseau concludeerde dat materiële vooruitgang de mogelijkheid van oprechte vriendschap had ondermijnd en vervangen door jaloezie, angst en wantrouwen. Hij toonde zich een tegenstander van de vooruitgang die zo door zijn vrienden werd nagestreefd. In 1758 zou dit grote verschil van inzicht leiden tot een breuk met Diderot. Rousseau bewonderde de ’edele wilde’, vereenvoudigde zijn leefwijze, en verkocht zijn horloge omdat hij de juiste tijd niet langer nodig had.

Belangrijkste geschriften over de beste staatsvorm

In zijn Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes (Vertoog over de ongelijkheid tussen mensen) uit 1755 stelt hij dat de mens van nature, dus in primitieve staat, en voorafgaand aan enige opvoeding, goed is en alleen door ervaringen in de maatschappij gecorrumpeerd werd. De onbedorven natuurstaat is verdwenen door het in eigendom nemen van land, bronnen, mensen, en dergelijke, de oorzaak van ongelijkheid en uitbuiting. De huidige staat is een schepping van de machtigen uit eigenbelang.

Du Contrat Social ou Principes du droit Politique (1762) Dit 'maatschappelijk verdrag' berust op het idee van de volkssoevereiniteit, de wil van het gezamenlijke volk (de algemene wil of "volonté générale" tegenover de "volonté particulière" van de vorst) als enige en onbeperkte bron van het staatsgezag en daarmee ook van het recht. Dit contract gaat in tegen het absolutisme. Niet meer een contract tussen individuen en de persoon die als soeverein over hen zal heersen (gangbaar tot in de 17e eeuw), maar een verdrag van vrije individuen onderling die besluiten een gemeenschap te vormen. Een door Rousseau geïdealiseerd Genève waarin alle burgers elkaar kennen. Rousseau zocht naar fundamentele waarborgen om de volken van zijn keuze te pantseren tegen moreel verval. Zij moesten niet alleen worden afgeschermd van de moderne wereld, maar tevens een moraliteit ontwikkelen die hen immuun zou maken voor carrièrisme en vooruitgang. De amour propre, de zelfzucht, met haar expansieve begeerten, zou blijvend uitgebannen moeten worden.

Opbouw van 'du contrat social'

Rousseau’s sociale contracttheorie start vanuit de gedachte dat de mens van nature vrij is maar in verhouding tot andere mensen voortdurend onder machtsrelaties gebukt gaat. Deze machtsrelaties zijn niet natuurlijk maar conventioneel. Machtiger zijn dan de ander komt namelijk simpelweg voort uit kracht: wanneer iemand zijn kracht verliest, verliest hij daarmee ook zijn macht over de ander. Om deze reden kan volgens Rousseau uit kracht nooit een recht op macht over de ander voortvloeien. Het feit dat kracht volledig gelijk is aan het recht op macht, maakt dit ‘recht’ een betekenisloos begrip.

Om een samenleving in te richten waarin geen mens een ander domineert, introduceert Rousseau het sociale contract. Met dit contract kan de mens zelfbehoud nastreven door zijn krachten te verenigen en zijn individuele vrijheid in te ruilen voor de algemene wil. De algemene wil is de wil van het onverdeelbare geheel van mensen: de samenleving. Het sociale contract gebiedt de mens dus om in zijn handelen de behoeftes van de samenleving voorop te stellen.

Dit is wat Rousseau onder het begrip ‘burger’ verstaat. Een burger handelt ten behoeve van de samenleving. Echter, omdat de burger zelf tegelijkertijd ook de samenleving ‘is’, hebben zijn algemene wil en zijn handelen dus direct betrekking op hemzelf. Op deze manier krijgt de burger burgelijke vrijheid terug voor de ingeleverde natuurlijke vrijheid. Volgens Rousseau is vrijheid dus het jezelf de wet voorschrijven; de wet zijnde het sociale contract.

Zo beschermt de samenleving zichzelf als één lichaam. Soms kan een individu een individuele wil hebben die de algemene wil schaadt. In dat geval, zo zegt Rousseau, moeten de andere burgers hem dwingen de algemene wil te volgen en zodoende dwingen de burgers hem om vrij te zijn.

