Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

René Descartes

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

René Descartes (La Haye en Touraine, 31 maart 1596Stockholm, 11 februari 1650), gelatiniseerd Renatus Cartesius, was een Franse filosoof en wiskundige. Ook leverde hij bijdragen aan de natuurkunde en fysiologie. Descartes woonde en werkte 20 jaar in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar hij ook zijn belangrijkste werken schreef. Hij was de eerste die de filosofie van Aristoteles niet alleen verwierp, maar ook verving door een eigen levensvatbaar filosofisch systeem, waarmee hij de basis legde voor de 17de-eeuwse stroming van het rationalisme. Hij wordt algemeen beschouwd als de vader van de moderne filosofie. In de wiskunde legde hij de basis voor de analytische meetkunde, de brug tussen de algebra en de meetkunde.

Biografie

Jeugd

Descartes werd geboren in La Haye en Touraine (nu Descartes) in Frankrijk. Hij was het derde kind van Joachim Descartes (2 december 156317 oktober 1640) en Jeanne Brochard (? – 13 mei 1597). Hij had een oudere zus Jeanne (over wie geen gegevens bekend zijn), een broer Pierre (19 oktober 15911660) en een halfzus Anne (1611 – ?) uit het tweede huwelijk (1600) van zijn vader met Anne Morin (2 september 157919 november 1634). Zijn vader was advocaat en magistraat in Rennes. De familie telde verder vooral artsen. Een jaar na zijn geboorte stierf zijn moeder en René sukkelde nogal met zijn gezondheid.

Toen hij 8 jaar oud was, stuurde zijn vader hem naar het grote Jezuïetencollege van La Flèche voor een klassieke opleiding. Daar verbleef hij van 1606 tot 1614. Na vijf jaar vooral les in klassieke talen, volgde hij daarna in La Flèche lessen in wiskunde en Aristoteliaanse filosofie. Hij werd de beste leerling van zijn school, en overtuigde zijn leraren ervan het beste te kunnen leren terwijl hij in bed lag om na te denken. Hij deed dit zo overtuigend dat hij het privilege kreeg om in bed te mogen blijven terwijl zijn medestudenten op school zaten te werken. Dit lang in bed liggen heeft hij zijn verdere leven volgehouden.

In 1614 en 1615 woonde Descartes in Saint-Germain-en-Laye bij Parijs, waar hij mogelijk leed aan zenuwaanvallen. Daarna studeerde hij van 1615 tot 1616 rechten en mogelijk medicijnen aan de universiteit van Poitiers.

Descartes als militair en als reizend en ontdekkend man

In 1618 vertrok hij naar Nederland, waar hij zich als vrijwilliger aansloot bij het leger van Prins Maurits bij Breda. De achtergrond van zijn besluit naar die stad te gaan is niet duidelijk, maar koning Hendrik IV had de Republiek gesteund tegen Spanje en Descartes was een avontuurlijke Fransman. Hij werd gefascineerd door toegepaste wiskunde, zoals van de vestingbouw, die door Simon Stevin was ontwikkeld. Descartes raakte bevriend met Isaac Beeckman, een Nederlandse arts, filosoof en wiskundige, die zich opstelde als een oudere broer. Tot 1619 werkten ze samen aan muziek, vrije val, de kettinglijn als kegelsnede en de hydrostatische paradox.

