Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Kevers

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

Kevers oftewel Coleoptera zijn insecten waarbij de voorvleugels veranderd zijn in harde schilden die de achtervleugels bedekken. Ze vormen de grootste orde van de insecten en zijn vanwege het wereldwijde voorkomen en de enorme soortenrijkdom samen met de vlinders een van de weinige insectengroepen die bij het grote publiek bekend zijn. De schattingen van het aantal keversoorten variëren naargelang van de auteur: van "veel meer dan 300.000 beschreven soorten"[1] tot 500.000 soorten (peildatum 1987)[2], wat overeenkomt met 40% van alle insectensoorten. Men weet dat er nog veel soorten níet beschreven zijn.

In Europa komen zo'n 20.000 soorten voor. In Nederland en België komen ca. 4.000 soorten kevers voor, waaronder veel waterkevers zoals de geelgerande watertor en het schrijvertje. Bekende landkevers zijn de lieveheersbeestjes, de boktorren en de bladhaantjes.

Etymologie

Het woord kever stamt waarschijnlijk af van het Middelhoogduitse këver of kevere, wat kaak betekent in het Nederlands. Deze naam werd toen wel vaker gebruikt voor ongedierte dat landbouwgewassen aantastte door eraan te knagen, en had derhalve bijvoorbeeld ook betrekking op de sprinkhanen en koolrupsen. De kevers werden in het Middelhoogduits specifieker benoemd met het woord Wibel (in het Engels is het woord weevil voor snuitkevers hiervan afgeleid) waar dan ook weer het Nederlandse wevel van afstamt, een term die nog steeds in sommige streken wordt gebruikt voor gewasaantastende kevers.

De wetenschappelijke benaming van de orde, Coleoptera, niet te verwarren met Coleopteria (De naam van de superorde waar de Coleoptera volgens sommige taxonomen onder valt; deze benaming is weinig gebruikelijk), is een Griekse term, en kan vertaald worden met dekvleugeligen of schildvleugeligen. Deze is afgeleid van het feit dat de voorvleugels nu ze verhard zijn een beschermende functie hebben gekregen, en dus dienen als bedekking of schild.

Beschrijving

Kevers zijn een orde van insecten waarbij de voorvleugels veranderd zijn in harde schilden (elytra) die de achtervleugels bedekken, en niet meer bruikbaar zijn om actief mee te vliegen. Hierdoor zijn de kevers veel minder behendig in vlucht dan andere insecten zoals tweevleugeligen, vliesvleugeligen en libellen, omdat deze zowel de voor- als achtervleugels gebruiken om te vliegen. De dekschilden verbergen meestal het gehele achterlijf. Hierdoor zijn behalve de schilden meestal alleen de kop, het halsschild of pronotum, (rugdeel) van het eerste borstsegment en de poten te zien. Meestal is een klein driehoekje te zien aan de kopzijde van de dekschilden, op hun onderlinge grens, het scutellum of schildje. Er zijn echter ook een aantal soorten met kortere vleugels (de kortschildkevers bijvoorbeeld), waarbij het achterlijf logischerwijs uitsteekt.

Kevers behoren tot de Holometabola, de insecten met een volledige gedaanteverwisseling. Dit houdt in dat de larven er totaal anders uitzien dan het imago. De rupsachtige larve van veel kevers wordt vaak engerling genoemd, deze heeft vaak stevige kaken en klauwen, een gekromd lichaam en op latere leeftijd een groot achterlijf. Larven van kniptorren worden ritnaald genoemd.

Vleugels

Enkele soorten kevers hebben helemaal geen als zodanig functionerende vleugels meer. Van enkele soorten zijn de vrouwtjes ongevleugeld. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de vrouwtjes van de glimworm. Bij de grote groep van de kortschildkevers (Staphylinidae) zijn de elytra sterk gereduceerd waardoor ze wel iets van een (meestal) zwarte oorworm weg hebben. Kortschildkevers hebben echter weer niet de tangen aan het achterlijf die oorwormen wel hebben.