Ten slotte heeft Rousseau het nog over eigendom. Hij stelt dat ieder mens het recht heeft om goederen (vaak land) op te eisen. Dit gaat echter gepaard met een aantal voorwaarden. Ten eerste heeft een burger alleen recht op de goederen die hij nodig heeft (om zichzelf te behouden). Ten tweede mogen de goederen niet al het eigendom van iemand anders zijn. En ten slotte, als het om land gaat, moet dit landgoed in bezit worden genomen door middel van arbeid en cultivatie, volgens Rousseau het enige teken van eigendom. Andere burgers zullen dit eigendom respecteren wanneer het is verkregen volgens de regels van het sociale contract. Immers, wanneer zij dit niet doen, schaden zij hiermee zichzelf omdat het contract hen gebiedt één belang te hebben.

Romanticus

Bestand:Alexandre Hyacinthe Dunouy - Jean-Jacques Rousseau meditating in the park at La Rochecordon.jpg
Rousseau mediterend in een park

In 1761 verscheen zijn liefdesroman Julie ou la Nouvelle Héloïse, ook voor het eerst in Amsterdam gedrukt, die ogenblikkelijk een bestseller werd en algemeen gezien wordt als het begin van de Romantiek. De onmogelijke liefdesgeschiedenis speelt aan de voet van de Alpen en aan de oevers van het meer van Genève. De roman bestaat uit een briefwisseling. De ’nieuwe Héloïse’ verwijst naar de middeleeuwse liefdesgeschiedenis (ook in brieven) van de monnik Abélard en de kloosterzuster Héloïse.

Pedagoog

Zijn boek Emile of over de opvoeding (Emile ou de l’éducation) werd voor het eerst gedrukt in 1762 en in Frankrijk vrijwel meteen verboden. In dit boek wordt een jongen uit goed milieu opgevoed door een huisleraar. Zonder dwang of straf, zonder haast, in de provincie, ver van het ijdele stadsleven, in verbondenheid met de natuur. Emile leert door ervaringen die zijn huisleraar, niet toevallig ook Jean-Jacques geheten, voor hem organiseert. Leren door te doen, timmerwerk, tuinieren, zwemmen, verdwalen in bossen, en dergelijke. Hij leert Emile door eigen ervaring respect hebben voor boeren en handwerkslieden en leert hem dat die eigenlijk hoger staan dan koningen en prelaten. Jean-Jacques geeft Emile geen godsdienstonderwijs en houdt hem tot aan zijn 15e jaar verre van allerlei geleerde ‘kletspraatjes’, zoals ook geschiedkundige en filosofische verhandelingen. Rousseau geloofde immers in de aangeboren goedheid van de mens. De verschillen tussen arm en rijk, tussen heersers en onderdrukten maken de mens slecht. Door Emile in een landelijk isolement op te voeden en te harden in de natuur wil hij hem zuiver houden. Wel mag hij Robinson Crusoe lezen, als eerste en voorlopig enige boek. Jean-Jacques laat Emile pas gaan als hij al enige tijd getrouwd is, met Sophie, aan wie hij het laatste deel van het boek wijdt. Meisjes moeten heel anders worden opgevoed dan jongens. Zij mogen bijvoorbeeld wel worden gestraft en moeten leren gehoorzamen aan de man. Rousseau stond dus nog heel ver af van ideeën over gelijke rechten voor man en vrouw.

De Emile werd kort na verschijnen verboden en verbrand, zowel in Parijs als Genève, niet zozeer omwille van de pedagogische opvattingen en aanbevelingen van Rousseau, maar wegens de – fictieve – geloofsbelijdenis van een pastoor uit Savoie die Rousseau in het boek opnam. Rousseau bepleitte hierin een alternatieve natuurgodsdienst en verwierp centrale dogma’s uit de rooms-katholieke en protestantse kerken.

