Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Paracelsus

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Philippus Aureolus[noot 1][1] Theophrastus Bombastus von Hohenheim (bij Einsiedeln (Zwitserland), 11 november of 17 december 1493Salzburg, 24 september 1541), was een beroemd Duits-Zwiters alchemist, arts en occultist. Hij nam later in zijn leven de naam Paracelsus aan, mogelijk als vergriekste/verlatijnste versie van ’Hohenheim’, waarschijnlijker dan ’superieur aan Celsus’, een verwijzing naar de vroeg-Romeinse arts Celsus.[2]

Hij vestigde de rol van de chemie in de artsenij. Tot zijn bekendste publicaties behoren Der grossen Wundartzney (Het grote boek van de chirurgie) uit 1536 en een klinische beschrijving van syfilis uit 1530.

Leven

Jeugd

Een groot deel van de biografische gegevens die men over Paracelsus beschikt, is afkomstig uit het voorwoord van zijn boek Die große Wundartzney (Het grote chirurgieboek).

Zijn vader was de arts Wilhelm Bombast von Hohenheim. Zijn Zwitserse moeder werkte, vermoedelijk als lijfeigene, in het hospitaal van de abdij van Einsiedeln (Zwitserland).[2][3][4] De naam van zijn moeder is onzeker, maar vaak wordt de naam Elsa Ochsner genoemd.[5]

Nadat zijn moeder zich in de rivier de Siehl had gegooid en was verdronken,[6][7] trokken Wilhelm Bombast en zijn zoon Theophrastus in 1502 weg van deze plaats en gingen in Villach (Karinthië, Oostenrijk) wonen. De jonge Paracelsus ging daar naar de ’Bergschule’, die gesticht was door de rijke familie Fugger en waar zijn vader les gaf in chemie. Daar werden de jongeren opgeleid als toezichthouders en analisten voor de mijnbouw in goud, tin en kwik, alsook in ijzer, aluin en kopersulfaat ertsen. Die kennis van metallurgie, de verhalen van de mijnwerkers over metalen die in de aarde ’groeiden’ en vervolgens in kuipen werden gesmolten, zullen waarschijnlijk zijn interesse in de alchemie en de transmutatie van metalen gewekt hebben. Zijn vader verzorgde zijn initiatie in de astrologie, de alchemie en de geneeskunde. Paracelsus noemt verschillende geestelijken van wie hij onderricht ontving in scheikunde, onder wie Johannes Trithemius, abt van Sponheim; Matthias Scheit, bisschop van Seckau (Oostenrijk);[8] Erhard Baumgartner, bisschop van Lavant (Slovenië);[9] Nikolaus Kaps, bisschop van Hippos[10] en Matthaeus Schacht, suffragaanbisschop te Freising.[11] Het was Trithemius van wie hij zijn initiatie in de alchemie kreeg.[12]

De Grote Wandeling

In 1507, als Paracelsus 14 jaar is, begint de tijd die in de Paracelsus-biografie als ’de grote wandeling’ bekend staat (Große Wanderung; beter vertaald als ’grote trektocht’). In vijf jaar bezoekt hij naar eigen zeggen de universiteiten van Basel, Tübingen, Wenen, Wittenberg, Leipzig, Heidelberg en Keulen. Rond 1515 zou hij in Ferrara de dokterstitel hebben verworven. In 1516 deed hij in Bazel met de hulp van Sigismund Fugger (een rijke arts uit de stad) research naar mineralogie, chirurgie en chemie. Nadat Fugger de stad was ontvlucht op beschuldiging van necromantie, zette Paracelsus zijn zwerftocht verder. Onderweg verdiende hij wat bij door aan astrologische voorspellingen en dergelijke te doen.