Verschillende variaties

Het lichaam is in drie delen verdeeld, namelijk de kop, het borststuk of de romp en het achterlijf. De meeltor is het prototype van kever zoals die meestal wordt voorgesteld. De verhoudingen zijn niet al te excentriek, en zijn herkenbaar. In de orde zijn echter vele variaties op dit voorkomen mogelijk, die helaas niet allemaal te beschrijven zijn in dit artikel. Zo zou de verhouding tussen de verschillende lichaamsdelen kunnen variëren, kunnen er allerlei horenvormige uitsteeksels zijn (vooral op kop en halsschild) of uitsteeksels op de poten. Ook zijn er soorten bekend met bizarre kaken of uitsteeksels die doen denken aan een hertengewei. Een goed voorbeeld hiervan is het vliegend hert.

Ook qua kleur zijn er bijna oneindig veel variaties in de natuur, soms in prachtige combinaties. Sommige soorten hebben zelfs het vermogen om gedurende het leven de kleur van hun schild te veranderen, dit is het duidelijkst bij de schildpadtorren (de onderfamilie Cassidinae van de Charidotella) die leven in Latijns-Amerika, waar de verandering zich soms voltrekt in minder dan twintig minuten. Charidotella sexpunctata is een kever die gevonden kan worden in bananen geïmporteerd uit Brazilië, en krijgt gedurende deze metamorfose een spiegelende gouden kleur, ononderbroken door enige tekening. De kleurverandering, die zich ín de schilden voltrekt, vindt plaats vanuit poriën, en verspreidt zich op die manier door het gehele schild. De gouden kleur gaat over in een glanzend metallisch groen, vervolgens in een groenachtig blauw, dit keer mattig, waarna de kleur verandert in bruin met een parelmoerglans. Uiteindelijk krijgen de schilden weer dezelfde geelbruine kleur als voor de overgang naar de goudkleur, met drie donkere vlekken erop.

De verkleuring van het goudkleurige naar het geelbruin wordt vermoedelijk veroorzaakt door de kleurstoffen in het bloed die van samenstelling veranderen, en een lichtbrekende werking kunnen hebben. De daaraan voorafgaande verkleuring van geelbruin naar goudkleurig wordt vermoedelijk veroorzaakt door het pompen van lucht in de schilden.

Vliegen

Hoewel de voorvleugels door de verdikking en verharding niet meer voor actief vliegen gebruikt kunnen worden, kunnen de meeste kevers nog wel vliegen. Hierbij worden de dekschilden zijwaarts en schuin omhoog gestrekt, zodat ze niet in de weg zitten. De gouden torren (Cetoninae) hebben echter een uitsparing aan de zijkant, waardoor de dekschilden weer terug kunnen worden gelegd op de rug na het uitklappen van de achtervleugels. Hierdoor zijn de dekschilden alleen bij het opstijgen kort uitgeklapt. Dit veroorzaakt waarschijnlijk een aerodynamischer model, waardoor ze langer en sneller kunnen vliegen dan de meeste andere kevers.

Aangezien de kwetsbare achtervleugels bij alle kevers langer zijn dan de solide voorvleugels, moeten deze na het vliegen op een speciale manier worden opgevouwen om ze te beschermen met de dekschilden. Hiervoor is een stelsel van zogenaamde vleugeladergewrichten aanwezig.

De vleugels worden overigens niet direct door spieren aangedreven, maar door beurtelingse samentrekking van spieren in de thorax die leiden tot een opwaartse en neerwaartse beweging van de rugdelen. Deze beweging heeft middels het gewricht waaraan de achtervleugels zijn bevestigd een effect. Wanneer de rugdelen zich opwaarts bewegen, gaan de vleugels omlaag, en vice versa.

Door de verharde voorvleugels zijn de kevers relatief trage vliegers vergeleken met de andere vliegende insecten zoals vlinders en bijen. Dit wordt veroorzaakt door een trage vleugelslag en een relatief hoog gewicht. Vrij veel kevers kunnen helemaal niet meer vliegen, zelfs als de vleugels nog wel zijn aangelegd zijn de vliegspieren niet altijd aanwezig. Bij sommige kevers zijn de rugschilden zelfs langs de middennaad aan elkaar vast gegroeid.