Ten tijde van de Dertigjarige Oorlog trok Descartes via Denemarken naar Frankfurt. Hij werd officier in het leger van de katholieke Maximiliaan I van Beieren , dat vocht in Bohemen. Descartes was geen echte militair: zijn belangrijkste reden om aan de oorlog deel te nemen was om de wereld en de mensen beter te leren kennen, schreef hij later in Discours de la Methode. Descartes hield contact met Beeckman en bleef aan wiskunde werken, vooral aan de mogelijkheden van de proportionaalpasser en varianten daarop, die hem tot zijn nieuwe algebra zouden voeren. In de nacht van 10 november 1619 kreeg hij te Ulm (Neuberg) een belangrijke openbaring. Naar zijn eigen zeggen heeft hij toen de grondslagen van de wetenschap ontdekt. In een droom zag hij zichzelf een gedicht voordragen, met de eerste regel "Quod vitae sectabor iter!" (Wat voor levensweg zal ik gaan leiden?) en noteerde niet lang daarna zijn ideeën voor een nieuwe filosofie: de analytische meetkunde en de samenhang tussen de verschillende wetenschappen. In 1620 nam hij ontslag bij het leger. Van 1620 tot 1628 reisde Descartes naar Italië, maar hij keerde al snel weer terug omdat hij niet tegen de hitte kon. In Frankrijk kwam hij in contact met de wiskundige Marin Mersenne en raakte geïnteresseerd in optica. Kardinaal de Berulle moedigde hem aan zijn ideeën, die het systeem van Aristoteles konden vervangen, verder uit te werken.

Descartes in Nederland 1628-1648

In 1628 vestigde hij zich weer in de Lage Landen en werd in Franeker student van Adriaan Metius. Tijdens zijn verblijf in Franeker woonde hij op het Sjaerdemaslot. In 1630 schreef hij zich in aan de Universiteit Leiden. Hij kwam in contact met de diplomaat en dichter Constantijn Huygens. In oktober 1630 brak hij met Beeckman, die hij ten onrechte beschuldigde van plagiaat.

Descartes was een rusteloze man op zoek naar rust. Hij woonde achtereenvolgens in Franeker, Amsterdam, Leiden, Deventer, Harderwijk, Utrecht, Amersfoort, Leeuwarden, Oegstgeest, Santpoort, Egmond aan den Hoef en uiteindelijk in Egmond Binnen [1]. In Amsterdam woonde hij in de Kalverstraat en op de Westermarkt. Daar had hij zijn enige liefdesaffaire. Hij werd vader van een dochter Francine, die hij verwekte bij het dienstmeisje Helène Jansdochter, die in 1640 overleed te Amersfoort.

In de zomer van het jaar 1635 gaf Descartes les in filosofie in Utrecht. In Henricus Regius vond hij zijn voornaamste medestander in Nederland. In 1639 kreeg hij het aan de stok met Gisbertus Voetius, een hoogleraar theologie in Utrecht. In 1640 verbleef hij in Leiden in het pand Rapenburg 21. In 1642 had hij in Oegstgeest het fraaie Kasteel Endegeest gehuurd. Descartes maakte kennis met Elisabeth van Bohemen, de voormalige koningin van Bohemen. In 1644 en 1647 trok hij naar Parijs. In 1646 raakten Descartes en Regius in conflict over Regius' boek Fundamenta physices.

Hij maakte er een gewoonte van om zijn verblijfplaats alleen aan enkele vrienden bekend te maken. Mede op aandringen van deze vrienden publiceerde hij er zijn Discours de la méthode, waarin hij de in die tijd nog altijd gangbare filosofie van Aristoteles en de scholastiek verwierp en volhield dat alle echte kennis op de wiskunde moet worden gebaseerd. Bovendien paste hij in La géometrie, een aanhangsel van het Discours, de algebra consequent toe op meetkundige vraagstukken, waarmee meetkundige objecten konden worden beschreven met getallen en vergelijkingen. Hij was de eerste die deze aanpak hanteerde en legde hiermee de basis van de moderne wis- en natuurkunde.

Jan Lievens tekende zijn portret.

Overlijden in Zweden

In 1648 ging Descartes op verzoek van koningin Christina van Zweden naar Stockholm. Hij liep daar een longontsteking op waaraan hij in 1650 overleed, volgens tijdgenoten doordat hij niet gewend was aan het koude klimaat en aan het vroege opstaan waar de koningin hem toe dwong: zij wilde om vijf uur 's ochtends les van Descartes krijgen. Hij stierf er in het koninklijk paleis en werd, na korte tijd in Zweden begraven te zijn geweest, herbegraven in een tombe van het Panthéon te Parijs in 1667.