Over zijn reisweg door Europa zijn verschillende routekaarten in omloop, die echter voor een groot deel op vermoedens berusten. Zelf noemt hij „Granada, Lissabon, Spanje, Engeland, Brandenburg, Pruisen, Litouwen, Polen, Hongarije, Walachije, Transsylvanië, Kroatië, Slovenië en andere landen”. Daarbij deed hij niet alleen ervaring op met de meest uiteenlopende ziekten en geneeswijzen, maar nam hij ook als militair-geneesheer deel aan diverse oorlogen. De universitaire geneeskunde bleek hem daarbij van weinig nut, en hij zocht zijn heil bij de volksgeneeskunde. Barbiers, die in die tijd vaak als chirurgijn optraden, kruidenvrouwen, beoefenaars der zwarte kunst, alchemisten en kloosterlingen werden zijn leraren. Paracelsus beschouwde het echter als zijn roeping als christen om door te zetten met zijn zoektocht naar werkelijke geneeskunst.

In 1524 of 25 was hij in Salzburg te vinden. Hier schreef hij zijn eerste theologische geschriften. Maar ook dit verblijf was van korte duur. In de lente en zomer van 1525 kwam het tot onlusten, toen mijnwerkers en boeren tegen de Salzburger prins-aartsbisschop in opstand kwamen. Welke rol Paracelsus hierbij heeft gespeeld, is niet duidelijk; vast staat dat hij de stad toen zeer plotseling weer heeft verlaten.

Eind 1526 kwam hij in Straatsburg aan, kennelijk met de bedoeling om hier zijn vaste woonplaats te kiezen. Hij verwierf op 5 december 1526 het burgerrecht[13] en werd lid van de gilde Zur Luzerne, de beroepsvereniging van onder andere molenaars, meelhandelaars en chirurgen. Korte tijd later werd hij echter gevraagd om in Bazel de boekdrukker Johann Froben, een van de intimi van Erasmus van Rotterdam, te behandelen. De geleerde drukker leed al langere tijd aan een aandoening van zijn rechter enkel, zijn artsen wisten er geen raad mee en er was zelfs sprake van het amputeren van het been. Paracelsus wist hem te genezen en werd vervolgens, in 1527, door de gemeenteraad van Bazel tot stadsgeneesheer benoemd.

Aan deze functie was tegelijk een hoogleraarschap aan de medische faculteit verbonden. De conservatieve faculteit was hier niet blij mee en stelde allerlei (formele) voorwaarden aan Paracelsus, waar deze waarschijnlijk niet op in ging. In deze van begin af aan gespannen sfeer publiceerde hij zijn beroemde collegeaankondiging, waarin hij zei dat hij zich niet op autoriteiten zou beroepen, maar dat hij door zou geven wat zijn eigen ervaring en zijn eigen werk hem hadden geleerd. Dit druiste volledig in tegen de toenmalige medische wetenschap, die nog geheel doordrongen was van de scholastiek, de middeleeuwse filosofie die vooral bestond uit het voorlezen en becommentariëren van de antieke teksten volgens de deductieve methode: definiëren, classificeren en argumenteren met behulp van syllogismen en axioma’s. Het onderzoek draaide niet om waarneembare feiten, maar om de geschriften van de autoriteiten uit het verleden. Op medische gebied waren dat Galenus (129 – 216), met zijn theorie van de vier lichaamssappen (humores), en de Perzische rabbijn Avicenna (980 – 1037).

Paracelsus trok zich van deze onderwijstraditie niets aan. Bovendien gaf hij een aantal colleges niet zoals gebruikelijk in het Latijn, maar in het Duits; hij gaf een overzicht uit van de lezingen die hij zou gaan geven en nodigde daarvoor iedereen uit, ook niet-studenten. Zijn optreden leverde hem al gauw een spotnaam op: de woudezel van Einsiedeln. Op 24 juni 1527 gooide hij een medisch leerboek, de Canon van Avicenna, in het sint-jansvuur.[1] De faculteit kon hem dit moeilijk vergeven.