Voeding

Onder de kevers bevinden zich zowel vlees- als planteneters. De vleeseters zijn meestal de snellere soorten, plantenetende kevers zijn over het algemeen veel trager. Veel vegetarische soorten eten van giftige planten, en kunnen soms ook het plantengif opslaan. Vijanden herkennen dit aan de walgelijke smaak, zoals die van veel bladhaantjes.

Carnivoren

De jagende vleesetende kevers, de roofkevers, bijten hun prooi, en sommigen bedekken de wond die hierbij ontstaat direct (gedeeltelijk) met middendarmsap, een scherpe vloeistof die eiwit- en vetverterende enzymen bevat. Hierdoor wordt het voedsel voorverteerd, en kan de kever het later in vloeibare vorm opnemen in de spijsvertering. Deze methode wordt ook door in het water levende roofkevers toegepast, maar op een enigszins aangepaste wijze. Deze injecteren namelijk het sap direct in de wond van de prooi, omdat wanneer het erop zou worden gespoten, dit direct zou oplossen. Daarna zuigen ze het voorverteerde voedsel op door middel van een buisje naar de binnenkant van de voorkaak. Deze methode wordt overigens niet alleen door kevers die in het water leven toegepast, maar ook door kevers die de slak tot hun prooi hebben gemaakt. Dit omdat ze anders last zouden hebben van het slijmvocht, wat de slakken als afweermiddel toepassen.

Lang niet alle vleesetende zijn overigens jagers, de meeste zijn aaseters. In de voorkeur van de soort vlees is ook een scala aan variatie. Zo wil de ene soort het liefst een vers kadaver als maaltijd, terwijl een andere soort de oude verdroogde resten prefereert. Daarnaast zijn er ook kevers die liever wat beenderen, talg en huidschilfers eten. Door deze variatie vullen de kevers elkaar goed aan, en vormen zij de opruimploeg van de natuur wat betreft dode dierlijke resten. Er zijn zeer weinig materialen van biologische oorsprong te bedenken die niet door de een of andere keversoort worden gegeten.

De vleesetende kevers hebben een korter darmstelsel dan plantenetende ordegenoten, aangezien zij minder moeite zullen hebben met de vertering van het voedsel. Planten hebben immers moeilijk verteerbare celwanden, en dieren niet. De mestkevers hebben hier wat op gevonden; ze laten runderen de planten voorverteren en leven van de mest.

Herbivoren

De plantenetende kevers kunnen dan ook een darmenstelsel hebben dat ruim tienmaal zo lang is als hun eigen lengte. Ze zijn erg afhankelijk van micro-organismen om het cellulose van de celwanden te verteren, die zijn ondergebracht in speciale organen of in de plooien van de darmwand. Deze micro-organismen kunnen van velerlei aard zijn. Het is begrijpelijk dat de larven die moeten leven van hout, zoals de boktorren, nog sterker afhankelijk zijn van deze vorm van metabolisme. Een aantal soorten boktorren beschikt echter zelf over de middelen om de cellulose af te breken.

Ook bij de herbivoren geldt dat de soorten zich lang niet allemaal op dezelfde soort voedsel richten. Zo zijn er soorten die graag stuifmeel of nectar lusten, en andere soorten boren zich liever door hout heen voor een lekker maaltje. Dit doen ze vaak ook in de stadia dat de mens ook graag deze plantendelen gebruikt (bijvoorbeeld als voedsel of bouwmateriaal), zodat de mens en kever elkaar soms beconcurreren. De kever wordt dan als schadelijk gekenmerkt, zoals het aspergehaantje. Maar ook kevers die de plant zodanig aantasten in een stadium voortijdig aan het voor de mens bruikbare stadium dat het niet meer bruikbaar is krijgen dikwijls het predicaat 'schadelijk'.

