Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Lelietje-van-dalen: verschil tussen versies

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
(Nieuwe pagina aangemaakt met 'Het '''lelietje-van-dalen''' of '''meiklokje''' (''Convallaria majalis'') is een plantensoort uit het geslacht ''Convallaria'' in de aspergefamilie (''Asparagaceae'...')
 
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 10: Regel 10:
Tussen maart en juni ontwikkelen zich vijf tot tien afhangende, breed klokvormige bloemen in een min of meer eenzijdige trosvormige bloeiwijze.
Tussen maart en juni ontwikkelen zich vijf tot tien afhangende, breed klokvormige bloemen in een min of meer eenzijdige trosvormige bloeiwijze.


Elke bloementros staat boven een vliezig, 4 tot 20 mm lang, lancetvormig schutblad dat ongeveer half zo lang is als de 5 tot 11 mm lange bloemsteel en deze aan de basis omhult. Lelietjes-van-dalen hebben een karakteristieke, intens zoete geur die potentiële bestuivers aantrekt. Het aromatische aldehyde bourgeonal bepaalt de geur. De zuiver witte perianth van het lelietje-van-dalen heeft een uniforme vorm en is, zoals gebruikelijk is in de onderfamilie Nolinoideae, niet verdeeld in kelk en bloemkroon. De zes 5 tot 9 mm lange perigone bladeren zijn bijna volledig vergroeid in een klokvorm met uitzondering van hun zes korte, 1 tot 3 millimeter lange, teruggebogen toppen. De perigone bladeren zijn bedekt met microscopisch kleine klieren. De perigoon is meestal zuiver wit, zelden hebben exemplaren binnenin zes paarse vlekken waar de meeldraden zijn ingeplant (var. picta Wilczek). De bloem van het lelietje-van-dalen is tweeslachtig, d.w.z. ze bevat meeldraden en kelkjes in één bloem. Er zijn twee cirkels, elk met drie vrije, vruchtbare meeldraden onder elkaar. De korte, meestal vaag roodachtige meeldraden zijn vergroeid met de basis van de bloemblaadjes en steken er niet bovenuit. De gele, langwerpige tot lancetvormige helmknoppen hebben twee thecae. Ze openen aan beide zijden van boven naar beneden met een overlangse spleet om het stuifmeel vrij te geven. Drie carpels zijn vergroeid tot een rondachtige, superieure, driekamerige eierstok. Elke eierstokkamer bevat vier tot acht eicellen. De korte, dikke, rechte stamper wordt afgesloten door een kleine, iets drielobbige tot kopvormige stempel. De stamper steekt niet buiten de perianth uit.
Elke bloementros staat boven een vliezig, 4 tot 20 mm lang, lancetvormig schutblad dat ongeveer half zo lang is als de 5 tot 11 mm lange bloemsteel en deze aan de basis omhult. Lelietjes-van-dalen hebben een karakteristieke, intens zoete geur die potentiële bestuivers aantrekt. Het aromatische [[aldehyde]] bourgeonal bepaalt de geur. Het zuiver witte [[bloembekleedsel]] (perianth) van het lelietje-van-dalen heeft een uniforme vorm en is, zoals gebruikelijk is in de onderfamilie Nolinoideae, niet verdeeld in kelk en bloemkroon. De zes 5 tot 9 mm lange perigone bladeren zijn bijna volledig vergroeid in een klokvorm met uitzondering van hun zes korte, 1 tot 3 millimeter lange, teruggebogen toppen. De perigone bladeren zijn bedekt met microscopisch kleine klieren. De perigoon is meestal zuiver wit, zelden hebben exemplaren binnenin zes paarse vlekken waar de meeldraden zijn ingeplant (var. picta Wilczek). De bloem van het lelietje-van-dalen is tweeslachtig, d.w.z. ze bevat meeldraden en [[vruchtblad]]eren in één bloem. Er zijn twee cirkels, elk met drie vrije, vruchtbare meeldraden onder elkaar. De korte, meestal vaag roodachtige meeldraden zijn vergroeid met de basis van de bloemblaadjes en steken er niet bovenuit. De gele, langwerpige tot lancetvormige helmknoppen hebben twee stuifmeelreservoirs. Ze openen aan beide zijden van boven naar beneden met een overlangse spleet om het stuifmeel vrij te geven. Drie vruchtbladeren zijn vergroeid tot een rondachtig driekamerig [[vruchtbeginsel]]. Elke kamer van het vruchtbeginsel bevat vier tot acht [[zaadknop]]pen. De korte, dikke, rechte stamper wordt afgesloten door een kleine, iets drielobbige tot kopvormige stempel. De stamper steekt niet buiten het bloembekleedsel uit.