Daarnaast ontstond spoedig een conflict met de plaatselijke apothekers, aangezien Paracelsus, die als stadsgeneesheer ook met de controle over de apotheken was belast, de daar heersende misstanden aan de kaak had gesteld. Bovendien overleed in oktober 1527 zijn beschermheer Johann Froben nadat hij een infectie had opgelopen op een reis naar de boekenbeurs in Frankfurt (Main).[14] De situatie liep uit de hand toen een door hem genezen kanunnik het beloofde honorarium weigerde te betalen. Het kwam tot een rechtszaak, die Paracelsus verloor. Hij werd boos en beledigde blijkbaar de rechterlijke macht. Om te voorkomen dat hij werd opgepakt, zag hij zich in februari 1528 genoodzaakt de stad hals over kop te verlaten.

Levenseinde

Het vagantenleven begon opnieuw. Eerst naar Colmar in de Elzas, dan verder door Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk. Overal wachtten talloze patiënten; daarnaast schreef of dicteerde Paracelsus zijn medische en theologische werken. Vele duizenden pagina’s, waarvan tijdens zijn leven slechts een kleine fractie werd gedrukt. Van al zijn medische boeken kon hij alleen Die große Wundartzney en enkele kleinere geschriften over de syfilis in druk zien verschijnen. In zijn verhandelingen over de syfilis waarschuwde Paracelsus voor een overmatig gebruik van het guajakhout (pokhout), en prompt zorgden de importeurs voor een drukverbod.

Op 21 september 1541 maakte Paracelsus in Salzburg zijn testament op. Hij overleed drie dagen later. Het vermoeden van een vergiftiging of moord kon nooit worden bevestigd.

De 4 pijlers van de geneeskunde

Zonder kennis van de wereld kon men volgens Paracelsus geen arts zijn. In het Volumen Paragranum legde hij uit dat de geneeskunst op vier pijlers berust: filosofie, astronomie, alchemie en ethiek. Filosofie is te verstaan als natuurfilosofie, kennis van en inzicht in de kosmos. „Waar de filosoof eindigt, begint de arts”, is een typerende uitspraak van hem. De astronomie behelst de kennis van de bovenste sfeer, oftewel lucht en vuur, terwijl de filosofie zich vooral met het vaste en het vloeibare bezighoudt. Deze elementen zijn een soort grondbeginselen waar alles uit voortkomt; ’moeders’ werden ze door Paracelsus genoemd.

Filosofie

Paracelsus verwierp de traditie van het gnosticisme, maar behield naar het voorbeeld van Marsilio Ficino en Pico della Mirandola veel van de hermetische filosofie, het neoplatonisme en het pythagorisme. Zijn opvattingen dat ziekte en gezondheid van het lichaam afhankelijk zijn van de harmonie tussen mens, de microkosmos en de macrokosmos (de natuur) weerspiegelen de hermetische filosofie.

Paracelsus ging uit van het oude, hermetische inzicht, vervat in de tabula smaragdina: zo boven, zo beneden. Het universum is op de verschillende niveaus volgens overeenkomstige patronen opgebouwd. De mens, als microkosmos, bevat alles wat er in de macrokosmos te vinden is. Zodoende kon de studie van de wereld uitsluitsel geven over de mens, en vice versa. „Alles wat er in de grote wereld is, niet meer en niet minder, is ook in het menselijk lichaam aanwezig. Dezelfde soorten hout, stenen, kruiden, enz. die er in de buitenwereld zijn, zijn er ook in de mens, alleen niet in dezelfde gedaante als in de elementen… Wie in staat is de gedaanten ervan in het menselijk lichaam te herkennen – dus: dit is de saffier in de mens, dat de mercurius, dit de cipres, dat flos cheiri etc. – die heeft het boek van het menselijk lichaam juist bestudeerd en doorgrond.”[15]

Astronomie/astrologie

De astrologie van Paracelsus stond ver af van het gebruik dat charlatans er van maakten in zijn tijd. Zoals veel andere renaissancefilosofen verwierp hij het absolute determinisme van de astrologie. De filosoof moest de sterren beheersen en niet andersom. Alleen de dierlijke mens bleef onder hun dwang. „Zelfs als een kind geboren wordt onder de invloed van Saturnus, dan nog kan het ontsnappen aan zijn invloed en een kind van de Zon worden”. [16] Astrologie bleef wel een zeer belangrijk onderdeel van de geneeskunde van Paracelsus.