Verdedigingsmechanismen

De verdediging kan bij kevers verschillende vormen aannemen. Laten vallen en doodhouden komt het meest voor; ook snel wegvliegen, maar sommige kevers zijn erg creatief om van vijanden af te komen. Net zoals de vormen en kleuren van de kevers divers zijn binnen de orde, zijn ook de vele verschillende verdedigingsmechanismen dat. Met name grotere soorten hebben soms vervaarlijke kaken die zelfs door de mensenhuid kunnen dringen. Ook zijn er kevers die mechanische of chemische mechanismen hebben ontwikkeld om zich te verdedigen tegen bedreigers. Kniptorren hebben een scharnierend deel tussen kop en borststuk dat kan worden aangespannen en losgelaten waardoor de kever met een klikgeluid een eindje wordt gelanceerd. Zo kan de kever zich als deze op de rug terecht komt weer op de buik terecht komen maar het wordt ook gebruikt om vijanden af te schrikken.

Chemische verdediging vindt men bij vele families, onder andere de bladhaantjes, lieveheersbeestjes en de oliekevers. Met name deze laatste familie is berucht omdat de afscheiding niet alleen smerig ruikt en smaakt, maar tevens blaartrekkend is en kan leiden tot pijnlijke, grote waterige blaren. De bombardeerkever behoort tot de loopkevers en kan middels een chemische reactie een smerige, maar liefst 100 graden Celsius hete vloeistof afvuren op een vijand.

Taxonomie

De kevers worden verdeeld in vier onderorden, waarvan de Polyphaga de grootste is, veruit de meeste kevers behoren tot deze groep. Omdat er zoveel soorten zijn bevat de taxonomie van de kevers om het overzicht te behouden vrij veel tussenlagen (zoals onderorde, superfamilie, onderfamilie, sectie en subgeslacht) naast de gebruikelijke indeling in orde, familie, en geslacht.

Zie voor een uitgebreid overzicht tot op familieniveau onderstaande lijst :