Filosofie

René Descartes is vooral bekend om de cartesiaanse twijfel en zijn filosofisch systeem, de verbinding van algebra en meetkunde in de wiskunde en allerlei bijdragen aan de natuurkunde zoals de verklaring van de regenboog. De bekendste boeken zijn Discours de la méthode (1637, Verhandeling over de methode), Meditationes de prima philosophia (1641, Meditaties over de eerste filosofie) en Principia philosophiae (1644, Beginselen van de wijsbegeerte).

Cogito ergo sum

Met zijn stelling Cogito ergo sum (Ik denk, dus ik ben) neemt Descartes een dualistisch standpunt in: hij scheidt de geest van het lichaam. Via allerlei gedachte-experimenten komt hij immers tot de conclusie dat hij er niet zeker van kan zijn dat hij een lichaam heeft, maar wel dat hij een geest heeft. Hij stelt dat men aan letterlijk alles moet twijfelen. Het moet echter, zelfs in al deze twijfel, voor een ieder duidelijk zijn dat men twijfelt en dus dat men denkt; zo kwam hij uiteindelijk bij de stelling: "Cogito ergo sum"; men weet niet waar de geest zich bevindt, maar wel dát die zich ergens bevindt en dus dat de geest bestaat.

In zijn filosofische onderzoekingen stuitte Descartes op de subjectiviteit van de menselijke waarneming. Wat is werkelijkheid, en wat is illusie? De menselijke waarneming bleek zo onbetrouwbaar te zijn, dat aan de werkelijkheid, zoals de mens die waarneemt, kan worden getwijfeld. Wat betwijfeld kan worden, moet worden afgewezen, want bewijsvoering moet plaatsvinden op basis van onbetwijfelbare argumenten. Waaraan volgens hem echter niet getwijfeld kon worden, was het feit dát hij twijfelde. "Cogito ergo sum" is een vaststelling waarover geen discussie mogelijk is. Vanuit deze grondslag bouwde Descartes God en het wereldbeeld op basis van onbetwijfelbare argumenten opnieuw op. Of hij in dat laatste slaagde, gaf aanleiding tot eeuwenlange filosofische discussies.

Descartes' beroemde stelling komt voor in de Principia Philosophiae (eerste deel):

"Ego cogito, ergo sum."

In de tweede Meditatie (artikel 3) zegt hij: "Ego sum, ergo existo" en in deel 4 van de Discours de la méthode staat de eveneens bekende frase "Je pense, donc je suis."

Systematische twijfel

Volgens Descartes moet men het schijnweten volledig uitbannen en is enkel een volledig zekere, deductieve wetenschap waar. Om tot dit resultaat te komen gebruikt hij een soort radicale, kunstmatige twijfel in drie fasen:

  • de destructieve fase: kennis verkregen door onderricht en boekenkennis moeten verworpen worden, net als zintuiglijke kennis. Hij stelt zich de vraag of aan de zintuiglijke oordelen een objectieve werkelijkheid bestaat: bestaat de materiële wereld wel, en dus ook ons lichaam? Zelfs de waarheid van de wiskunde betwijfelt hij door de introductie van een god als "malin génie": wie garandeert ons dat er geen bedrieglijke god bestaat die ons bij het simpelste optelsommetje de verkeerde getallen doet uitkomen? De conclusie is een radicaal niet-weten.
  • het scharnierpunt: men kan het bestaan van het denkende subject verzekeren, zolang het denkt. "Cogito ergo sum". Zonder lichaam zou ik ook bestaan, zolang ik maar denk. Conclusie: er is geen lichaam nodig voor de geest om te bestaan.
  • de constructieve fase: Descartes komt tot twee godsbewijzen die het bestaan van een "malin génie" weerleggen: God kan geen bedrieger zijn, want bedrog wijst op tekortkomingen terwijl God volmaakt is. (Problematisch is volgens sommigen dat Descartes zich hierbij schuldig maakt aan een denkfout.) God zou ons bedriegen als onze neiging om te geloven in het bestaan van een materiële wereld buiten ons bewustzijn, misleidend zou zijn. Conclusie: het doel, de fundering van kennis, is bereikt.