In het werk Archidoxis magicae (Archidoxes van Magie),[noot 2] dat na zijn overlijden werd samengesteld en in 1591 werd uitgegeven, handelen verschillende secties over het maken van astrologische talismannen voor het genezen van ziekten.[17] Er werden door de redacteur Johannes Huser twijfels geuit of dit wel een authentiek werk van Paracelsus is.[noot 3] Paracelsus heeft een groot deel van zijn reputatie als magiër te danken aan dit werk.

Alchemie

Evenzo was de alchemie voor hem niet de kunst om onedele metalen in goud te veranderen, maar de kunst om geneesmiddelen van hun slakken te bevrijden en in zuivere vorm te vervaardigen. „Wat de ogen aan het kruid zien, of aan stenen of aan bomen, is niet het geneesmiddel. Ze zien alleen de slakken; maar inwendig, onder de slakken, ligt het geneesmiddel. Nu moeten eerst de slakken ervan worden afgebikt, daarna is er het geneesmiddel.”[18] Paracelsus probeerde in de iatrochemie een precieze samenhang te vinden tussen een medicament en de ziekte die daarmee behandeld moest worden en geldt daarom als de vader van de moderne geneesmiddelbereiding. De alchemistische basis van de iatrochemie werd in de moderne geneeskunde steeds meer verlaten.

De deugd van de arts

Hij dringt bij het beoefenen van de geneeskunde aan op het geweten van de arts, zijn eerlijkheid, zijn verantwoordelijkheidsgevoel, zijn missie. De arts moet zich ervan onthouden om fortuin na te streven, gratis zieken behandelen en tevreden zijn met een dankbaar woord.[19]

Werk en invloed

Volumen Paramirum

Diverse natuurkundigen, inclusief homeopaten en antropologische geneeskundigen zien in Paracelsus een voorloper omdat hij, zonder het tot een systeem of methode uit te bouwen, het principe heeft beschreven en toegepast dat door latere natuurkundigen werd gevolgd. Dit is niet helemaal terecht.[20] De chemische bereiding van medicijnen valt niet onder ’natuurgeneeskunde’.[21]

Paracelcus’ Volumen Paramirum, een van zijn belangrijkste werken, is vooral een uitgebreide uiteenzetting van zijn etiologie (leer van de ziekteoorzaken) te vinden. Hij beschreef daar vijf gebieden van waaruit de mens ziek kon worden, die hij entia noemde: het ens astrale, het ens veneni, het ens naturale, het ens spirituale en het ens dei. Deze omvatten kosmische en meteorologische invloeden, het fysiologische gebeuren, psychische krachten en goddelijke beschikking. Waarmee in feite een grandioos beeld van de totaliteit van de mens werd ontworpen.

Opus Paramirum

In het Opus Paramirum groef Paracelsus nog wat dieper om te laten zien hoe gezondheid en ziekte in hun werk gingen. Hij stelde de vraag die zich al de Griekse natuurfilosofen, van Thales tot Empedocles, hebben gesteld: wat zijn de grondbouwstenen waaruit alles is opgebouwd? En zijn antwoord luidde: er zijn drie substanties: sulfur, mercuur en sal. Substanties niet in de zin van materiële, chemische stoffen, maar eerder van basisprincipes of processen. En hij zei: vergelijk het lichaam met een brandend stuk hout: wat er brandt, is sulfur; wat in rook opgaat, mercuur; wat tot as wordt, sal. Zolang de drie in harmonie met elkaar functioneren, is de mens gezond. Bij ziekte was het zaak erachter te komen welk van de drie principes als eerste uit de pas ging lopen.

