Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Johanna Brinkhuijsen

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Johanna Brinkhuijsen (Amsterdam, 16821717) was een Nederlandse actrice. Zij was de dochter van acteur Hermanus Brinkhuijsen (1650- 1695) en actrice Maria Petit (1661- na 1723). Johanna werd geboren in een heuse acteerfamilie. Hermanus Benjamin en Catharina Petit waren haar oom en tante. Hermanus Benjamin, Catharina, Maria en Hermanus Brinkhuijsen waren met zijn vieren de meest gewilde acteurs die aan de Amsterdamse Schouwburg verbonden waren. Johanna Brinkhuijsen was vanaf het jaar 1698 tot en met het jaar 1714 actief als actrice voor de Schouwburg. Voor het gros van de acteurs was het salaris dat zij uitgekeerd kregen niet genoeg om rond van te komen. Daarom hadden de meesten naast hun baan als acteur of actrice nog een andere baan. Zo was de vader van Johanna slotenmaker en Johanna zelf was ook glasschilder.[1] De familie Brinkhuijsen -Petit waren de best betaalde acteurs van hun tijd. Maar zelfs op het niveau dat zij bereikt hadden moesten ze naast hun acteerwerk nog een andere bron van inkomsten hebben.

Leven en carrière

De familie Brinkhuijsen -Petit

Johanna was het oudste kind van Hermanus en Maria, zij werd op 28 augustus 1682 gedoopt in de Westerkerk. Hermanus en Maria kregen nog 7 dochters en 5 zoons, waarvan drie vroeg overleden. Ondanks de grote betrokkenheid bij de Schouwburg was Johanna het enige kind die haar ouders opvolgde in de theaterwereld. Hermanus en Maria Brinkhuijsen waren samen met Catherina Petit, en Hermanus Benjamin de meest gevierde acteurs van de late zeventiende, en begin achttiende eeuw. De twee zussen stonden ook wel bekend als 'de Petieten'. [2] Dat ze heel populair waren blijkt onder andere uit het feit dat de vier acteurs in 1684 als wraak zijn weggekocht bij de Schouwburg. Dit zorgde ervoor dat de recette van de Schouwburg zo enorm afnamen dat het bestuur de vier wel moest terugkopen voor een flinke som geld. [3] Hermanus en Maria ontvingen als echtpaar een speelloon van 11 gulden. Zus Catherina en haar man Hermanus Benjamin ontvingen samen een speelloon van 10 gulden. [4] Omdat de familie Brinkhuijsen -Petiet een vaste aanstelling had bij de Schouwburg, was het salaris dat zij per keer ontvingen zeer behoorlijk. Johanna Brinkhuijsen heeft nooit dezelfde roem gekend als de rest van haar familie. In de 16 jaar dat zij actief was als actrice, speelde zij slechts 19 keer. Haar speelloon varieerde tussen de 1 en 3 gulden per speelavond. Er valt niets te zeggen over de verschillende rollen die zij vertolkte. De rolverdelingen van de Schouwburg zijn voor de jaren waarin zij actief was niet bewaard gebleven. Wel weten we welke stukken er gespeeld werden op de avonden dat zij speelde. Een speelavond in de Schouwburg was opgedeeld in twee delen. Het eerste deel bestond uit het treurspel. Om de serieuze toon van het treurspel wat te verlichten werd er aan het eind nog een klucht gespeeld. Er valt niet meer te achterhalen in welke van de twee stukken Johanna speelde. Waarschijnlijk diende Johanna Brinkhuijsen als vaste invalkracht voor de Schouwburg. Dit zou kunnen duiden dat zij een heel gevarieerd actrices was, die zich kon inleven in elke rol die haar gegeven werd. De grote variatie in haar speelloon kan deze aanname bevestigen. Het idee dat Johanna minder geld ontving voor een kleine bijrol in een klucht en meer geld voor een rol in een treurspel is niet onmogelijk.