Omzwervingen

Bestand:Pierre Alexandre du Peyrou.jpg
Pierre Alexandre du Peyrou
Bestand:Twann am Bielersee mit Petersinsel.jpg
Het St Petersinsel

Ondanks zijn innige vriendschap met vrouwen en mannen van hoge adel moest Rousseau na zijn Emile en Contrat Social in 1762 vluchten om aan arrestatie en gevangenis te ontkomen. De machthebbers in kerk en staat zagen in zijn felle kritiek op de bestaande maatschappij het gevaar van een verdere ondermijning van hun toen al erg verzwakte posities. Hij vestigde zich in 1764 in het Pruisische Vorstendom Neuchâtel en kwam in contact met Pierre-Alexandre du Peyrou. Bij een wandeltocht kwamen de twee mannen bij het Bielermeer terecht. Rousseau vatte het plan zich voor langere tijd te vestigen op het Petersinsel, nadat bij hem een raam was ingegooid en hij was bekogeld door de woedende bevolking van Môtiers, opgezet door de plaatselijke pastoor, die Rousseau aanviel op het te vondeling leggen van zijn kinderen. Om zijn verblijf te bekostigen bezorgde Rousseau Du Peyrou alle afschriften van brieven en papieren tot 1760 met de bepaling die eerst na zijn dood uit te geven.[3] Du Peyrou beheerde ook zijn geldzaken en gaf hem een driemaandelijkse toelage.[4] De idyllische periode op het kleine eilandje, waar hij zich wijdde aan botanie en een herbarium aanlegde, werd beëindigd door de regering van Bern (kanton). Rousseau vertrok in december 1765 naar Londen, op uitnodiging van David Hume. Hij schreef het eerste deel van zijn autobiografie, de Bekentenissen, kreeg ruzie met zijn gastheer en in 1767 keerde, onder een valse naam, naar Frankrijk terug. Hij woonde in Parijs, beschermd door Lodewijk Frans I van Bourbon-Conti (en de graaf en gravin van Luxembourg). Du Peyrou, die ook in Parijs verbleef, werd ziek en Rousseau verzorgde hem. Toen Du Peyrou begon te ijlen en dacht dat hij vergiftigd was, voelde Rousseau zich beschuldigd en veranderde van gedachten.[5] In een brief van 19 november 1767 nam de achterdochtige Rousseau herziening van zijn eerste besluit op,[6] maar op 12 januari 1769 verklaarde Rousseau dat Du Peyrou kon doen met de geschriften wat hij goed achtte.[7]

Rousseau woonde ondertussen nog in Lyon, en in de Dauphiné, maar overwoog naar Griekenland, Cyprus of Minorca te verhuizen. In 1768 bewerkte hij zijn eerdere artikelen over muziek tot een eigen muziekencyclopedie, de Dictionnaire de musique.[8] Hij schreef aan het tweede deel van zijn autobiografie dat hij in 1770 voltooide en in 1782 is gepubliceerd.

Bekentenissen

Confessions, Rousseaus autobiografie, verscheen pas na zijn dood, bewerkt door Du Peyrou en Belle van Zuylen. Het is een voor die tijd zeer openhartig werk. Het bevat een zelfanalyse en een zelfrechtvaardiging. „Geen ander contemporain boek geeft zo’n onthullend beeld van de innerlijke roerselen uit de eeuw van de Verlichting. Niemand, of het moest de door Rousseau zeer bewonderde Montaigne zijn, heeft zo onbeschroomd geschreven over zijn – ook seksuele – eigenaardigheden.”[9][10]

Levenseinde

Bestand:ThereseLevasseur.jpg
Thérèse Levasseur, de weduwe van Rousseau, op het Populiereneiland. Naar een Sepia door Caroline Naudet.

Rousseau werd van jongs af aan geplaagd door een slechte gezondheid en allerlei kwalen, vooral van zijn galblaas en nieren. In zijn laatste jaren kreeg hij bovendien paranoïde trekjes. In 1886 publiceerde de Brit John Morley een biografie van Rousseau, waarin hij een beeld van een geestelijke aandoening beschrijft.[11] Volgens de Franse psychiater de Mole [12] en de Duitse psychiaters en neurologen Paul Julius Möbius [13] en Adolf Haidenhain [14] zou Rousseau in zijn latere levensjaren paranoïde zijn geworden.[15] De beschrijving van dat psychiatrisch ziektebeeld bestond echter nog niet tijdens Rousseau's leven en genoemde auteurs, geboren in de 19e eeuw, hadden hem nooit kunnen ontmoeten, laat staan zijn psyche onderzoeken. De postume diagnose is vooral gebaseerd op geschriften uit zijn laatste levensjaren, voornamelijk brieven en zijn latere autobiografisch werken, voornamelijk als een soort zelfverdediging bedoelde Dialogues de Rousseau juge de Jean-Jacques en zijn Confessions (Bekentenissen), alsook passages in zijn Les Rêveries du promeneur solitaire (Overpeinzingen van een eenzame wandelaar).