Een ander kernbegrip dat eerst in het Opus Paramirum en later nog in diverse andere boeken werd uitgewerkt, was de tartarus. Van alles wat wij opnemen, kunnen we maar een gedeelte gebruiken en verwerken. In ieder mens is een inwendige alchemist, of archeus, aan het werk, die alles sorteert, ervoor zorgt dat al het nodige op de juiste plaats terechtkomt en dat dat wat niet deugt, langs diverse wegen buiten wordt gegooid. Door verschillende oorzaken kan het echter gebeuren dat het niet lukt om alle afvalstoffen kwijt te raken, en dan worden deze opgeslagen in het lichaam zoals in tartarus. Net zoals de afzettingen van wijnsteenzuur, tartraat, in een wijnvat – de klassieke vergelijking. En zo kan men Paracelsus ook zien als de eerste die een uitgebreide theorie van (een groep) stofwisselingsziekten gaf. Het ging echter niet alleen om voedsel, al gaf hij en passant een hele voedingsencyclopedie; het ging om alles wat de mens opnam: eten en drinken, lucht, al wat via de zintuigen werd opgenomen, ervaringen, indrukken, emoties. En het is individueel verschillend wat iemand kan verwerken en wat onbruikbaar zal blijken.

Verder bevatte het Opus Paramirum een verhandeling over het wezen van de vrouw, met haar eigen ’anatomie’ en haar eigen ziekten, die verschillen van die van de man en dus ook anders behandeld moesten worden. En daarbij ging het om alle ziekten, niet alleen om specifieke vrouwenziekten. Paracelsus, die in zijn leven vrouwelijk gezelschap vermeed, beschreef de vrouw hier met veel respect en in poëtische bewoordingen als een aparte kosmos, een ’microkosma’.

Hij sloot dit gedeelte van zijn werk af met een verhandeling over ’de onzichtbare ziekten’, ook een van de gebieden waarop hij pionierswerk heeft verricht. (Andere zijn bijvoorbeeld de toen nog nieuwe en uiterst verwoestende syfilis, de geneesmiddelbereiding, de balneologie, en de beschrijving van beroepsziekten, in dit geval de mijnwerkersziekte.) In totaal beslaat alleen al zijn medisch-natuurwetenschappelijk-filosofisch werk, voor zover het behouden is gebleven, vele duizenden pagina’s in de klassieke uitgave van K. Sudhoff. Hoogtepunt van deze uitgave is het boek (in deel XII) Astronomia Magna, of de gehele Philosophia Sagax van de grote en de kleine wereld, dat een complete kosmologie en antropologie bevat.

Ethische en theologische werken

Even omvattend is echter het andere, nog veel minder bekende deel van zijn werk, de verhandelingen over ethische, sociale, maar vooral theologische vraagstukken, waaronder veel commentaren op boeken uit het Oude en het Nieuwe Testament. Ongeveer de helft van deze geschriften is zelfs nog nooit in druk verschenen. Aan de universiteit van Zürich loopt een Paracelsus-project, dat zich onder andere met deze editie bezighoudt. Paracelsus was theologisch al even onconventioneel als hij als arts was. Zonder zich bij de reformatorische beweging te willen aansluiten, probeerde hij de katholieke kerk van binnenuit te hernieuwen, waarmee hij onder de godsdienststrijders van beide kampen vijanden maakte. „De tempel ligt in het hart, niet in het gebouw; het ornaat bestaat in het geloof, niet in het gewaad; de altaren en de zegen bestaan in de liefde, in de handen. De handen zijn gemaakt om te werken, niet om te zegenen.”