1655. Vrouwen op het toneel

Het onderzoek naar vrouwen op toneel staat nog in de kinderschoenen. Het onderzoek dat er tot nu toe gedaan is, beslaat voornamelijk het stereotype dat er rondom actrices staande werd gehouden. Al vanaf de Klassieke Oudheid gaan actrices gebukt onder een negatief stereotype. Actrices vormden een minderheid in de samenleving en werden vaak in een adem genoemd met prostituees. Dit slechte stereotype werd door de eeuwen heen in leven gehouden. Pas in de Renaissance kwam de actrice in een positiever daglicht te staan. In de Republiek duurde het langer voordat vrouwen op toneel werden geaccepteerd. De Schouwburg van Van Campen opende in 1637 zijn deuren. Pas in 1655 verscheen de eerste vrouw op toneel. Tot die tijd werden de vrouwenrollen vertolkt door mannen. De komst van vrouwen op toneel ging niet zonder enig conflict. De Schouwburg onderhield een gespannen relatie met de kerk in Amsterdam. Binnen de kerk was het stereotype van de onzedelijke actrice nog steeds werkelijkheid. Zij hadden vrouwen tot 1655 ook van het toneel weten te weren. Het feit bleef dat de rol van een vrouw, vertolkt door een man niet hetzelfde effect opleverde. In 1655 verscheen Ariana Nozeman voor het eerste ten tonele. Zij vertolkte de rol van haar naamgenoot in het stuk Onvergetelijke Ariana. Daarnaast was Nozeman de eerste vrouw die Badeloch speelde in Vondel zijn Gijsbrecht van Amstel. De komst van vrouwen sloeg aan want als snel werden er naast Adriana nog twee vrouwelijke toneelspelers werkzaam bij de Schouwburg.[5] Het eeuwigdurende machtsspel tussen de Schouwburg en kerk was in dit geval duidelijk gewonnen door de Schouwburg. Vrouwen zijn na 1655 niet meer van het toneel verdwenen.

Het schandaal 1708-1709

Johanna Brinkhuijsen bleef haar gehele leven ongehuwd. Dat ging tegen de reglementen van de Schouwburg in. Ongehuwde vrouwen mochten niet op toneel verschijnen. Johanna Brinkhuijsen is een apart geval, wellicht vanwege haar succesvolle familie werd voor haar een uitzondering gemaakt. Het is niet alleen de burgerlijke stand van Johanna die haar een interessant geval maken. Johanna werd in het jaar 1708 onterecht beschuldigd door een, onbekende, buitenstaander. Zij werd beschuldigd van het hebben van een relatie met een jood en van prostitutie. Het bestuur van de Schouwburg hechtte veel belang aan het enkel aannemen van zedige acteurs, actrices, muzikanten etc. Spelers die zo min mogelijk in opspraak waren gekomen. [6] Johanna Brinkhuijsen is gedurende de jaren 1708-1709 veel in opspraak gekomen. Ook hier lijkt het erop dat zij, als actrice zijnde, daar geen problemen van heeft ondervonden.

De beschuldigen rondom Johanna beginnen in het jaar 1708 maar beslaan ook de enkele jaren ervoor. De eerste verklaring is verschenen op 11 januari 1708. Dan roept ene Cornelis Boekelman Eldert Ossenhuis op om bij de notaris een verklaring af te leggen voor het 'ergerlijke leven' van Johanna. Het is volstrekt onduidelijk hoe Boekelman in relatie staat tot Johanna Brinkhuijsen. De enige connectie bestaat tussen Maria Brinkhuijsen en Eldert Ossenhuis. Zij waren kortstondig getrouwd geweest. Dit huwelijk was geen succes en enkele maanden daarvoor waren de twee al gescheiden. Beschuldigingen van diefstal hadden geleid tot hevige ruzies en huiselijk geweld. 'Spreekt je nog een woort soo sny ik jou d'r keel af' waren de woorden die Eldert Ossenhuis had gesproken tegen Maria Petit. Dat was genoeg voor Maria om van hem te scheiden en hem volledig uit haar testament te schrappen. [7] Deze recente gebeurtenis zou een verklaring kunnen zijn voor de gewillige getuigenis die Eldert aflegde. Niet alleen Eldert, maar ook haar oom Jan Petit en diens vrouw Dorethe Petit getuigden tegen Johanna. Het schandaal betrof de vermeende verhouding tussen Johanna en een Portugese jood Benjamin Labrote. De verhouding zou al anderhalf jaar eerder, in 1706, al begonnen zijn en zou tot op de dag van de getuigenis nog steeds bezig zijn. Cornelis Boekelman zou de twee meerdere malen samen hebben gezien. Meerdere malen zouden zij samen een huis binnen gegaan zijn waar ze de volgende dag pas in de vroege ochtenduren weer vertrokken zouden zijn. Eldert Ossenhuis plus oom en tante Petit bevestigden deze geruchten. Het feit dat Benjamin Lambrote een jood was maakt de verhouding tussen de twee een ernstige zaak. Relaties tussen joden en christenen waren toentertijd verboden en ook strafbaar. De beschuldigingen gaan door, de tante Dorethe probeert de eer van Johanna nog meer aan te tasten. Zij beweerde in een verklaring van 30 oktober 1708 dat Johanna zich prostitueerde. Dorethe zou van Johanna zelf gehoord hebben dat Johanna een gouden ring met diamanten van Benjamin Lambrote gekregen zou hebben. Het ging hier niet oom een verlovingsring dus dat gaf het geschenk een heel andere lading. Het ontvangen van de sieraden zou in deze kwestie de betaling zijn voor Johanna haar geleverde diensten. [8] Prostitutie was niet alleen verboden maar ook nog eens zeer oneervol. De zeventiende-eeuwse maatschappij was gebaseerd op een eercultuur. De stempel van ‘oneervol’ krijgen betekende dat de mogelijkheden tot het krijgen van een normale baan verleden tijd was. Oneervolle mensen verloren hun geloofwaardigheid maar ook hun betrouwbaarheid.[9] Een beschuldiging van prostitutie was al genoeg voor Johanna om haar baan als glasschilder en haar aanstelling bij de Schouwburg te verliezen. Het was voor haar dan ook zaak dat ze de beschuldigingen zo snel mogelijk tegensprak.