===Zaadjes===
De ronde drielobbige bessen met een diameter van zes tot twaalf millimeter worden helderrood wanneer ze rijp zijn. In het vruchtvlees zitten één tot vijf zaden. De gele tot lichtbruine zaden zijn ongeveer drie tot vier millimeter lang en bijna bolvormig tot hoekig van vorm. Om te ontkiemen hebben ze hebben kou nodig en ze worden als kortlevend beschouwd.
===Chromosomen===
Het basis-chromosomenaantal is x = 19. In de wilde plant is er een diploïde chromosomenreeks van 2n = 38.
[[Categorie:Aspergefamilie]]
[[Categorie:Vaste plant]]
[[Categorie:Plant uit het Palearctisch gebied|lelietje-van-dalen]]
{{zaadje}}
{{zaadje}}

Versie van 29 jun 2022 01:01

Het lelietje-van-dalen of meiklokje (Convallaria majalis) is een plantensoort uit het geslacht Convallaria in de aspergefamilie (Asparagaceae).

Beschrijving

Het lelietje-van-dalen is een overblijvende, kruidachtige plant die 10 tot 30 cm hoog wordt. Hij heeft een wortelstok die tot 50 cm diep wortelt als opslag- en overlevingsorgaan en wordt daarom ingedeeld als een rizoomgeofyt. De relatief dunne, kruipende wortelstok vertakt monopodiaal, wat betekent dat de bovengrondse scheuten zich boven de top van de wortelstok vertakken. Met behulp van hun aanvankelijk kegelvormige vorm breken de jonge scheuten in het voorjaar door de grond. De verder bladerloze, rechtop groeiende en hoekige stengel heeft meestal twee blaadjes in een opgerolde knopstand aan de basis, die hem in een schede omsluiten.

Blad

Het lelietje-van-dalen heeft twee tot drie bladeren die rechtstreeks uit de wortelstok groeien. Ze zijn verdeeld in een stengelachtige bladschede die een pseudostam vormt en de bladschijf. De lengte van de schede is ongeveer 4 tot 30 centimeter. De volledige bladschijf is onbehaard. De lengte varieert tussen 12 en 20 centimeter, de breedte tussen 2,5 en 5 centimeter. Het is breed lancetvormig en eindigt in een korte spitse bladtop. Het bovenste en onderste bladoppervlak zijn donkergroen, het bovenste bladoppervlak is duidelijk glanzend. Naar de basis toe versmalt het blad zich tot de valse stengel toe, waarbij de stengelachtige schede van het onderste blad die van het hogere blad omhult. Bovendien omringen verscheidene vliezige onderste bladeren de basis van de valse stengel op een schede-achtige manier.

Bloem

Tussen maart en juni ontwikkelen zich vijf tot tien afhangende, breed klokvormige bloemen in een min of meer eenzijdige trosvormige bloeiwijze.

Elke bloementros staat boven een vliezig, 4 tot 20 mm lang, lancetvormig schutblad dat ongeveer half zo lang is als de 5 tot 11 mm lange bloemsteel en deze aan de basis omhult. Lelietjes-van-dalen hebben een karakteristieke, intens zoete geur die potentiële bestuivers aantrekt. Het aromatische aldehyde bourgeonal bepaalt de geur. Het zuiver witte bloembekleedsel (perianth) van het lelietje-van-dalen heeft een uniforme vorm en is, zoals gebruikelijk is in de onderfamilie Nolinoideae, niet verdeeld in kelk en bloemkroon. De zes 5 tot 9 mm lange perigone bladeren zijn bijna volledig vergroeid in een klokvorm met uitzondering van hun zes korte, 1 tot 3 millimeter lange, teruggebogen toppen. De perigone bladeren zijn bedekt met microscopisch kleine klieren. De perigoon is meestal zuiver wit, zelden hebben exemplaren binnenin zes paarse vlekken waar de meeldraden zijn ingeplant (var. picta Wilczek). De bloem van het lelietje-van-dalen is tweeslachtig, d.w.z. ze bevat meeldraden en vruchtbladeren in één bloem. Er zijn twee cirkels, elk met drie vrije, vruchtbare meeldraden onder elkaar. De korte, meestal vaag roodachtige meeldraden zijn vergroeid met de basis van de bloemblaadjes en steken er niet bovenuit. De gele, langwerpige tot lancetvormige helmknoppen hebben twee stuifmeelreservoirs. Ze openen aan beide zijden van boven naar beneden met een overlangse spleet om het stuifmeel vrij te geven. Drie vruchtbladeren zijn vergroeid tot een rondachtig driekamerig vruchtbeginsel. Elke kamer van het vruchtbeginsel bevat vier tot acht zaadknoppen. De korte, dikke, rechte stamper wordt afgesloten door een kleine, iets drielobbige tot kopvormige stempel. De stamper steekt niet buiten het bloembekleedsel uit.

Zaadjes

De ronde drielobbige bessen met een diameter van zes tot twaalf millimeter worden helderrood wanneer ze rijp zijn. In het vruchtvlees zitten één tot vijf zaden. De gele tot lichtbruine zaden zijn ongeveer drie tot vier millimeter lang en bijna bolvormig tot hoekig van vorm. Om te ontkiemen hebben ze hebben kou nodig en ze worden als kortlevend beschouwd.

Chromosomen

Het basis-chromosomenaantal is x = 19. In de wilde plant is er een diploïde chromosomenreeks van 2n = 38.

 
rel=nofollow