Bibliografie

Verzamelwerken
  • Sämtliche Werke. 1. Abteilung: Medizinische, naturwissenschaftliche und philosophische Schriften. Hg. von Karl Sudhoff. Bd. 1 – 14, 1922-1933.; antiquarisch te krijgen of als facsimile bij de Olms-Verlag.
  • Sämtliche Werke. 2. Abteilung: Theologische und religionsphilosophische Schriften. Bd. 1: Philosophia magna. Hg. von Wilhelm Matthießen, 1923.
  • Bd. 2 – 7 Hg. von Kurt Goldammer, 1955-1986.
Gepubliceerd tijdens zijn leven
  • Die große Wundarzney Ulm, 1536 (Hans Varnier); Augsburg (Haynrich Stayner (=Steyner)), 1536; Frankfurt/ M. (Georg Raben/ Weygand Hanen), 1536.
  • Vom Holz Guaico, 1529.
  • Vonn dem Bad Pfeffers in Oberschwytz gelegen, 1535.
  • Prognostications, 1536.
Postume publicaties
  • Wundt unnd Leibartznei. Frankfurt/ M., 1549 (Christian Egenolff); 1555 (Christian Egenolff); 1561 (Chr. Egenolff Erben).
  • Von der Wundartzney: Ph. Theophrasti von Hohenheim, beyder Artzney Doctoris, 4 Bücher. (Peter Perna), 1577.
  • Von den Krankheiten so die Vernunfft Berauben. Basel, 1567.
  • Kleine Wundartzney. Basel (Peter Perna), 1579.
  • Opus Chirurgicum, Bodenstein, Basel, 1581.
  • Huser quart edition (medicinal and philosophical treatises), Basel, 1589.
  • Chirurgical works (Huser), Basel, 1591 und 1605 (Zetzner).
  • Straßburg edition (medicinal and philosophical treatises), 1603.
  • Kleine Wund-Artzney. Straßburg (Ledertz) 1608.
  • Opera omnia medico-chemico-chirurgica, Genevae, Vol3, 1658.
  • Philosophia magna, tractus aliquot, Cöln, 1567.
  • Philosophiae et Medicinae utriusque compendium, Basel, 1568.
  • Liber de Nymphis, sylphis, pygmaeis et salamandris et de caeteris spiritibus
In het Nederlands
  • De artsenij het woord Gods – bloemlezing uit het werk van Paracelsus, Bielau, K., ISBN 906732325X
  • Paracelsus en Hahnemann, een renaissance der geneeskunst, R.A.B. Oosterhuis, ISBN 9063780672
  • Artsen op dwaalwegen – Labyrinthus medicorim errantium. De Woudezel, Ossendrecht 2003 ISBN 90-806875-1-0
  • Wat ons ziek en gezond maakt – Volumen Paramirum. De Woudezel, Ossendrecht 2004 ISBN 90-806875-2-9
  • De Vrouw – De Matrice. De Woudezel, Ossendrecht 2006 ISBN 978-90-806875-4-7

Literatuur

Externe links

Bronnen, noten en/of referenties

Noten
  1. º De voornamen Philippus en Aureolus zijn niet bevestigd uit eigentijdse bronnen.
  2. º Archidox: 'boven de rede uitstijgend'
  3. º Deel 10 van Husers editie (Zehender Theil der Bucher und Schrifften) gaat vooral over alchemie, astrologie en magie, en bevat Astronomia magna, Archdoxis magica, Ausslegung der Figuren, Fasciculus prognosticationum, Philosophia sagax en een Appendix. In een inleidende alinea ad lectorem op p. 318, schreef Huser Es soll aber auch nit ungemelt bleiben, das etliche an diesen Büchern Archidoxis Magicae dubitieren, ob sie Theophrasti seyen [...] Jedoch weil sie Theophrasti Sachen nicht ungemesz, und von vielen für seine Bücher angenommen und erkennt werden, mögen sie auff disz mal neben den andern unterlauffen, bis man desz Auctori gewisser werde
    („Het dient niet onvermeld te blijven, dat velen betwijfelen of deze boeken Archidoxis Magicae van Theophrastus zouden zijn, [...] Maar omdat zij niet ongelijkaardig zijn aan de dingen van Theophrastus, en door velen worden geaccepteerd en erkend als zijn boeken, mogen zij deze keer doorgaan naast de andere werken, totdat men zekerheid krijgt over de auteur ervan.”)
Verwijzingen
rel=nofollow