Op 22 maart 1708 kwam ze met haar eerste twee getuigen. Zij waren buren geweest en zij gaven ander inzicht op de vermeende nachtelijke uitstapjes van Johanna en Benjamin Lambrote. Later dat jaar kwam haar tante ook terug op haar getuigenis tegen Johanna. Zij bekende de getuigenis afgelegd te hebben tegen betaling van Cornelis Boekelman. Zij stelde dat zij het daarnaast 'uyt haat en nijt gedaan' hadden.[10] De laatste getuigenis vindt een jaar later plaats op 30 september. Hier verklaarden twee vrouwen degene te zijn geweest die een eerdere getuige, de dienstmeid van Dorethe Petit, hadden omgekocht. Ze zouden haar gevraagd hebben wat voor slechts ze wisten te vertellen over Johanna, en of ze bereid waren haar voor de notaris voor hoer uit te maken. Deze verklaring betekende voor Johanna haar eerherstel. De vrouwen gaven toe dat zij Johanna opzettelijk zwart probeerde te maken, zonder daar enig bewijs voor te hebben.[11] Zo waren haar naam en eer gered. Waarom haar tante uit haat en nijd tegen haar getuigde is onduidelijk. Het is ook niet bekend wat de intenties van Cornelis Boekelman waren. Voor mensen die kwaad in de zin hadden was Johanna wel een makkelijke prooi. Een ongetrouwde vrouw die als actrice aan de Schouwburg verbonden was kon voor veel mensen in de samenleving een doorn in het oog zijn. Het onzedige stereotype bestond nog steeds en Johanna was vanwege haar ongehuwde status makkelijk te beschuldigen van onzedige relaties. De relatie tussen Johanna Brinkhuijsen en Benjamin Lambrote is nooit ontkracht maar ook nooit bewezen. In de Notariële akten wordt het na 30 september 1709 stil rondom Johanna Brinkhuijsen. In het archief van de Schouwburg is nergens terug te vinden dat dit schandaal invloed heeft gehad op haar acteercarrière. Ze blijft in het jaar 1708 actief als actrice en speelt nog enkele malen. Pas vanaf 1715 verdwijnt de naam Johanna Brinkhuijsen uit het archief van het Burgerweeshuis. Enkele jaren later sterft Johanna Brinkhuijsen in 1717, op 35jarige leeftijd. Zij is begraven naast haar vader Hermanus Brinkhuijsen op het Karthuizerkerkhof in Amsterdam. [12]