De drie zekerheden

Om rationaliteit te funderen poneerde Descartes drie zekerheden:

De eerste zekerheid is die van de twijfel. Door dingen in vraag te stellen ontstaat er twijfel. Wanneer deze twijfel echter opnieuw in vraag gesteld wordt, wordt het feit herbevestigd dát ik twijfel. Op deze manier ontstaat er een zekerheid, namelijk die van het bestaan van de twijfel, de activiteit van het denken in zijn puurste vorm. Het denken (het cogito) bevestigt de aanwezigheid van deze denkactiviteit (het zijn). Ik denk, dus ik ben.

Met deze eerste zekerheid bewees Descartes het bestaan van het denken als substantie. Om zijn fundering van de rationaliteit verder te zetten voerde hij het dualisme in. In het dualisme onderscheidde hij twee polen. De eerste pool is die van het denken of de res cogitans (zoals in die in de eerste zekerheid is bewezen). Daarnaast bestaat er een tweede pool, een nog te bewijzen buitenwereld of res extensa, die alles buiten het denken omvat. Het denken en de buitenwereld lijken op het eerste zicht dus twee volledig gesloten, geïsoleerde substanties. Descartes trachtte vervolgens een brug te slaan tussen deze twee polen.

De tweede zekerheid was die van het bestaan van God. Met de eerste zekerheid, die van het denken, ontstaat de notie idee. Het denken "is", omdat het een zuiver, logisch en distinct idee is. Elke idee die aan deze voorwaarden voldoet, moet volgens Descartes dus waar zijn. Om door het denken te komen tot zuivere ideeën over de buitenwereld, moet zekerheid worden geschapen over de juistheid en zuiverheid van denken en ideeën. Dat wat deze zuiverheid waarborgt, is volgens Descartes God. God is het volmaakte dat de Malin Génie (de stoorzender in ons denken) uitschakelt.

Om het bestaan van deze God aan te tonen, steunde Descartes op twee godsbewijzen(a posteriori en a priori). Het eerste bewijs (a posteriori) maakt gebruik van de causaliteit en de idee van oneindigheid. Aangezien het denken gesloten en dus eindig is, kan de idee van oneindigheid volgens Descartes niet uit iemand zelf komen. De oneindigheid moet een oorsprong hebben buiten het denken. Deze oorsprong zou God zijn. Het tweede bewijs (a priori) stelt dat de idee van de oneindigheid ook het bestaan van de volmaakte oneindigheid impliceert. Deze volmaakte oneindigheid vormt, volgens Descartes, de tweede substantie naast het denken, namelijk God.

De derde zekerheid is die van het bestaan van de buitenwereld. In het denken worden zintuiglijke prikkels waargenomen die voorstellingen doen ontstaan. De vraag is nu of deze voorstellingen werkelijk zijn en zijn zoals ze zich voordoen. Het bestaan van een God kan het wantrouwen ten opzichte van deze waarnemingen ontkrachten. Er zijn slechts twee substanties (cogito en God) waarin deze waarnemingen hun oorsprong kunnen vinden. Het denken is één mogelijkheid. Een wereld van waarnemingen zou gecreëerd kunnen worden door samenhangende ideeën te construeren. Het probleem is hier echter dat zintuiglijke waarnemingen de wil overstijgen en deze niet door het denken bestuurd kunnen worden. Ze komen ongecontroleerd op ons af. Een tweede mogelijkheid is dat ze van God afkomstig zijn. Maar dit zou dan weer niet passen in het beeld van God die de Malin Génie uitschakelt en het denken zuiver houdt. Als God het zuiver volmaakte nastreeft, waarom zou hij zich dan bezig houden met het creëren van waanvoorstellingen? Er moet dus een derde substantie bestaan (de buitenwereld) die zintuiglijke voorstellingen in ons denken veroorzaakt.

Met deze drie zekerheden concludeerde Descartes dat de werkelijkheid bestaat uit voorstellingen in het denken. Door het bestaan van een God, die de Malin Génie uitschakelt, stelde hij dat deze werkelijkheid zich voordoet zoals hij is. Hiermee plaatste Descartes de zuivere idee van de ratio centraal in het begrip van de werkelijkheid.