Rousseau stierf in 1778 aan een hartkwaal, na verzorgd te zijn geweest door Thérèse, op het kasteel van een van zijn beschermers te Ermenonville, ten noordoosten van Parijs. Zestien jaar daarna, in 1794, liet de Nationale Conventie zijn stoffelijk overschot van het Populiereneiland in een rood geverfde kist op een open wagen naar Parijs brengen: tijdens de Franse Revolutie werd hij postuum een idool voor de revolutionairen, die in hem hun wegbereider zagen.[16] Langs de weg juichte het volk zijn gestorven held toe. De kist werd bijgezet in het Panthéon. Een kapel speelde muziek uit zijn opera Le devin du village. Thérèse Levasseur hertrouwde na Rousseaus dood met een veel jongere man en kon dankzij de auteursrechten op het werk van Rousseau onbekommerd leven. Zij overleed in 1801.

Boeken van Rousseau in het Nederlands vertaald

Bestand:Erm6.JPG
Île des peupliers („Populiereneiland “) met de grafsteen
Bestand:Jean-Jacques Rousseau (photo of his crypt).jpg
Rousseau's graftombe in het Panthéon in Parijs.
  • Vertoog over de ongelijkheid (Discours sur l’origine…) Vertaald door W. Uitterhoeve en J.M.M. de Valk . Herziene en geactualiseerde druk. Boom klassiek, 2003 (1e druk 1983)
  • Het maatschappelijk verdrag (Du contrat social) Vertaald door S. van den Braak en G. van Roermund. Herziene en geactualiseerde druk. Boom klassiek, 2002 (1e druk 1995)
  • Bekentenissen Vertaald en bezorgd door Leo van Maris. Arbeiderspers, 1996
  • Overpeinzingen van een eenzame wandelaar Vertaald en bezorgd door Leo van Maris. Veen, 1994
  • Emile Verkorte uitgave. Vertaald door Anneke Brassinga. Boom, 1980

Nederlandstalige boeken over Rousseau

  • Ton Lemaire Het Vertoog over de Ongelijkheid van Jean-Jacques Rousseau of De amivalentie van de vooruitgang, uitg. Ambo, Baarn (1980) ISBN 90 263 2046 9
  • Oerlemans, J. W. Rousseau en de privatisering van het bewustzijn Wolters-Noordhoff, 1988.
  • Luc PANHUYSEN (eindred. Sjoerd DE JONG) Rousseau uitg. Mets/Passatempo, Amsterdam (1991) ISBN 90-5330-036-8
  • Jacob Leonard SNETHLAGE Rousseau, stormvogel der revolutie, uitg. Kruseman, Den Haag (1964)