Onderorde Adephaga
Familie Amphizoidae
Familie Aspidytidae
Familie Carabidae
Familie Dytiscidae
Familie Gyrinidae
Familie Haliplidae
Familie Hygrobiidae
Familie Noteridae
Familie Rhysodidae
Familie Trachypachidae
Onderorde Archostemata
Familie Crowsoniellidae
Familie Cupedidae
Familie Jurodidae
Familie Micromalthidae
Familie Ommatidae
Onderorde Myxophaga
Familie Hydroscaphidae
Familie Lepiceridae
Familie Microsporidae
Familie Sphaeriusidae
Familie Torridincolidae
Onderorde Polyphaga
Infraorde Bostrichiformia
Superfamilie Bostrichoidea
Familie Anobiidae
Familie Bostrichidae
Familie Dermestidae
Familie Endecatomidae
Familie Nosodendridae
Familie Ptinidae
Superfamilie Derontoidea
Familie Derodontidae
Familie (status onbekend) Jacobsoniidae
Infraorde Cucujiformia
Superfamilie Chrysomeloidea
Familie Cerambycidae
Familie Chrysomelidae
Familie Megalopodidae
Familie Orsodacnidae
Superfamilie Cleroidea
Familie Acanthocnemidae
Familie Attalomimidae
Familie Chaetosomatidae
Familie Cleridae
Familie Mauroniscidae
Familie Melyridae
Familie Metaxinidae
Familie Phloiophilidae
Familie Phycosecidae
Familie Prionoceridae
Familie Trogossitidae
Superfamilie Cucujoidea
Familie Agapythidae
Familie Alexiidae
Familie Biphyllidae
Familie Boganiidae
Familie Bothrideridae
Familie Brachypteridae
Familie Byturidae
Familie Cavognathidae
Familie Cerylonidae
Familie Coccinellidae
Familie Corylophidae
Familie Cryptophagidae
Familie Cucujidae
Familie Discolomatidae
Familie Endomychidae
Familie Erotylidae
Familie Helotidae
Familie Hobartiidae
Familie Laemophloeidae
Familie Lamingtoniidae
Familie Languriidae
Familie Latridiidae
Familie Monotomidae
Familie Myraboliidae
Familie Nitidulidae
Familie Passandridae
Familie Phalacridae
Familie Phloeostichidae
Familie Priasilphidae
Familie Propalticidae
Familie Protocucujidae
Familie Silvanidae
Familie Smicripidae
Familie Sphindidae
Familie Tasmosalpingidae
Superfamilie Curculionoidea
Familie Anthribidae
Familie Attelabidae
Familie Belidae
Familie Brentidae
Familie Caridae
Familie Cryptolaryngidae
Familie Curculionidae
Familie Eccoptarthridae
Familie Eobelidae
Familie Erirhinidae
Familie Ithyceridae
Familie Nemonychidae
Familie Obrieniidae
Familie Raymondionymidae
Familie Ulyanidae
Superfamilie Lymexyloidea
Familie Lymexylidae
Superfamilie Tenebrionoidea
Familie Aderidae
Familie Anthicidae
Familie Archeocrypticidae
Familie Boridae
Familie Chalcodryidae
Familie Ciidae
Familie Melandryidae
Familie Meloidae
Familie Mordellidae
Familie Mycetophagidae
Familie Mycteridae
Familie Oedemeridae
Familie Perimylopidae
Familie Prostomidae
Familie Pterogeniidae
Familie Pyrochroidae
Familie Pythidae
Familie Rhipiphoridae
Familie Salpingidae
Familie Scraptiidae
Familie Stenotrachelidae
Familie Synchroidae
Familie Tenebrionidae
Familie Tetratomidae
Familie Trachelostenidae
Familie Trictenotomidae
Familie Ulodidae
Familie Zopheridae
Infraorde Elateriformia
Superfamilie Buprestoidea
Familie Buprestidae
Superfamilie Byrrhoidea
Familie Byrrhidae
Familie Callirhipidae
Familie Chelonariidae
Familie Cneoglossidae
Familie Dryopidae
Familie Elmidae
Familie Eulichadidae
Familie Heteroceridae
Familie Limnichidae
Familie Lutrochidae
Familie Psephenidae
Familie Ptilodactylidae
Superfamilie Dascilloidea
Familie Dascillidae
Familie Rhipiceridae
Superfamilie Elateroidea
Familie Artematopodidae
Familie Brachypsectridae
Familie Cantharidae
Familie Cerophytidae
Familie Drilidae
Familie Elateridae
Familie Eucnemidae
Familie Lampyridae
Familie Lycidae
Familie Omalisida
Familie Omethidae
Familie Phengodidae
Familie Plastoceridae
Familie Telegeusidae
Familie Throscidae
Superfamilie Scirtoidea
Familie Clambidae
Familie Decliniidae
Familie Eucinetidae
Familie Scirtidae
Onbekende status:
Familie Podabrocephalidae
Familie Rhinorhipidae
Infraorde Scarabeiformia
Superfamilie Scarabaeoidea
Familie Belohinidae
Familie Ceratocanthidae
Familie Diphyllostomatidae
Familie Geotrupidae
Familie Glaphyridae
Familie Glaresidae
Familie Hybosoridae
Familie Lucanidae
Familie Ochodaeidae
Familie Passalidae
Familie Pleocomidae
Familie Scarabaeidae
Familie Trogidae
Infraorde Staphyliniformia
Superfamilie Hydrophiloidea
Familie Histeridae
Familie Hydrophilidae
Familie Sphaeritidae
Familie Synteliidae
Superfamilie Staphylinoidea
Familie Agyrtidae
Familie Hydraenidae
Familie Leiodidae
Familie Ptiliidae
Familie Scydmaenidae
Familie Silphidae
Familie Staphylinidae


Literatuur

  • Thieme's Kevergids, K.W. Harde en F. Severa, Vertaling en bewerking door J. Huisenga, Thieme, Zutphen, 1982, ISBN 90-03-97585 X (beschrijft kevers uit Midden-Europa)

Wikimedia Commons  Vrije mediabestanden over Coleoptera op Wikimedia Commons