Vragen rondom Johanna Brinkhuijsen

Er zijn nog veel vragen over het leven van Johanna Brinkhuijsen. Buiten de enkele getuigenissen binnen het Notarieel archief, haar loopbaan als actrice in het archief van de Schouwburg en haar doop -en begraafregister, is er niets te vinden over haar leven. In het Ondertrouwregister in het Amsterdamse archief komt de naam Johanna Brinkhuijsen één keer voor. Op de dag dat de actrice gestorven zou zijn, gaat een naamgenoot in ondertrouw met ene Jan Husselink. Er zijn meerdere aanwijzingen die erop wijzen dat het hier om een bizar toeval gaat. Ten eerste blijkt uit het ondertrouwregister dat de naamgenoot niet kon schrijven. Zij ondertekende niet met haar naam maar slechts met een ‘X’. Gezien het feit dat Johanna’s ouders en boers wel konden schrijven is het zeer onwaarschijnlijk dat zijzelf niet kon schrijven. Dat zij allemaal konden schrijven blijkt wederom uit de overgeleverde ondertrouwaktes die zij allemaal met hun eigen naam ondertekenden. Daarnaast kloppen de leeftijd, geboorteplaats en huidige woonplaats niet. De vraagtekens rondom het leven van Johanna blijven bestaan. In de Amsterdamse archieven is ze, naast het schandaal en haar doop -en begraafregister, verder niet te vinden. Zover bekend is ze nooit getrouwd geweest. Aangezien Johanna al op 35jarige leeftijd, kinderloos, stierf bleef de stad Amsterdam met haar boedel zitten. Helaas, is er geen spoor van Johanna en haar boedel terug te vinden in de archieven van de collaterale successie. Misschien dat er een grens was, en dat de boedels van mensen vrijwel zonder enig bezit niet werden opgenomen in de collaterale successie. Hier is nog geen antwoord op gevonden. Wederom een doodlopend spoor. Johanna werd begraven op het Karthuizerkerkhof. Een mogelijke reden dat Johanna daar werd begraven zou de relatie met het Burgerweeshuis kunnen zijn. De Schouwburg stond in dienst van het Burgerweeshuis. De grond van het Karthuizerkerkhof was van het Burgerweeshuis. Wellicht heeft de Schouwburg de begrafenis van de alleenstaande Johanna op zich genomen.[13] Als de Schouwburg inderdaad haar begrafenis had geregeld hadden ze misschien ook wel haar boedel overgenomen. Wederom is de boedelinventaris van het Burgerweeshuis een doodlopend spoor. Johanna Brinkhuijsen kwam aan het licht wegens een paar turbulente jaren waarin zij onterecht beschuldigd werd. Daardoor zijn er veel vragen rondom haar leven ontstaan waar tot nu toe nog geen antwoord op gegeven kan worden.

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties
  1. º Anna de Haas, in: 'Johanna Brinkhuijsen', 1001 Vrouwen, nr. 412, (Amsterdam 2014).
  2. º J.A. Worp De geschiedenis van den Amsterdamse Schouwburg 1496-1772,(Amsterdam 1920), 159.
  3. º Rudlof Ruysch, 'Om de armen een dienst te doen. De Amsterdamse Schouwburg en de Godshuizen gedurende het laatste kwart van de zevntiende eeuw, in: Tijdschrift Holland, (September 1991), 255.
  4. º J.A. Worp De geschiedenis, 159.
  5. º Ariana van den Bergh, 1001 Vrouwen, nr. 286, (2014).
  6. º SAA, Archief van het Burgerweeshuis: oud archief, toegangsnummer: 367.A, inventarisnummer: 5, 143.
  7. º SAA, Archief van de notarissen ter standplaats Amsterdam, toegangsnummer: 5075, inventarisnummer: 7826A, Pieter Blom, 18 december 1708.
  8. º SAA, Archief van de notarissen ter standplaats Amsterdam, toegangsnummer: 5075, inventarisnummer: 7826A, Pieter Blom 30 oktober 1708.
  9. º Lotte van de Pol in: Cultuur en maatschappij in Nederland 1500-1850, (Heerlen 1992), 179 -181
  10. º SAA, Archief van de notarissen ter standplaats Amsterdam, toegangsnummer: 5075, inventarisnummer: 7826A, Pieter Blom, 3 april 1708.
  11. º SAA, Archief van de notarissen ter standplaats Amsterdam, toegangsnummer: 5075, inventarisnummer:7837A, Gerard Burghout 30 september 1709.
  12. º SAA, Archief van de Burgelijke stand, toegangsnummer: 5001, inventarisnummer:1172
  13. º R. Meischke, Amsterdam Burgersweeshuis,(1975), 112
rel=nofollow