Buitenlandse literatuur over Rousseau

  • (en) Nicholas J. H. DENT Rousseau, uitg. Routledge, Londen (2005) ISBN 0-415-28349-3 en ISBN 0-415-28350-7
  • (en) Christopher BERTRAM Routledge Philosophy GuideBook to Rousseau and the Social Contract, uitg. Routledge, Londen ISBN 0 415 20198 5 en ISBN 0 415 20199 3
  • (en) Patrick Thomas RILEY (red.) The Cambridge companion to Rousseau, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (2001) ISBN 0-521-57265-7 en ISBN 0-521-57615-6
  • (en) Peter V. CONROY JR. Jean-Jacques Rousseau, uitg. Twayne Publishers, New York en Prentice Hall International, Londen (1998) ISBN 0-8057-1616-5
  • (en) Robert WOKLER Rousseau, uitg. Oxford University Press, Oxford (1995) ISBN 0-19-287640-6
  • (en) Nicholas J. H. DENT A Rousseau dictionary, The Blackwell philosopher dictionaries, uitg. Blackwell, Oxford (1992) ISBN 0-631-17568-7 en ISBN 0-631-17569-5
  • (en) Ronald GRIMSLEY Jean-Jacques Rousseau, uitg. Harvester Press Brighton, Sussex en Barnes & Noble Books, Totowa, N.J. (1983) ISBN 0-7108-0051-7 en ISBN 0-389-20378-5
  • (en) Ralph Alexander LEIGH (red.) Rousseau after two hundred years - proceedings of the Cambridge Bicentennial Colloquium, 1978, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (1982) ISBN 0-521-23753-X
  • (en) J. H. HUIZINGA The making of a saint: the tragi-comedy of Jean-Jacques Rousseau, uitg. Hamilton, Londen (1976) ISBN 0-241-89275-9, ook in het Nederlands: St. Jean Jacques Rousseau: de mens, de schrijver en de mythe, uitg. Heureka, Nieuwkoop (1978) ISBN 90-6262-061-2
  • (en) Frederick Charles GREEN Jean-Jacques Rousseau: a critical study of his life and writings, uitg. University Press, Cambridge (1955)
  • (en) Lester Gilbert CROCKER Jean-Jacques Rousseau, deel 1 The quest, 1712-1758, deel 2 The prophetic voice, 1758-1778, uitg. Macmillan, New York (deel 1 1968 en deel 2 1973)
  • (fr) Raymond TROUSSON & Frédéric S. EIGELDINGER (red.) Dictionnaire de Jean-Jacques Rousseau, uitg. Champion, Parijs (1996) ISBN 2-85203-604-5
  • (fr) Michel SOETARD Jean-Jacques Rousseau, uitg. Coeckelberghs, Genève (1988) ISBN 2-8310-0003-3
  • (fr) Bernard GROETHUYSEN J.-J. Rousseau, uitg. Gallimard, Parijs (1983, oorspr. 1949) ISBN 2-07-035483-0
  • (fr) Joseph MOREAU Jean-Jacques Rousseau, uitg. Presses Universitaires de France, Parijs (1973)

Zie ook

Externe links

Bronvermelding

Bronnen, noten en/of referenties:

  1. º Russell, B. (1946) Geschiedenis der Westerse filosofie in samenhang met politieke en sociale omstandigheden van de oudste tijden tot heden, p. 616.
  2. º M. Kaaij in de VPRO-gids, 28 april 2008, p. 46.
  3. º Rousseau, J. J. (uitgave 1997) Bekentenissen, p. 698.
  4. º Dubois, P. H. en S. Dubois (1993) Zonder Vaandel. Belle van Zuylen 1740-1805, een biografie. Amsterdam, G. A. van Oorschot, p. 542.
  5. º Dubois, P. H. en S. Dubois (1993) Zonder Vaandel. Belle van Zuylen 1740-1805, een biografie. Amsterdam, G. A. van Oorschot, p. 544-545.
  6. º http://www.h-france.net/vol4reviews/kroen.html
  7. º Dubois, P. H. en S. Dubois (1993) Zonder Vaandel. Belle van Zuylen 1740-1805, een biografie. Amsterdam, G. A. van Oorschot, p. 545.
  8. º Bespreking facsimile-editie Dictionnaire de musique op Classiquenews.com
  9. º Uit een uitvoerige recensie van de eerste volledige Nederlandse vertaling door Arnold Heumakers, in NRC Handelsblad van 15 november 1996
  10. º Gerry van der List, Gevaarlijke ijdeltuit in weekblad Elsevier 6 september 2008 (jrg. 64, nr. 36), p. 110.
  11. º John Morley Rousseau, uitg. MacMillan & Co., Londen (1886)
  12. º V. de Mole Analyse psychiatrique des 'Confessions' de Jean-Jacques Rousseau, in Schweizer Archiv für Neurologie und Psychiatrie, vol. ii (1918).
  13. º P. J. Möbius J. J. Rousseau's Krankheitsgeschichte, uitg. F. C. W. Vogel, uitg. Leipzig (1889)
  14. º Adolf HEIDENHAIN J. J. Rousseau : Persönlichkeit, Philosophie und Psychose, uitg. Bergmann, München (1924)
  15. º Jean Starobinski The Illness of Rousseau, in Yale French Studies, No. 28 (1961), pag. 64-74
  16. º R. Barny, Rousseau dans la Révolution: le personnage de Jean-Jacques et les débuts du culte révolutionnaire (1787-1791), uitg. The Voltaire Foundation, Oxford (1986)
rel=nofollow
rel=nofollow