Begrippen

Als rationalist onderscheidde de filosoof Descartes drie soorten begrippen:

  1. adventitiae (van buiten gekomen begrippen),
  2. innatae (in- of aangeboren begrippen) en
  3. a me ipse factae (zelfbedachte begrippen).

Als dualist onderscheidde hij geest of ziel of God (res cogitans) en materie (res extensa). In zijn eigen woorden:

Onder de geschapen dingen zijn er enkele die niet kunnen bestaan zonder andere, daarom moeten wij deze onderscheiden van die dingen die alleen de bijzondere bijstand van God nodig hebben om te bestaan.

Deze laatste zijn bij hem substanties terwijl die andere (materiële, wereldlijke) dingen die hierdoor gekenmerkt zijn doordat ze plaats innemen, attributen van de substanties worden genoemd.

Descartes gebruikt hierbij het klassieke en scholastieke begrip substantie, dat niet verward mag worden met het hedendaagse begrip, dat bijna synoniem is met materie.

René Descartes werd waarschijnlijk beïnvloed door het werk van Francisco Sanches, die in zijn belangrijkste werk Quod nihil scitur (1581) twijfel als uitgangspunt nam.

Principia Philosophiae

In 1644 poogde hij in zijn boek Principia Philosophiae (De Beginselen van de Filosofie) het complete universum te beschrijven vanuit een volledig wiskundig opgebouwde mechanica. Zijn gedachten over de werking van het heelal vonden veel weerklank, maar werden jaren later met name door Isaac Newton weerlegd.

Wiskunde

René Descartes heeft op vele manieren belangrijke bijdragen geleverd aan de wiskunde:

  • consequente toepassing van algebra op de meetkunde, waaruit later de invoering van het rechthoekige, zogenaamd cartesische assenstelsel volgde. Hierdoor konden meetkundige objecten worden beschreven met getallen en vergelijkingen. De kennis die wiskundigen reeds hadden op het gebied van de algebra kon worden toegepast in de meetkunde. Dit leidde tot het ontstaan van de analytische meetkunde voor ongeveer 1628, maar pas gepubliceerd in 1637 in La Géométrie. Dit is de oudste wiskundetekst die we kunnen lezen zonder notatieproblemen te ontmoeten. Overigens was het niet Descartes' bedoeling om meetkunde tot algebra terug te brengen. De eerste zin van La Géométrie luidt:
Elk vraagstuk in de meetkunde kan gemakkelijk zo worden vereenvoudigd, dat kennis van de lengtes van bepaalde lijnen voldoende is voor de constructie.
De analytische meetkunde van Descartes werd later door andere wiskundigen uitgewerkt tot de analyse van functies.
  • een wiskundige notatie die vandaag de dag nog wordt gebruikt. Hij suggereerde het gebruik van kleine letters van het einde van het alfabet (zoals x, y, z) voor onbekende hoeveelheden en de beginletters voor bekende hoeveelheden (zoals a, b, c). Daarnaast wierp hij ook het idee op exponenten van een variabele te gebruiken om de macht ervan weer te geven (zoals x²).
  • gebruik van getallen en variabelen om de lengtes van lijnstukken weer te geven. Wanneer eenmaal de lengte van een lijnstuk was afgesproken, bijv. x, dan kon men x² en x³ gebruiken om lijnstukken van lengte x² en x³ aan te duiden.
  • Ook de bovenstreep achter het wortelteken √, die de betekenis heeft van haakjes, is afkomstig van Descartes.
  • Descartes had de gedachte (samen met Thomas Harriot) om een vergelijking te herleiden tot een uitdrukking = 0, die veel eenvoudiger op te lossen was.
h + v = r + 2
met h, v, en r respectievelijk het aantal hoekpunten, zijvlakken en ribben van een eenvoudig veelvlak, maar de ontdekking hiervan door Descartes is omstreden.

Natuurkunde

Fysiologie

  • Hij verklaarde onder meer de werking van het oog en reflexen.

Misverstand

Descartes voerde niet het naar hem genoemde Cartesisch of rechthoekig assenstelsel in (zie onder meer boeken van Struik[2]). Zijn meetkundeboek La Géometrie gebruikt ze niet. Wel ontstond later onder de invloed van Descartes de analytische meetkunde.

Publicaties

Trivia

  • Descartes had een hond die Monsieur Grat heette.
  • Toen hij naar Nederland reisde om daar meerdere jaren te verblijven en te publiceren, was de reden die Descartes opgaf dat het klimaat er beter om te denken was, waarbij hij in het midden liet of hij werkelijk doelde op het weer, dan wel op de zich daar ontwikkelende tolerantie.
  • Hij at in Nederland vegetarisch, al was dit vooral uit gezondheidsoverwegingen en niet zozeer vanuit een ethische overtuiging. Dierenethiekfilosofen zoals Peter Singer, Martha Nussbaum en Tom Regan verzetten zich hevig tegen de cartesiaanse ethiek, die dieren enkel een instrumentalistische rol toeschrijft.
  • Ook hield hij een eigen groentetuin.
  • Toen in 1650 zijn graf in Stockholm werd geopend bleek het lichaam geheel geskeleteerd te zijn. Souvenierjagers namen zijn schedel en zijn rechterwijsvinger in bezit en de rest van de beenderen werd na enige omzwervingen in de Parijse universiteitskerk Saint Germain des Prés begraven. Daar rust het lichaam nog steeds. De schedel wordt in het Musee de l'Homme in Parijs bewaard tussen de schedel van een Cro magnon mens en de schedel van de in 1721 geëxecuteerde moordenaar Cartouche[3]. De Amerikaanse wetenschapper Carl Sagan nam de geconserveerde hersenen van de Franse hersenonderzoeker Paul Broca als uitgangspunt voor een boek over de menselijke hersenen, het verstand en de geest. De journalist en schrijver Russell Shorto nam dit gegeven over de omzwervingen van de beenderen van Descartes als een metafoor om de botsingen tussen verstand en geloof in de geschiedenis te beschrijven, in zijn boek Descartes' Bones: A Skeletal History of the Conflict between Faith and Reason (2008)[4][5].

Vernoemd

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:
Overzicht en biografie:

  • Gaukroger, Stephen: Descartes. An intellectual biography, Oxford University Press, 1995, 2003, 499 p.
  • P. van der Hoeven: Descartes: wetenschap en wijsbegeerte, Baarn : Wereldvenster, 1972. 118 p. (Wijsgerige monografieën)
  • Strathern, P.: Descartes in 90 minuten Uitgeverij Holland - Haarlem 1999 ISBN 90-251-0831-8

Wiskunde:

  • Boyer, C.B.: A history of mathematics, New York, 1968
  • Hawking, Stephen: God created the integers, London, Penguin, 2003 (geeft Engelse vertaling van La Géometrie)
  • Struik, D.J.: Geschiedenis van de wiskunde, SUA Amsterdam, 1977
  • Struik, D.J.: A source book in mathematics 1200-1800, Princeton University Press, 1986 en latere uitgaven (vertaling van enkele teksten van Descartes in het Engels.)

Natuurkunde:

Referenties en noten:

  1. º A Calendar of Descartes’ life for 1643
  2. º Tekst op www.dbnl.org)
  3. º Marten Doorman in het NRC op 9 januari 2009
  4. º Russell Shorto Descartes' Bones: A Skeletal History of the Conflict between Faith and Reason uitg. Random House (2008) ISBN 978-0-385-51753-9 en ISBN 0-385-51753-X.
  5. º Robert Stiphout "Dit is een nieuwe wereld" in Elsevier 18 oktober 2008 (jrg.64, nr.42), pag.30

Externe links

Primaire bronnen

Vertalingen

Biografie

1px.pngWikimedia Commons  Zie ook de categorie met mediabestanden in verband met René Descartes op Wikimedia Commons.